In deze civiele zaak stond een geschil centraal over de geldigheid van besluiten genomen tijdens de vergadering van de Vereniging van Eigenaars (VvE) van een woongebouw. De appellant, eigenaar van een appartementsrecht, verzocht de nietigverklaring van meerdere besluiten over de vaststelling van balansen en exploitatierekeningen van 2021 en 2022, en het besluit over het exploitatieoverschot.
De kantonrechter had reeds twee besluiten nietig verklaard, maar de overige verzoeken afgewezen. In hoger beroep wilde appellant dat het hof nog vijf andere besluiten nietig verklaarde. Het hof oordeelde dat de besluiten 7 en 8 als instructies aan het bestuur moesten worden gezien en niet nietig waren. De besluiten over 2022 konden niet worden aangetast vanwege nietigheid van de besluiten over 2021, omdat de kascommissie over 2022 wel verslag had uitgebracht.
De appellant had onvoldoende concreet bewijs of onderbouwing geleverd dat de besluiten een onjuist of ongetrouw beeld van de financiële situatie gaven. Ook het bezwaar dat onvoldoende rekening was gehouden met de ondersplitsingsakte werd door het hof verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing.
Het hof wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.