Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 1963 met een gebruiksoppervlakte van 186 m2 en een kavel van 327 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vast op €477.000 en legde een aanslag onroerendezaakbelasting op. Belanghebbende betwistte deze waarde en ging in beroep bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden handhaafde de heffingsambtenaar de waarde en overhandigde een taxatierapport met vergelijkingsobjecten. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar met het taxatierapport en toelichting aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was. Hierbij werd onder meer gewezen op een vergelijkbaar object met een hogere koopsom, waarbij verschillen in oppervlakte en kwaliteit adequaat waren verwerkt.
Het Hof vond ook dat de geplande nieuwbouw van een school aan de overzijde van de straat geen waardedrukkende invloed had, mede door de afstand, een groene buffer en verplaatsing van de in- en uitrit van de school. Belanghebbende kon geen feiten aandragen die een lagere waarde aannemelijk maakten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.