ECLI:NL:GHARL:2025:7356

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
24/75
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 9 Wet BPMArt. 8 lid 4 Uitvoeringsregeling BPMHR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardebepaling en afschrijving

Belanghebbende B.V. heeft een Mercedes-Benz GLS 500 4 MATIC gekocht en daarvoor BPM betaald op basis van een taxatierapport. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag BPM op na een onderzoek door DRZ, welke na bezwaar werd verminderd. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verder verminderd vanwege een rekenfout, maar heeft geen extra waardevermindering wegens schadeverleden erkend.

Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de handelsinkoopwaarde verder verminderd moest worden wegens meer dan normale gebruiksschade en schadeverleden, en dat de proceskostenvergoeding onjuist was vastgesteld. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor extra schadevermindering en dat nieuwe gegevens die niet bij de aangifte waren gebruikt, niet in bezwaar of beroep kunnen worden ingebracht.

Verder oordeelde het Hof dat de kostenvergoeding in bezwaar onherroepelijk is vastgesteld en niet meer in hoger beroep kan worden aangevochten. Ook werd geen aanvullende proceskostenvergoeding toegekend voor het verzoek om immateriële schade. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM blijft ongewijzigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/75
uitspraakdatum: 18 november 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.(hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 8 december 2023, nummer ARN 22/1644, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 10.967.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 10.765 en een proceskostenvergoeding toegekend van € 530.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 10.477 en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 500, € 1.674 en € 184.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 10 juni 2020 een Mercedes-Benz GLS 500 4 MATIC met een CO2-uitstoot van 264 gr/km (hierna: de auto) gekocht voor € 37.500 (excl. btw).
2.2.
Belanghebbende heeft voor de auto op aangifte een bedrag van € 5.042 aan BPM voldaan. Bij de aangifte van 26 juni 2020 is een taxatierapport met dagtekening 18 juni 2020 gevoegd waarin de schade is gecalculeerd op € 48.041. Deze schade is voor 72% in mindering gebracht op de op basis van een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde.
2.3.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport met dagtekening 15 juli 2020 opgemaakt. In dit rapport is de schade gecalculeerd op € 25.256, waarvan 86% in mindering is gebracht. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd die na bezwaar is verminderd tot een bedrag van € 10.765.
2.4.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 18 december 2020 plaatsgevonden.
2.5.
De Rechtbank heeft vanwege een rekenfout de naheffingsaanslag verminderd tot € 10.477. De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien met meer schade rekening te houden dan de Inspecteur heeft gedaan. Ook vanwege het schadeverleden heeft de Rechtbank geen waardevermindering in aanmerking genomen, omdat belanghebbendes taxatierapport daarvan geen melding heeft gemaakt. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag als volgt berekend:
Catalogusprijs
€ 133.565
BPM
59.065
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
192.63
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Eurotax)
82.088
Schade (86% van € 25.256)
-/- 21.720
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
60.358
Afschrijving
68,66%
Historische BPM (CO2-uitstoot 264 gr/km)
56.149
Afschrijving (68,66%)
-/- 38.553
= Verschuldigde BPM
17.596
Extra leeftijdskorting (4,587% * € 45.308)
-/- 2.077
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 5.042
Naheffingsaanslag
€ 10.477

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
i) dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met € 34.590 (72% van € 48.041) wegens meer dan normale gebruiksschade;
ii) dat de handelsinkoopwaarde met € 5.000 moet worden verminderd wegens het schadeverleden van de auto;
iii) dat de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar een te lage waarde per punt heeft toegekend; en
iv) dat de Rechtbank ten onrechte geen afzonderlijke proceskostenvergoeding voor het verzoek om schadevergoeding heeft toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.1.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het taxatierapport meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Aangezien belanghebbende in hoger beroep zijn standpunt onvoldoende nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering wegens schadeverleden
4.2.
Artikel 10 lid 9 Wet Pro BPM bepaalt dat bij de aangifte een opgaaf wordt gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving. Bij gebruikmaking van de taxatiemethode zijn dit de gegevens zoals vastgelegd in een taxatierapport dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8 lid 4 Uitvoeringsregeling Pro BPM en bijlage I bij de Uitvoeringsregeling. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. Dit brengt mee dat in de bezwaar- en/of beroepsfase niet alsnog een hogere afschrijving kan worden geclaimd aan de hand van gegevens die bij de oorspronkelijke aangifte niet zijn gebruikt. [1]
4.3.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan op basis van een taxatierapport van 18 juni 2020. De taxateur heeft in dit rapport geen waardevermindering in aanmerking genomen wegens het schadeverleden van de auto. Dit betekent dat in onderhavige procedure niet alsnog een waardevermindering kan worden geclaimd wegens het schadeverleden.
Proceskostenvergoeding bezwaarfase
4.4.
Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof gesteld dat, gelet op HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte een puntwaarde van € 265 heeft gehanteerd.
4.5.
Belanghebbende heeft de door de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding in beroep bij de Rechtbank niet bestreden. Haar grieven zagen louter op de naheffingsaanslag. Dit betekent dat de beslissing van de Inspecteur inzake de kostenvergoeding in bezwaar met zijn uitspraak op bezwaar onherroepelijk is komen vast te staan. Alsdan kan die beslissing niet voor het eerst in hoger beroep tot voorwerp van het geschil worden gemaakt. [2]
Proceskostenvergoeding verzoek schadevergoeding
4.6.
Indien een beroep gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, wordt geen aanvullend punt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.
4.7.
Het arrest HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860 biedt steun voor deze opvatting. In dat arrest heeft de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond verklaard en is ook een vergoeding voor immateriële schade toegekend. Vervolgens is de staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie tot een bedrag van € 3.628, te weten vier punten (cassatieberoepschrift en repliek) x € 907 x gewichtsfactor 1. Daarbij is de Staat niet veroordeeld in de proceskosten voor het ingediende schadeverzoek.
Slotsom
4.8.
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.3 en 3.2.4.
2.HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:419; HR 25 april 2025 ECLI:NL:HR:2025:673.