ECLI:NL:GHARL:2025:6763

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
25/229
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:4 lid 2 AwbArt. 40 lid 2 Wet WOZArt. 30a lid 4 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €251.000 voor het jaar 2023. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde bij uitspraak op bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof.

Tijdens het hoger beroep betoogde belanghebbende dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en dat verschillende formele rechten waren geschonden, waaronder het inzagerecht en de motivering van de uitspraak op bezwaar. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een lagere waardering van de woning, waardoor de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.

Ten aanzien van de formele grieven bereikten partijen een compromis waarbij de heffingsambtenaar proceskosten en griffierechten aan belanghebbende vergoedt en belanghebbende deze grieven intrekt in andere zaken. Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat betrekking had op de proceskosten, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/229
uitspraakdatum: 28 oktober 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 30 december 2024, nummer ZWO 23/2548, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaarvan de
regionale belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 26 te [plaats1] (hierna: de woning) voor het jaar 2023, per waardepeildatum 1 januari 2022, vastgesteld op € 251.000.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de WOZ-beschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] . Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam2] en taxateur [naam3] . De zaken met de nummers 25/229 en 25/231 tot en met 25/234 zijn ter zitting gezamenlijk behandeld.

2.Overwegingen

2.1.
In hoger beroep heeft belanghebbende betoogd dat (i) de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, (ii) in de bezwaarfase het inzagerecht van artikel 7:4 lid 2 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geschonden, (iii) de heffingsambtenaar de verplichting van artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ heeft geschonden, en (iv) de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvattingen toegedaan.
WOZ-waarde
2.2.
Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning van € 251.000 gemotiveerd betwist. Daarom rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. [1]
2.3.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van € 251.000 wijst de heffingsambtenaar op een taxatiematrix waarin de waarde is getaxeerd op € 251.000. In deze matrix is zowel het kwaliteits- als voorzieningenniveau gewaardeerd op gemiddeld.
2.4.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de heffingsambtenaar bij de waardevaststelling onvoldoende rekening heeft gehouden met het matige kwaliteits- en voorzieningenniveau van de woning. Nu belanghebbende een beroep doet op feiten en omstandigheden die tot een lagere waardering van de woning leiden, is het aan hem om te bewijzen dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. [2]
2.5.
Met de door belanghebbende bij de Rechtbank ingebrachte foto’s is belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd dat in relatie tot de vergelijkingsobjecten het kwaliteits- en voorzieningenniveau van de onderhavige woning minder is. Daarom kan het betoog van belanghebbende niet slagen.
2.6.
Het vorenstaande brengt mee dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
Formele grieven
2.7.
Wat betreft de formele grieven (ii) tot en met (iv) zijn partijen ter zitting bij wijze van compromis het volgende overeengekomen:
a. de heffingsambtenaar vergoedt de proceskosten voor de beroeps- en hogerberoepsfase tot een bedrag van in totaal € 250;
b. de heffingsambtenaar vergoedt de betaalde griffierechten tot een bedrag van in totaal € 143;
c. belanghebbendes gemachtigde trekt in de zaken 25/295, 25/555, 25/1178, 25/1180 – welke zaken op 13 november 2025 ter zitting van het Hof worden behandeld – de formele grieven (ii) tot en met (iv) in zodat deze grieven in die zaken geen behandeling meer behoeven.
2.8.
Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.
2.9.
Opmerking verdient dat voornoemde bedragen op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a, lid 4 Wet WOZ uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dienen te worden uitbetaald.

3.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 250, en
  • gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende de betaalde griffierechten vergoedt tot een bedrag van € 143.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 28 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
(P.W.L. van den Bersselaar) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 14 oktober 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee), r.o. 3.2.
2.Vgl. HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, r.o. 3.2.4, HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, r.o. 2.4, en HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.3.