ECLI:NL:GHARL:2025:7779

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
22/1094 t/m 22/1096 en 22/1098
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting en fiscale eenheid

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 mei 2022, waarin de rechtbank de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) voor de jaren 2009, 2011, 2012 en 2013 heeft gehandhaafd. De Inspecteur had deze aanslagen opgelegd op basis van de stelling dat belanghebbende niet de economische eigendom bezat van ten minste 95% van de aandelen in de dochtermaatschappij [E] BV, waardoor geen fiscale eenheid kon worden gevormd. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende voor het jaar 2013 gegrond, maar de overige beroepen ongegrond. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur niet alle relevante stukken heeft ingebracht en dat er geen nieuw feit was voor de navorderingsaanslagen. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, omdat hij pas na het derdenonderzoek bij [D] bekend werd met de participatieovereenkomst waarin een prijsafspraak was gemaakt. Het Hof heeft ook geoordeeld dat belanghebbende niet de economische eigendom bezat van de aandelen in [E] en dat de Inspecteur niet gebonden was aan de eerdere beschikking fiscale eenheid. Het hoger beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond verklaard, met vernietiging van de navorderingsaanslag Vpb 2009 en de aanslag Vpb 2014, maar de overige aanslagen zijn gehandhaafd. Tevens is de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 22/1094, 22/1095, 22/1096 en 22/1098
uitspraakdatum: 2 december 2025
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 mei 2022, nummers LEE 19/4597 tot en met 19/4601, ECLI:NL:RBNNE:2022:1426, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Zwolle(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2009, 2011, 2012 en 2013 navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar belastbare bedragen van respectievelijk € 9.040.609, € 7.750.944, € 7.142.445 en € 6.119.602. Verder zijn bedragen aan heffings- dan wel belastingrente berekend van respectievelijk € 230.986, € 652.672, € 545.186 en € 230.857.
1.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 9.067.444. Verder is een bedrag aan belastingrente berekend van € 58.305.
1.3.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 november 2019 de belastingaanslagen en de beschikkingen heffings- en belastingrente gehandhaafd.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen. De Rechtbank heeft uitsluitend het beroep inzake het jaar 2013 gegrond verklaard, de overige beroepen ongegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar inzake het jaar 2013 vernietigd, de navorderingsaanslag Vpb 2013 alsmede de daarmee samenhangende beschikking belastingrente vernietigd, en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierechten toegekend van respectievelijk € 2.500, € 4.871 en € 1.725.
1.5.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op 9 juni 2022 (pro forma) hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft op 10 juni 2022 tegen deze uitspraak (pro forma) hoger beroep ingesteld. Bij brief van 9 augustus 2022 heeft de Inspecteur zijn hoger beroep ingetrokken. Belanghebbende heeft het hoger beroep op 1 november 2022 gemotiveerd.
1.6.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij is een beroep op geheimhouding gedaan in de zin van artikel 8:29 Awb voor een deel van de overgelegde stukken.
1.7.
De Inspecteur heeft ambtshalve de navorderingsaanslag Vpb 2009 en de daarmee samenhangende rentebeschikking vernietigd. Verder heeft de Inspecteur ambtshalve de aanslag Vpb 2014 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van € 8.693.805. De daarmee samenhangende belastingrentebeschikking is verminderd tot € 31.141.
1.8.
De Inspecteur heeft op 25 april 2023 een nader stuk ingediend.
1.9.
Belanghebbende heeft op 3 juli 2023 een nader stuk ingediend, waarin is gereageerd op het verzoek tot geheimhouding.
1.10.
Ter zitting van de geheimhoudingskamer van het Hof op 19 juli 2023 hebben beide partijen een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.11.
Naar aanleiding van voornoemde zitting heeft de Inspecteur op 15 augustus 2023 een hernieuwde versie van bijlage set C, bestaande uit negen ordners, ingebracht.
1.12.
De geheimhoudingskamer van het Hof heeft bij tussenuitspraak van 29 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:7365) beslist dat de Inspecteur het beroep op geheimhouding (negen ordners) opnieuw beoordeelt, dat hij het Hof uiterlijk op 15 september 2023 over de uitkomst hiervan bericht, en dat de hoofdkamer zich gaat buigen over de vraag of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd alvorens de geheimhoudingskamer het beroep op geheimhouding opnieuw zal behandelen.
1.13.
Belanghebbende heeft bij brief van 16 november 2023 aan het Hof verzocht de tussenuitspraak te heroverwegen dan wel aan te vullen door alsnog belanghebbendes verzoeken ten aanzien van artikel 8:42 Awb in behandeling te nemen.
1.14.
De griffier van het Hof heeft op 20 november 2023 aan belanghebbende bericht dat de geheimhoudingskamer de tussenuitspraak niet zal heroverwegen en dat de hoofdkamer de zaken op 26 maart 2024 zal gaan behandelen.
1.15.
Belanghebbende heeft op 15 maart 2024 een nader stuk ingediend.
1.16.
Ter zitting van de hoofdkamer van het Hof op 26 maart 2024 hebben beide partijen een pleitnota voorgedagen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.17.
De hoofdkamer van het Hof heeft bij tussenuitspraak van 30 april 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:3016) beslist dat de Inspecteur niet verplicht is om de stukken over te leggen zoals verzocht door belanghebbende, en dat de geheimhoudingskamer zich moet buigen over het beroep op geheimhouding door de Inspecteur ter zake van bijlage set C (negen ordners).
1.18.
Ter zitting van de geheimhoudingskamer van het Hof op 17 december 2024 heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.19.
De geheimhoudingskamer van het Hof heeft bij tussenuitspraak van 21 januari 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:329) vastgesteld dat de Inspecteur zijn eerder gedane beroep op geheimhouding heeft gewijzigd in een verzoek tot beperkte kennisneming van de stukken in bijlage set C (negen ordners), en heeft vervolgens overwogen dat de beperking van de kennisneming van deze stukken uitsluitend gerechtvaardigd is voor zover deze ziet op de bescherming van de privacy van derden, hetgeen betrekking heeft op namen en passages in de stukken zoals genoemd in r.o. 4.12 van deze tussenuitspraak.
1.20.
Belanghebbende heeft bij brief van 30 januari 2025 aan het Hof meegedeeld dat zij akkoord gaat met beperkte kennisneming van de delen - voornamelijk namen van derden - waarvoor het verzoek van de Inspecteur is toegewezen.
1.21.
De Inspecteur heeft bij brief van 3 februari 2025 meegedeeld dat hij zich conformeert aan de beslissing van de geheimhoudingskamer en heeft alsnog de stukken in bijlage set C ingebracht met inachtneming van die beslissing.
1.22.
Belanghebbende heeft op 17 oktober 2025 een nader stuk met 77 bijlagen ingediend.
1.23.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025 te Leeuwarden. Namens belanghebbende zijn verschenen de advocaten mr. D.G. Barmentlo en mr. drs. A.G. Haasnoot, bijgestaan door belanghebbendes belastingadviseur mr. [naam1] en door de voormalige financieel directeur van belanghebbende [naam2] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. drs. [naam3] , mr. [naam4] , mr. [naam5] , mr. [naam6] , mr. [naam7] , mr. [naam8] en mr. [naam9] . De Inspecteur heeft ter zitting twee pleitnota’s voorgedragen en ingebracht, alsmede nadere stukken ingebracht. Belanghebbende heeft eveneens een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is op 31 mei 2010 opgericht en op 6 november 2010 gefuseerd met [B] BV, waarbij laatstgenoemde vennootschap als verdwijnende rechtspersoon opgehouden is te bestaan.
2.2.
Belanghebbende is per 1 juli 2010 de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. [C] BV is één van de gevoegde dochtermaatschappijen. Laatstgenoemde vennootschap exploiteert een bouwbedrijf.
2.3.
Belanghebbende heeft op 24 augustus 2011 een rulingverzoek ingediend, welk verzoek ziet op de fiscale aspecten inzake de willekeurige afschrijving bij de investering in een scheepvaartproject. In dit verzoek is het volgende geschreven:
“Betreft: Rulingverzoek [H]
Namens [D] BV ( [D] ) en [belanghebbende] vraag ik uw aandacht voor het volgende.
[Belanghebbende] staat aan het hoofd van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting waarin onder meer is opgenomen [C] BV. [C] BV is voornemens deel te nemen in een scheepvaartproject waarvan [D] de initiator is. In dit verband zal [C] BV een nieuwe dochtervennootschap oprichten die zal participeren in een CV. Waar hierna wordt gesproken over ‘ [A] ’ wordt tenzij anders aangegeven gedoeld op zowel [belanghebbende] alsook op [C] BV.
Het investeringsproject betreft het m.s. [H] , een zusterschip van (onder andere) de recent in gebruik genomen schepen m.s. [I] en ms. [J] , allen “ [K] ” multi purpose schepen. [A] wenst in dit kader gebruik te maken van de willekeurige afschrijvingsregeling als bedoeld in artikel 3.34 Wet IB, in samenhang met artikel 13 Uitvoeringsbesluit willekeurige afschrijving 2001. Naast [A] zullen twee natuurlijke personen met een relatief klein bedrag participeren in het project. In totaal betreft dit minder dan 1.5% van het totale te plaatsen kapitaal.
Randvoorwaarden Ruling ‘Willekeurige Afschrijving’
In uw brief van 8 juni 2010 geeft u aan dat ten behoeve van een vennootschapsbelastingplichtige investeerder, in deze [A] (de “Investeerder”) een ruling kan worden afgegeven indien - kort weergegeven - aan de volgende randvoorwaarden is voldaan:
a. a) De scheepvaartinvestering kwalificeert voor de regeling ‘willekeurige afschrijving’;
b) De Investeerder neemt voor ten minste 36 maanden deel in het scheepvaartproject;
c) De Investeerder en de initiator mogen geen prijsafspraken maken ten aanzien van de verkoop van de participatie van de Investeerder in het scheepvaart project; en
d) Het vennootschapsbelastingvoordeel mag niet groter zijn dan het totaal van het geïnvesteerde eigen vermogen. Dat wil zeggen dat zowel het kapitaal van de door de investeerder in dit kader nieuw op te richten B.V. alsook het CV kapitaal even groot als of groter dienen te zijn dan 25% van het bedrag van de willekeurige afschrijving, vermeerderd met de aftrekbare kosten.
Feiten en Assumpties
 [D] is voornemens om een CV (de “CV”) op te richten waarin een [D] groepsmaatschappij ( [H] Beheer BV) zal deelnemen als beherend vennoot (belang circa: 0,13%) en waarin een nieuw op te richten dochtermaatschappij Zeeschip [E] BV [ [E] ] van de Investeerder zal deelnemen (belang circa: 98,4%). De investeerders-natuurlijke personen die deelnemen in het kapitaal zullen beherend vennoot van de CV zijn en gezamenlijk een deelname van ongeveer 1,47% hebben in het kapitaal.
(…)
  • De Investeerder en [D] zullen in een overeenkomst opnemen dat Investeerder haar aandelen in [ [E] ] in beginsel niet binnen 3 jaar zal vervreemden. Indien en voor zover de Investeerder haar aandelen in [ [E] ] (na afloop van de hiervoor genoemde periode) zou wensen te vervreemden, dient deze die aandelen eerst aan [D] aan te bieden (conform gebruikelijke bepalingen en/of aanbiedingsregeling). Het staat [D] vrij de aandelen niet af te nemen van Investeerder en het aanbod tot overname dat de Investeerder [D] aldus heeft gedaan af te slaan.
  • Afgesproken is dat een dergelijke aandelenoverdracht zal plaatsvinden tegen de waarde in het economische verkeer, waarbij uiteraard rekening wordt gehouden met de waarde in het economische verkeer van het schip, de andere bezittingen van de CV/de vennootschap, de schulden van de vennootschap en de schulden van de CV waaronder latente belastingverplichtingen.
(…)
 De CV zal op de volgende wijze worden gefinancierd:
o Scheepshypotheek ad EUR 13.500.000
o lening verstrekt door [D] ad EUR 4.865.000
o eigen vermogen verstrekt door de Investeerder(s) ad EUR 5.085.000
 Het eigen vermogen van de CV bedraagt EUR 5.085.000, Hiervan wordt 5.010.000 gestort door [ [E] ] en 75.000 euro door de natuurlijke personen die participeren. De storting door [ [E] ] bedraagt meer dan het fiscale voordeel van de willekeurige afschrijving vermeerderd met het fiscale voordeel van de kostenaftrek (98,5% x 85% x 25% x EUR 23.000.000) + 25% x 450.000 = EUR 4.925.000). Hiermee wordt aan de gestelde eis voldaan.
(…)
 [ [ [E] ] zal haar deelname in de CV op de volgende wijze financieren:
o eigen vermogen verstrekt door [C] BV c.s. ad EUR 5.010.000
(…)
Fiscale aspecten
Wij verzoeken u vriendelijk om aan te geven of u zich kunt vinden in de hieronder beschreven fiscale gevolgen van de deelname door de Investeerder (middels de BV en CV) in het Schip:
Fiscale eenheid/fiscale toerekening
  • De Investeerder houdt de juridische en economische eigendom van de aandelen in [ [E] ] en, op basis van de hierboven geschetste feiten en assumpties, kan [ [E] ] worden opgenomen als (dochter)maatschappij in een fiscale eenheid met de Investeerder als bedoeld in artikel 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ("Wet Vpb") aangezien wordt voldaan aan de in artikel 15 Wet Vpb opgenomen voorwaarden. Als gevolg van de fiscale eenheid en de toerekeningregels in artikel 5, lid 4, besluit fiscale eenheid zijn de fiscale resultaten van [ [E] ] rechtstreeks toerekenbaar aan de oprichter (fiscale eenheid [C] c.s.), naar rato van kapitaalinbreng bij oprichting (99,9%).
  • De CV kwalificeert als een, fiscaal transparante entiteit. De activiteiten en activa en passiva van de CV dienen derhalve voor fiscale doeleinden pro rata naar hun kapitaaldeelname aan [ [E] ] (en dus aan de Investeerder fiscale eenheid), de investeerders-natuurlijke personen en [D] te worden toegerekend (artikel 8, lid 3 Wet Vpb).
(…)
Willekeurige afschrijving
 De investering in het Schip door de Investeerders (en [D] ) kwalificeert als een investering in een nieuw bedrijfsmiddel dat tijdig binnen de eigen onderneming in gebruik zal worden genomen. Het Schip zal in de onderneming van de CV op 'time-charter' basis geëxploiteerd worden. (…) De activiteiten van de CV kwalificeren voor fiscale doeleinden als onderneming. Aangenomen dat ten minste 42,5% van de bouwsom voor 31 december 2011 aan de Werf is betaald en ook 42,5% het restant in 2012 wordt voldaan (beide conform het hierboven weergegeven feitenpatroon), is daarmee aan alle overige voorwaarden van de regeling 'willekeurige afschrijving' voldaan. Zowel de Investeerder als [ [E] ] kunnen derhalve hun pro rata aandeel van de aftrek ter zake van de regeling willekeurige afschrijving in aanmerking nemen in de tijdvakken 2010 en 2011. (…)
Randvoorwaarden rulingbeleid b), c) en d)
  • De Investeerder is voornemens om voor ten minste 36 maanden in het Schip deel te nemen via het eigen vermogen van de CV. Op basis van het hiervoor geschetste feitenpatroon is derhalve aan de in paragraaf 2 b) geformuleerde randvoorwaarde voldaan.
  • Op basis van het hierboven geschetste feitenpatroon hebben de Investeerder en [D] geen prijsafspraken gemaakt ter zake van de verkoop van het Schip of de commanditaire deelname van [ [E] ] in de CV. Aan de in paragraaf 2 c) geformuleerde randvoorwaarde is derhalve voldaan.
  • De Investeerder verschaft, via de fiscaal gevoegde BV, eigen vermogen aan [ [E] ] van EUR 5.085.000. Het door de Investeerder in de CV geïnvesteerde eigen vermogen is daarmee groter dan het door de investeerder te behalen fiscale voordeel van de willekeurige afschrijving. Aan de in paragraaf 2 d) geformuleerde randvoorwaarde is derhalve eveneens voldaan.
  • Na een periode van 3 jaar heeft de investeerder de mogelijkheid om middels overdracht van de commanditaire deelname door [ [E] ] aan [D] danwel de verkoop van aandelen in [ [E] ] de CV structuur te verlaten. Voor deze overdracht zijn geen prijsafspraken gemaakt anders dat dit tegen de waarde in het economische verkeer zal plaatsvinden.”
Bij het rulingverzoek zijn geen bijlagen gevoegd.
2.4.
In een e-mailbericht van 7 september 2011 (bijlage 47 bij nader stuk) heeft belastingadviseur [naam1] het volgende aan financieel directeur [naam2] geschreven:
“Bijgaan tref je de sheet aan inzake de berekening, zoals (…) die onderdeel wordt van de Term Sheet en tevens onderdeel wordt van de overige contracten. (…) Zoals je kunt zien in de sheet wordt als het ware toegewerkt naar de waardering tussen EUR 2 – EUR 2,2 Mio. (…)”
2.5.
Bij brief van 13 september 2011 heeft de Inspecteur als volgt op het hiervoor vermelde rulingverzoek beslist:
“Naar aanleiding van uw rulingverzoek van 24 augustus 2011 met bovenvermeld kenmerk deel ik u het volgende mee.
Ik onderschrijf de door u in de brief geschetste fiscale aspecten, uiteraard uitgaande van de eveneens in de brief weergegeven feiten en aannames.
Ik heb de voor [belanghebbende] cs competente inspecteur op de hoogte gesteld van mijn goedkeuring.
Ik hoop u zo voldoende geïnformeerd te hebben.”
2.6.
[C] BV en [D] hebben op 29 september 2011 Zeeschip [E] BV ( [E] ) opgericht. Het totaal bij oprichting gestorte kapitaal in [E] bedraagt € 18.000, verdeeld in 18.000 aandelen van één euro. [D] heeft bij oprichting één aandeel verkregen en [C] BV de overige 17.999 aandelen.
2.7.
Op 30 september 2011 is door [C] BV, [D] , [E] , [G] BV en [H] een participatieovereenkomst gesloten. Tot de participatieovereenkomst behoren tien bijlagen die deel uitmaken van de overeenkomst. Deze bijlagen betreffen onder meer: een CV-overeenkomst, een scheepsbouwcontract, een achtergestelde leningsovereenkomst, een belastingverdelingsovereenkomst, een termsheet en een rekenmodel. In de participatieovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“OVERWEGINGEN:
A [A] en [F] BV hebben op 12 juli 2011 een termsheet getekend betreffende de investering via een dochtermaatschappij van [A] in het te bouwen zeeschip [H] (bijgevoegd als Bijlage 9);
B Bij deze termsheet hoort een rekenmodel (bijgevoegd als Bijlage 10), welke deel uitmaakt van de gemaakte afspraken;
C [A] en [D] willen ter uitvoering van deze termsheet met [E] , [G] BV en [H] een participatieovereenkomst aangaan om de details van de samenwerking nader in te vullen.
(…)
4. AANVULLENDE STORTINGEN AAN DE CV
4.1.
Op 1 december 2014 zal [E] een aanvullende kapitaalstorting doen van (5.010.000/5.095.000) * 120% * € 5.010.000. De aanvullende kapitaalstorting mag uitsluitend worden aangewend voor de aflossing van de Achtergestelde lening inclusief rente. De verplichting om de aanvullende kapitaalstorting te doen geldt uitsluitend indien [A] nog steeds minimaal 9.001 aandelen in [E] heeft.
4.2.
Indien [D] op 1 december 2014 de Aanbiedingsprijs, zoals vermeld in artikel 9.5 van deze Overeenkomst niet op de Notarisrekening heeft gestort, zal [G] een Commanditaire vennoot van de CV worden door een bedrag bij te dragen dat gelijk is aan de hoofdsom en de opgelopen rente op de Achtergestelde leningsovereenkomst, en in overeenstemming met de voorwaarden van de CV-overeenkomst. Verder zal [G] een aanvullende kapitaalstorting in de CV doen tot een zodanig bedrag dat de waarde van de participatie van [E] in de CV ten minste gelijk is aan het bedrag dat [E] heeft gestort plus 10% daarvan.
(…)
9. AANBIEDINGSRECHT
9.1.
Behoudens de voorwaarden van deze Overeenkomst, kan [A] de Aangeboden aandelen ter verkoop aan [D] aanbieden tegen de Prijs van het Aanbiedingsrecht (zoals hieronder gedefinieerd) en [D] aanvaardt dit hierbij (het Aanbiedingsrecht).
9.2.
[A] mag het Aanbiedingsrecht niet voor 1 september 2014 en niet na 30 november 2014 uitoefenen.
9.3.
[A] mag het Aanbiedingsrecht te allen tijde uitoefenen door een kennisgeving daartoe aan [D] te betekenen (de Kennisgeving van het Aanbiedingsrecht).
9.4.
Betekening van de Kennisgeving van het Aanbiedingsrecht aan [A] in overeenstemming met artikel 9.2 vormt de bindende en onherroepelijke verplichting van [A] om de volledige en economische eigendom van de Aangeboden aandelen te verkopen en de levering daarvan aan [D] te bewerkstellingen en [D] zal op dezelfde wijze de Aanbiedingsaandelen verkrijgen. Tegelijkertijd zal [D] de Prijs van het Aanbiedingsrecht (zoals hieronder gedefinieerd) aan [A] betalen in overeenstemming met de voorwaarden van deze Overeenkomst, onder voorbehoud van het recht van [A] om afstand te doen van de Prijs van het Aanbiedingsrecht.
9.5.
De door [D] aan [A] te betalen vergoeding bij uitoefening van het Aanbiedingsrecht voor de overdracht van de Aanbiedingsaandelen zal een bedrag zijn gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de Aanbiedingsaandelen op de datum van ontvangst van de Kennisgeving van het Aanbiedingsrecht door [D] , met een minimum van één Euro (EUR 1,00) (de Prijs van het aanbiedingsrecht). De berekening van de waarde in het economisch verkeer van de Aanbiedingsaandelen vindt plaats overeenkomst de uitgangspunten en methode van Bijlage 10 [Hof: het rekenmodel; zie 2.10].
9.6.
Tegen betaling van de Prijs voor het Aanbiedingsrecht op de Notarisrekening, worden de Aangeboden Aandelen onmiddellijk door [A] overgedragen aan [D] , vrij van alle lasten. Levering geschiedt middels een akte, te verlijden door de Notaris, in hoofdzaak in de vorm zoals weergegeven in Bijlage 5 hiervan.”
2.8.
[E] is als commanditaire vennoot toegetreden tot een commanditaire vennootschap met de naam Scheepvaartonderneming [H] C.V. (hierna: de CV). De beherend vennoten zijn [H] Beheer BV, [beherende vennoot naam1] en [beherende vennoot naam2] . In de CV-overeenkomst is voor zover relevant het volgende bepaald:
“OVERWEGINGEN:
A. [A] en [ [D] ] hebben op 12 juli 2011 een termsheet getekend betreffende de investering via een dochtermaatschappij van [A] in het te bouwen zeeschip [H] ;
B. Bij deze termsheet hoort een rekenmodel welke deel uitmaakt van de gemaakte afspraken;
C ter uitvoering van deze termsheet een vennootschapsovereenkomst willen aangaan om een besloten commanditaire vennootschap op te richten;
D Partijen wensen bepaald kapitaal samen te brengen om het te investeren in m.s. [H] , een (…) zeevrachtschip (…);
E een gezamenlijke exploitatie zal plaatsvinden in de juridische vorm van een Nederlandse besloten commanditaire vennootschap, opgericht en bestuurd op grond van deze Overeenkomst (“ Vennootschap ”); en
F Partijen wensen dat het schip na levering door de vennootschap wordt geëxploiteerd.”
2.9.
In de termsheet (bijlage 9 bij de participatieovereenkomst) is onder meer het volgende vermeld:
“Oprichting CV
[ [E] ] [ [E] ] zal worden opgericht door [C] BV en [C] BV zal 17.999/18.000 gedeelte van het aandelenkapitaal van [ [E] ] verschaffen.
[H] Beheer zal voor 1/18.000 gedeelte deelnemen in het kapitaal van [ [E] ] zodat [C] BV bij verkoop van het door haar gehouden kapitaalbelang, ingevolge de reguliere aanbiedingsverplichtingen volgens de wet, eerst de aandelen ter overname aan [D] BV zal moeten aanbieden.
In statuten van [ [E] ] komt een change of control-bepaling: bij wijziging van zeggenschap van cumulatief 50% of meer ontstaat een aanbiedingsverplichting aan de andere aandeelhouder.
Deze bepaling heeft als oogmerk te voorkomen dat [C] BV haar participatie in [ [E] ] aan een derde vervreemdt met tussenkomst van een andere vennootschap van het [A] concern. Indien de zeggenschap op het niveau van [belanghebbende] wijzigt, heeft dat geen belang voor deze overeenkomst, behoudens indien uit de wet anders voortvloeit.
CV kapitaal De te berekenen teruggaaf vennootschapsbelasting als gevolg van de aan [ [E] ] toerekenbare fiscale aftrekpost inzake de participatie in de structuur, bestaande uit willekeurige afschrijving op het schip en projectkosten en vooraleerst vastgesteld op € 5.085.000 voor een 100% belang in de CV gebaseerd op de volgende bedragen:
 Fiscaal afschrijvingspotentieel € 19.550.000
 Projectkosten
€ 450.000
 Totaal € 20.000.000
Het CV kapitaal zal in de kalenderjaren 2011 en 2012 worden gestort in de CV middels storting door [C] BV in [ [E] ] en doorstorting in de CV. [C] BV verplicht zich tot storting van de hieronder genoemde bedragen. De stortingen worden vervolgens via een derdengeldenrekening van de notaris aan de CV beschikbaar gesteld en wel als volgt:
Storting € 1.271.250 op datum aangaan CV overeenkomst (closing)
Storting € 1.271.250 op 1 december 2011
Storting € 1.271.250 op 15 maart 2012
Storting € 1.271.250 op 15 september 2012
De Notaris zal deze bedragen overmaken op de bankrekening van de CV die daarmee zal betalen op het bouwcontract van het schip en eventuele overige verplichtingen van de CV zal voldoen.
Financiering CV De CV zal op de volgende basis worden gefinancierd:
Kapitaal/Eigen vermogen: ca € 5.085.000
Banklening gedekt met scheepshypotheek
(hierna "Banklening"): ca € 13.500.000
Achtergestelde leningen verstrekt door
[G] B.V. (hierna: de achtergestelde lening): ca € 4.865.000
Totaal € 23.450.000
Exit Mechanisme
[G] BV mag vanaf 36 maanden na closing schriftelijk een bod doen op de aandelen in het kapitaal van [ [E] ] (hierna “het Overnamebod”). De koopprijs zal worden gebaseerd op de waarde in het economische verkeer.
De geprognosticeerde waarde van [ [E] ] bedraagt 36 maanden na closing naar verwachting circa € 2.000.000 verminderd met de tot dat moment door de CV gepleegde jaarlijkse uitkeringen van € 350.000 per jaar als hiervoor bedoeld onder 1, waarbij (pro rata) rekening is gehouden met de waarde in het economische verkeer van het schip, de waarde van eventuele overige bezittingen van de CV en de schulden van de CV, alsmede de latente belastingclaim die het vermogen van [ [E] ] beïnvloedt. Onderdeel van deze termsheet is bijgevoegd rekenmodel (Excel) waarop de geprognosticeerde exitprijs is gebaseerd.
Aanmoediging en penalty [A]
Indien [C] BV 38 maanden na closing nog middellijk of onmiddellijk aandelen houdt in het kapitaal van [ [E] ], terwijl [G] BV een overnamebod heeft gedaan op basis van de hiervoor weergegeven condities, is [C] met tussenkomst van [ [E] ] verplicht om een kapitaalstorting te doen in de CV ter grootte van haar pro rata aandeel in de CV, vermenigvuldigd met het bedrag van de door [G] BV verstrekte achtergestelde geldlening, inclusief de daarop bijgeschreven rente, vermenigvuldigd met 120%, waarbij de CV alsdan verplicht is om de door [G] BV verstrekte achtergestelde geldlening, inclusief de daarop bijgeschreven rente, af te lossen, met een toeslag van 20%.
Aanmoedigingen en Penalty [D]
Indien [G] BV c.s. niet uiterlijk 38 maanden na closing het Overnamebod heeft gedaan, zal [G] BV de aan de CV verstrekte achtergestelde geldlening tot het bedrag van de hoofdsom omzetten in CV kapitaal, alsmede de rentevordering op de CV kwijtschelden. Tegelijkertijd zal [G] BV aan [ [E] ] de belastinglast die daarvan aan diens zijde het gevolg is, vergoeden, met een toeslag van 20% waarbij bovendien de op de lening bijgeschreven rente komt te vervallen.”
2.10.
Het rekenmodel (bijlage 10 bij de participatieovereenkomst) luidt als volgt:
“ACTIVA
31-dec 2014
m.s. [H]
22.307.124
Werkkapitaal
343.194
343.194
Totale activa
22.650.318
343.194
PASSIVA
Aandelenkapitaal
5.107.650
Overige reserves
-3.049.940
Waarde vennootschap
2.057.710
Belastinglatentie
3.054.688
Langlopende leningen
12.250.000
12.250.000
Overige schulden
5.287.921
5.287.921
22.650.318
17.537.921
taxatie-waarde
fiscale boekwaarde
latentie
waardering
waardering latentie
eigen vermogen
23.000.000
3.450.000
4.887.500
62,5%
3.054.688
2.057.710
22.000.000
3.450.000
4.637.500
66,5%
3.083.938
2.028.460
21.000.000
3.450.000
4.387.500
70,5%
3.093.188
2.019.210
20.000.000
3.450.000
4.137.500
74,5%
3.082.438
2.029.960
19.000.000
3.450.000
3.887.500
78,5%
3.051.688
2.060.710
18.000.000
3.450.000
3.637.500
82,5%
3.000.938
2.111.460
17.000.000
3.450.000
3.387.500
86,5%
2.930.188
2.182.210
16.000.000
3.450.000
3.137.500
90,5%
2.839.438
2.272.960
2.11.
Op 11 oktober 2011 heeft belanghebbende een verzoek tot voeging gedaan van [E] in de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Daarbij is onder meer het zogenoemde formulier Vpb 62B ingevuld met gegevens over de te voegen dochtermaatschappij [E] . De vraag of de moedermaatschappij op het voegingstijdstip de juridische en economische eigendom van 95% of meer bezit van de aandelen in deze dochtermaatschappij, is bevestigend beantwoord. Op 27 oktober 2011 is de Inspecteur aan het verzoek tegemoetgekomen en heeft hij een beschikking voor de fiscale eenheid afgegeven met ingangsdatum 29 september 2011.
2.12.
Belanghebbende heeft op 22 september 2009 een convenant horizontaal toezicht gesloten met de Belastingdienst. Bij brief van 17 juli 2018 heeft de Belastingdienst aan belanghebbende bevestigd dat het convenant in een gesprek op 11 juli 2018 is opgezegd.
2.13.
De Inspecteur heeft op 7 juli 2012 overeenkomstig de ingediende aangifte de aanslag Vpb 2011 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van -/- € 2.630.566. Dit verlies is door middel van verrekening in aanmerking genomen voor het jaar 2009.
2.14.
De Inspecteur heeft op 24 augustus 2013 overeenkomstig de ingediende aangifte de aanslag Vpb 2012 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van -/- € 3.478.441. Dit verlies is door middel van verrekening in aanmerking genomen voor het jaar 2013.
2.15.
Bij koopovereenkomst van 24 oktober 2014 heeft [C] BV de aandelen in [E] verkocht aan [D] . Daarbij is ook een vordering van [C] BV op [E] overgedragen. De koopsom voor de aandelen en de vordering tezamen heeft € 1.500.000 bedragen. Van deze koopsom heeft [D] uiteindelijk € 841.127 betaald. Het verschil ad € 658.873 heeft belanghebbende in 2020 als debiteurenverlies ten laste van de winst gebracht. In de koopovereenkomst van 24 oktober 2014 is onder meer het volgende vermeld:
“In aanmerking nemende dat:
  • [ [C] BV] en [D] hebben op dertig september tweeduizend elf een participatieovereenkomst, hierna verder te noemen "de Participatieovereenkomst", getekend met betrekking tot de tijdelijke investering door [ [C] BV] via de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [ [E] ] in het stalen motorvrachtschip (…), hierna verder te noemen "het Schip";
  • [ [E] ], in wier kapitaal [ [C] BV] voor negenennegentig en negenennegentig/honderdste procent (99,99%) deelneemt, is ter uitvoering van de Participatieovereenkomst tezamen met anderen op dertig september tweeduizend elf onder de naam Scheepvaartonderneming Zeeschip [H] C.V. een commanditaire vennootschap aangegaan, waarbij [ [E] ] optreedt als de enige commanditaire vennoot;
  • Krachtens artikel 9 van de Participatieovereenkomst heeft [ [C] BV] het recht om in het tijdvak gelegen tussen één september tweeduizend veertien en dertig november tweeduizend veertien de aan haar toebehorende aandelen in [ [E] ] aan [D] te koop aan te bieden;
  • [ [C] BV] heeft van voormeld recht gebruik gemaakt, waarbij partijen zijn overeengekomen dat [D] als koper van de aandelen van en de vordering op [ [E] ] zal optreden;
  • Partijen hebben vervolgens overeenstemming bereikt over de voorwaarden waaronder de verkoop dient plaats te vinden en wensen de tussen hen overigens gemaakte afspraken vast te leggen in de onderhavige overeenkomst.
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1 - Aanbieding aandelen / Koper
1.1
De aandelen van, alsmede de vordering op [ [E] ] worden uiterlijk op 31 oktober 2014 door [D] van [ [C] BV] overgenomen.
1.2
De koopsom voor de aandelen van, en de vordering op [ [E] ] tezamen bedraagt EUR 1.500.000 (zegge: een miljoen vijfhonderdduizend euro).
1.3
De koopsom voor de hiervoor bedoelde aandelen van en vordering op [ [E] ] zal door [D] aan [ [C] BV] schuldig gebleven worden.”
2.16.
Bij notariële akte van 31 oktober 2014 heeft [C] BV de aandelen in en de vordering op [E] overgedragen. In deze akte is onder meer het volgende vermeld:
“Considerans.
[C] en [D] hebben op dertig september tweeduizend elf (30-09-2011) een participatieovereenkomst, hierna verder te noemen "de Participatieovereenkomst", getekend met betrekking tot de (destijds) door hen voorgenomen samenwerking terzake van een investering door [A] via [ [E] ] in het stalen motorvrachtschip, (…) hierna verder te noemen "het Schip".
[ [E] ], in wier kapitaal [C] voor negenennegentig en negenennegentig/honderdste procent (99,99%) deelneemt, is ter uitvoering van de Participatieovereenkomst tezamen met anderen op dertig september tweeduizend elf (30-09-2011) onder de naam Scheepvaartonderneming Zeeschip [H] C.V, een commanditaire vennootschap aangegaan, waarbij [ [E] ] optreedt als de enige commanditaire vennoot. De commanditaire deelname van [ [E] ] heeft bij het aangaan van de commanditaire vennootschap vijf miljoen tienduizend euro (€ 5.010.000,00) bedragen.
[C] heeft het gemelde bedrag aan [ [E] ] ad vijf miljoen tienduizend euro (€ 5.010.000,00) aan [ [E] verstrekt deels als een storting op de aan haar bij oprichting van [ [E] ] uitgegeven aandelen, zijnde een bedrag groot zeventienduizend negenhonderdnegenennegentig euro (€ 17.999,00) en deels in rekening courant, zijnde een bedrag groot vier miljoen negenhonderd tweeënnegentig duizend één euro (€ 4.992.001,00), zodat uit dien hoofde [C] ten belope van laatstgemeld bedrag een vordering heeft op [ [E] ].
Krachtens artikel 9 van de Participatieovereenkomst heeft [C] het recht om in het tijdvak gelegen tussen één september tweeduizend veertien (01-09-2014) en dertig november tweeduizendveertien (30-11-2014) de aan haar toebehorende aandelen in [ [E] ] aan [D] te koop aan te bieden.
[C] heeft van voormeld recht gebruik gemaakt, en heeft op vierentwintig oktober tweeduizend veertien een koopovereenkomst gesloten, hierna te noemen: "de Overeenkomst”, met [D] op grond waarvan [D] voormelde vordering en de aandelen van [C] koopt en de koopsom gedeeltelijk schuldig blijft. (…)
(…)
Levering.
[C] draagt ter uitvoering van de Overeenkomst (…):
(i) zeventien duizend negenhonderd negen en negentig (17.999) aandelen in [ [E] ], elk nominaal groot één euro (€ 1,00), nummers 2 tot en met 18.000, gemeld pakket aandelen hierna verder aan te duiden met "Aandelen [A] ";
(ii) de vordering van vier miljoen negenhonderd tweeënnegentig duizend één euro (€ 4.992.001,00) van [C] op [ [E] ], hierna verder aan te duiden met "de Vordering'.
(…)
Koopsom met betrekking tot de Aandelen [A] en de Vorderinq; kwiiting.
De gemelde koopovereenkomst is voor wat de Aandelen [A] en de Vordering betreft aangegaan voor een koopsom groot één miljoen vijfhonderdduizend euro (€ 1.500.000,00). Van de koopsom is een bedrag ad tweehonderd twee en vijftig duizend (€ 252.000,00), voorafgaand aan de levering rechtstreeks door [D] aan [C] voldaan.
(…)
Erkenning overdracht Aandelen en mededeling en kennisname cessie Vordering.
[ [E] ] heeft kennisgenomen van de onderhavige levering van Aandelen en erkent deze levering.
[C] en [ [D] ] doen hierbij elk mededeling aan [ [E] ] van de cessie van de Vordering, van welke mededeling [ [E] ] hierbij verklaart te hebben kennisgenomen en [ [D] ] als nieuwe schuldeiser van de Vordering te aanvaarden.”
2.17.
In de jaarrekening 2012 van [E] , gedeponeerd bij het handelsregister, is als geplaatst kapitaal een bedrag van € 18.000 vermeld, en als kortlopende schulden een bedrag van € 5.011.000.
2.18.
In de vennootschappelijke jaarrekening bij de aangifte vennootschapsbelasting 2012 van belanghebbende is in de balans van [E] als ‘gestort en opgevraagd kapitaal’ een bedrag van € 18.000 vermeld, en als ‘langlopende schulden aan groepsmaatschappijen’ een bedrag van € 5.011.000.
2.19.
In de vennootschappelijke jaarrekening bij de aangifte vennootschapsbelasting 2013 van belanghebbende is in de balans van [E] als ‘gestort en opgevraagd kapitaal’ een bedrag van € 18.000 vermeld, en als ‘langlopende schulden aan groepsmaatschappijen’ een bedrag van € 5.010.987.
2.20.
In de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van belanghebbende is als ontvoegde dochtermaatschappij [E] vermeld, met een ‘opgeofferd bedrag ontvoegde dochtermaatschappij' van € 17.999 en een ‘schuld ontvoegde dochtermaatschappij’ van € 5.010.987.
2.21.
De Belastingdienst heeft in maart 2014 een derdenonderzoek verricht bij [D] . Bij dat onderzoek zijn van [D] stukken verkregen ter zake van diverse scheepsinvesteringsprojecten, waaronder het onderhavige project inzake het zeeschip [H] .
2.22.
Mede op basis van de verkregen informatie heeft belastingambtenaar [naam11] op 11 maart 2015 een ‘memo willekeurige afschrijving ms. [H] ’ geschreven waarvan de afsluiting als volgt luidt:
“7. Vervolg
De informatie die nu beschikbaar is, is onvoldoende voor een definitieve standpuntbepaling. Eerst zal er, zo mogelijk, nadere informatie verkregen moeten worden van Scheepswerf [L] BV, CV [H] en/of [H] Beheer BV. Op basis van deze informatie zal, naar mijn inschatting, een gesprek moeten plaatsvinden bij [N ] , een convenantklant van [M] . In dit gesprek zal er openheid van zaken gegeven moeten worden vanuit de positie van de Belastingdienst en zal ook [N ] op haar beurt openheid van zaken moeten geven over haar investeringsproject in ms. [H] . Gelet op de fiscale consequenties voor [A]
Groep , lijkt het mij raadzaam om één en ander vooraf af te stemmen met de desbetreffende teamleider en zal het wenselijk zijn dat de betreffende teamleider bij het gesprek met [N ] aanwezig is.”
2.23.
Binnen de Belastingdienst is in juni 2015 de projectgroep Scheepvaart CV’s opgericht. In een memo (bijlage A38 bij verweerschrift in eerste aanleg) is de volgende samenvatting gegeven van de activiteiten van deze projectgroep:
“Alle landelijk geïdentificeerde scheepvaart CV casus zijn beoordeeld. Het betrof ca. 156 schepen, waarbij in sommige schepen door meerdere investeerders werd deelgenomen, en sommige investeerders in meerdere schepen deelnamen. Bij die beoordeling is gebleken dat er verschillende soorten casus waren:
1. Bij een deel van de beoordeelde gevallen is niet aannemelijk geworden dat een prijsafspraak tussen investeerder en reder was gemaakt omtrent de exit. In die casus was er geen aanleiding om correcties aan te brengen. De afwezigheid van een prijsafspraak kwam ook naar voren bij beoordeling van de verkoop van de aandelen in de [O] , waarbij regelmatig slechts een zeer lage prijs voor de aandelen werd betaald als gevolg van de waardedaling van het geëxploiteerde schip. Het op voorhand beoogde fiscale voordeel voor de investeerder werd bij lange na niet gerealiseerd. Wel is ter meerdere zekerheid, dat daadwerkelijk geen afspraak was gemaakt over de hoogte van de verkoopprijs, van een deel van de investeerders een verklaring geëist waarin de investeerder dit bevestigde, waarbij werd gewezen op de ernstige (strafrechtelijke) gevolgen indien later zou blijken dat de verklaring onjuist was. De concepttekst van een "exitverklaring" is als bijlage bijgevoegd. Een schatting is dat dit om ongeveer 40 casus gaat.
2. In incidentele casus is aannemelijk geworden dat de inspecteur bij het afgeven van een ruling, dan wel bij het opleggen van de aanslag, volledig was geïnformeerd over alle essentialia van de structuur. De inspecteur heeft daarbij een fout gemaakt (onjuist inzicht in de feiten of het recht). In die gevallen is niet tot navordering overgegaan wegens toepassing van het vertrouwensbeginsel dan wel het ontbreken van een nieuw feit. Er is in die gevallen ook geen compromis aangeboden. Het gaat om circa 10 gevallen.
3. In alle gevallen waarvan duidelijk werd dat geen recht bestond op willekeurige afschrijving van het schip bij de belastingplichtige, bijvoorbeeld omdat de volledige economische eigendom van de aandelen voor de fiscale eenheid ontbrak, of enige andere grond voor weigering daarvan, is een compromisaanbod gedaan. Het gaat om circa 85 casus.
4. In vijf gevallen is het aangeboden compromis afgewezen. In die gevallen loopt een gerechtelijke procedure, of is deze in voorbereiding.
Uit het bovenstaande komt naar voren dat in het grootste deel van de gevallen over is gegaan tot correctie door middel van een compromis. In die gevallen is de contante waarde van het verlies voor de Nederlandse Staat alsnog betaald. Grosso modo kwam dat uit op een lumpsum betaling van 30% van het totale fiscale voordeel uit de constructie. De investeerders betaalden in die gevallen ca. 60-70% van het door hen genoten voordeel aan de Staat. Daartoe is in de meeste gevallen een navorderingsaanslag Vpb opgelegd.”
2.24.
De Inspecteur heeft in september 2016 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de toepassing van de willekeurige afschrijvingen in de aangiften Vpb 2011 en 2012. De uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 augustus 2017. In het rapport is vermeld dat [E] niet in de fiscale eenheid met belanghebbende als moedermaatschappij kan worden opgenomen en dat derhalve ten onrechte aan het verzoek tot voeging van [E] tegemoet is gekomen. Redengevend hiervoor is dat volgens de Inspecteur belanghebbende door een prijsafspraak met [D] niet (middellijk) de economische eigendom van ten minste 95% van de aandelen in [E] bezat.
2.25.
Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur in september en november 2017 de onderhavige navorderingsaanslagen 2011 en 2012 opgelegd. Op 5 januari 2019 heeft de Inspecteur de aanslag Vpb 2014 opgelegd. Bij het vaststellen van deze (navorderings)aanslagen heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat geen fiscale eenheid tussen belanghebbende en [E] tot stand is gekomen, waardoor bij belanghebbende geen willekeurige afschrijving en geen exploitatieverlies van [E] in aanmerking kan worden genomen.
2.26.
Ter zitting van de Rechtbank heeft [naam12] – de belastingadviseur van [D] die namens de investeerders zoals belanghebbende de rulingaanvragen verzorgde – als beëdigde getuige onder meer verklaard:
- dat ‘bij de rulingaanvraag van belanghebbende geen feiten zijn aangedragen’ (p-v p. 20),
- dat hij ‘de betreffende stukken van belanghebbende niet heeft gezien’ (p-v p. 21),
- dat ‘de rulingaanvraag mager is ingestoken en het een korte ruling aanvraag is geworden’ (p-v p. 22),
- dat ‘het bijna niet te doen is de Belastingdienst volledig in te lichten en alle stukken voor te houden’ (p-v p. 22),
- dat ‘voor belanghebbende een verkorte rulingaanvraag is ingediend’ (p-v p. 23),
- dat ‘hij zich niet kan herinneren dat hij in het kader van de rulingaanvraag voor belanghebbende de exacte en definitieve inhoud van de participatieovereenkomst met bijlagen met [naam13] – de belastingambtenaar die de rulingverzoeken willekeurige afschrijving zeeschepen in behandeling nam – heeft besproken’ (p-v p. 23),
- dat ‘hij als adviseur meerdere rulingaanvragen heeft gedaan en er is geen één casus exact gelijk aan die van belanghebbende’ (p-v p. 23),
- dat ‘hij het niet nodig vond om stukken in te sturen bij de rulingaanvraag en de heer [naam13] dat ook niet vond’ (p-v p. 24).
2.27.
De Rechtbank heeft in de uitspraak van 3 mei 2022 – kort gezegd – overwogen dat belanghebbende de gehele waardeverandering van de aandelen in [E] moet aangaan, dat de gemaakte afspraken in de participatieovereenkomst (zie 2.7) inhouden dat de bij de verkoop van de aandelen in [E] te bepalen prijs niet overeenkomt met de waarde in het economische verkeer van die aandelen en dat belanghebbende nimmer (middellijk) de economische eigendom van ten minste 95% van de aandelen in [E] in bezit heeft gehad, waardoor [E] nooit tot de fiscale eenheid met belanghebbende had kunnen behoren.
2.28.
[naam2] , van 2001 tot en met 2017 financieel directeur van belanghebbende, heeft op 10 januari 2025 onder meer de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:
“Toen [belanghebbende] en [D] onderhandelden is een aantal keren per e-mail een Excel bestand gewisseld met daarin een rekenmodel. Wij hebben daarom gevraagd omdat [belanghebbende] wilde dat er een manier zou zijn om na drie jaar de prijs te bepalen, een model dat een denkrichting zou geven. We wilden een indicatie dat [D] na drie jaar de boot die ze in 2010 in wezen zelf niet konden betalen, in 2014 wel zouden kunnen betalen.
Ik heb dit Excel bestand geopend en zag hoe het werkte met formules. Ik heb zelf niet met de input gespeeld, het ging mij erom dat er een methodiek was om zo nodig tot een prijsbepaling te komen. Het rekenmodel diende niet om een vast prijs overeen te komen die zou gelden tussen [belanghebbende] en [D] , van [naam14] wist ik dat dat niet kon. Het ging ons er alleen om dat er een methodiek zou zijn. Vergelijk het met de verkoop van een onderneming, dan zoek je ook naar een manier om tot een redelijke prijs te komen. Natuurlijk was het zo dat [belanghebbende] naar comfort zocht omtrent wat we konden verwachten qua verkoopprijs, maar wij vonden vooral belangrijk dat [D] inzicht gaf in hoe na drie jaar die prijs zou kunnen worden bepaald en dat die prijs tegen die tijd ook betaalbaar zou zijn. [D] begreep onze behoefte aan een methodiek en kwam met een rekenmodel. Ik herinner mij dat het in hun woorden bedoeld was om ‘op terug te vallen’ en dat een soortgelijk model bij meerdere partijen werd gebruikt. Dat hielp om ons comfort te geven. [naam15] noemde ‘in orde van grootte van € 2 miljoen’ en men kwam met een rekenmodel, die combinatie bood voldoende comfort. (…)
(…) [naam16] was twee keer mee geweest naar de werf om het schip te bekijken, hij was aanwezig bij de tewaterlating. Welke inspecteur doet dat? Zodoende, en omdat [naam16] tegen mij zei ‘jullie hebben het goed gedaan, zorg alleen dat er waarde in het economisch verkeer uitkomt’ maakte ik me geen zorgen.”

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de navorderingsaanslagen Vpb 2011 en 2012 en de aanslag Vpb 2014 terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.
3.2.
De Inspecteur heeft ook in hoger beroep het standpunt ingenomen dat in de participatieovereenkomst een prijsafspraak tussen belanghebbende en [D] is overeengekomen ter zake van de koopprijs voor de aandelen in [E] , dat deze afspraak meebrengt dat belanghebbende niet (middellijk) de economische eigendom van ten minste 95% van de aandelen in [E] bezat, dat daardoor geen fiscale eenheid tussen belanghebbende en [E] tot stand is gekomen, waardoor bij belanghebbende geen willekeurige afschrijving en geen exploitatieverlies van [E] in aanmerking kan worden genomen. De Inspecteur heeft desgevraagd ter zitting van 26 maart 2024 bevestigd dat hij in onderhavige procedure niet betoogt dat [E] geen recht heeft op willekeurige afschrijving, zodat dit niet ter discussie staat.
3.3.
Belanghebbende stelt (i) dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht, (ii) dat de Inspecteur voor de jaren 2011 en 2012 niet beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit, (iii) dat is voldaan aan de voorwaarde voor fiscale eenheid dat zij de economische eigendom bezit van de aandelen in haar dochtermaatschappij [E] , (iv) dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, (v) dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, en (vi) dat in 2014 bij verkoop van de vordering op [E] een boekverlies is geleden dat in aanmerking kan worden genomen. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvattingen toegedaan.
3.4.
Op de zitting van 26 maart 2024 heeft belanghebbende haar stelling dat de aanslag Vpb 2014 buiten de aanslagtermijn is opgelegd, ingetrokken.
3.5.
Verder betoogt belanghebbende nog dat vanwege overschrijding van de redelijke termijn een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend.
3.6.
De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift opgemerkt dat de navorderingsaanslag Vpb 2009 ten onrechte is opgelegd omdat de verliesbeschikkingen 2011 en 2012 niet zijn herzien en dat dit hem ertoe heeft gebracht de navorderingsaanslag Vpb 2009 te vernietigen. De daarmee samenhangende rentebeschikking is eveneens vernietigd.
3.7.
Verder heeft de Inspecteur op 18 februari 2023 ambtshalve de aanslag Vpb 2014 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van € 8.693.805. De daarmee samenhangende rentebeschikking is verminderd tot € 31.141 (zie bijlage 10 bij verweerschrift).
3.8.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen Vpb 2011 en 2012 en tot vermindering van de aanslag Vpb 2014. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de navorderingsaanslagen Vpb 2011 en 2012 en tot handhaving van de aanslag Vpb 2014 zoals deze ambtshalve is verminderd.

4.Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 Awb)
4.1.
Wat betreft dit geschilpunt blijft het Hof bij zijn beslissingen in de tussenuitspraak van 30 april 2024 en de daarvoor gegeven gronden.
4.2.
Dit geldt dus ook voor het bewijsoordeel in rechtsoverweging 4.11 van voornoemde tussenuitspraak dat aannemelijk is dat ten tijde van de aanslagregeling – de primitieve aanslagen Vpb 2011 en 2012 zijn opgelegd op respectievelijk 7 juli 2012 en 24 augustus 2013 – geen aanleiding bestond enig onderdeel van de aangifte nader te onderzoeken en dat daarover binnen de Belastingdienst geen intern overleg heeft plaatsgevonden, zodat daarvan geen stukken bestaan. Anders dan belanghebbende in het nadere stuk (onderdeel 7.9) betoogt, ziet het Hof in de door de Inspecteur ingebrachte stukken in bijlage set C, geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.
4.3.
Verder betoogt belanghebbende in het nadere stuk (onderdeel 8.7) dat zij de ongeschoonde stukken in bijlage set C pas begin februari 2025 van de Inspecteur heeft ontvangen (zie 1.21), en dat zij daardoor, mede gelet op de omvang ervan (ruim 3.600 pagina’s), in haar processuele positie is geschaad. Het Hof kan dit betoog niet volgen. Tot de mondelinge behandeling ter zitting zijn sindsdien bijna negen maanden verstreken, zodat belanghebbende zeer wel in staat was van die stukken kennis te nemen en daarop te reageren, hetgeen ook is gebleken uit het omvangrijke nadere stuk met 77 bijlagen dat belanghebbende elf dagen voor de zitting heeft ingediend (zie 1.22).
4.4.
Het Hof ziet, anders dan belanghebbende betoogt in het nader stuk (onderdeel 8.7), geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:31 Awb de onderwerpelijke belastingaanslagen over 2011, 2012 en 2014 te vernietigen, reeds omdat zich geen schending van enige verplichting heeft voorgedaan die is genoemd in artikel 8:31 Awb.
4.5.
Evenmin ziet het Hof, anders dan de Inspecteur betoogt, aanleiding om het nadere stuk van belanghebbende van 17 oktober 2025 buiten beschouwing te laten vanwege strijd met de goede procesorde. Toegegeven kan worden dat dit een omvangrijk stuk betreft dat laat is ingediend, maar de Inspecteur is daardoor evenwel niet belemmerd om adequaat te reageren, hetgeen is gebleken uit het omvangrijke pleidooi ter zitting.
4.6.
Belanghebbende heeft in het nader stuk (onderdeel 8.11) nog verzocht tot overlegging van stukken door de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof behoeven deze stukken om de hiernavolgende redenen niet op grond van artikel 8:42 Awb in het geding te worden gebracht.
a. In het zogenoemde Overzicht ATK (bijlage 7 bij nader stuk) heeft klantcoördinator [naam16] op 11 februari 2013 de volgende aantekening gemaakt:
“Op 8 februari berichtje gehad van [naam17] dat er problemen zijn met scheeps CV en dat het de bedoeling is dat deze komend jaar kritisch worden bekeken. Aangegeven dat de CV is gemeld en in samenspraak met [naam18] en een inspecteur vanuit Groningen is gegaan. [naam18] gaf aan dat wij alleen [A] op weg hebben geholpen, maar fiscaal niets hebben gedaan (klopt). [naam17] om iets meer bijzonderheden gevraagd. Zolang ik niets hoor, doe ik hier ook niets mee, met [naam18] afgesproken om [A] niet op de hoogte te stellen.”
Belanghebbende heeft verzocht tot overlegging van het bericht van [naam17] . De Inspecteur heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat het bericht van [naam17] betrekking had op een andere belastingplichtige. Gelet daarop is het stuk naar het oordeel van het Hof niet van enig belang geweest voor de besluitvorming in het onderhavige geval.
b. Volgens belanghebbende was belastingambtenaar [naam13] qua scheepvaart-CV’s de spin in het web en verzoekt zij daarom tot overlegging van de interne correspondentie van deze ambtenaar. Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van 30 april 2024, rechtsoverweging 4.8 en 4.9 oordeelt het Hof dat deze stukken niet belang zijn voor de beslechting van de bestaande geschilpunten.
c. Tijdens het boekenonderzoek bij belanghebbende in september 2016 (zie 2.24) is de mailbox van de financieel directeur [naam2] gescreend met zoektermen en zijn 590 e-mailberichten verkregen (bijlage 6 bij nader stuk). Belanghebbende verzoekt om overlegging van deze e-mailberichten. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat deze mailberichten in het dossier zijn opgenomen in bijlage set B. Nu deze e-mailberichten reeds tot het dossier behoren, hoeft aan belanghebbendes verzoek geen gehoor te worden gegeven.
d. In het zogenoemde Overzicht ATK (bijlage 7 bij nader stuk) heeft klantcoördinator [naam16] op 19 oktober 2015 de volgende aantekening gemaakt:
“Op 14 oktober 2015 gesprek gehad met [naam2] .
Er zijn problemen geweest met de betalingen van de VA van Horeca. Aangegeven dit op te nemen (…).
Er is contact geweest met [naam19] over sectorindeling. (…)
Vervolg gesprek was ook met de heer [naam20] en ging over de problemen met de scheeps CV. Uitgelegd wat er landelijk speelt op dit terrein. Hij maakt zich geen zorgen omdat hij van mening is dat er geen afspraken zijn geweest die in strijd waren met de afgegeven Ruling. Aan [naam2] overzicht gevraagd van betalingen vanuit CV aan [A] . Dit overzicht geeft 253.000 e aan, dus overeenkomstig verkoop ovk.
Aangegeven dat wij het behandelplan moeten gaan delen en dat ik daarover eerdaags een afspraak zou maken en dit mogelijk samen met [naam21] zou komen bespreken.”
Belanghebbende heeft verzocht tot overlegging van het behandelplan. Zonder nadere motivering van belanghebbende, die ontbreekt, acht het Hof niet aannemelijk dat dit behandelplan van enig belang voor de besluitvorming kan zijn geweest en bovendien niet van belang is voor de beslechting van de bestaande geschilpunten.
e. Belanghebbende vraagt zich af waar het memorandum van belastingambtenaar [naam11] (zie 2.22) vandaan komt, waarop de inhoud is gebaseerd en wie [naam11] is. Belanghebbende heeft hiermee niet om een bepaald stuk verzocht.
f. In een e-mailbericht van 26 oktober 2015 (bijlage 69 bij nader stuk) heeft klantcoördinator [naam16] aan een collega het volgende geschreven:
“De aangifte 2011 van [belanghebbende] is geautomatiseerd afgedaan, de aangifte 2012 volgens IKB traditioneel, maar er is geen heffingsverslag. Zelf heb ik geen vragen gesteld en ook geen aantekening in ATK dat er een probleem met de aangifte was. De aangifte is weliswaar traditioneel afgedaan, maar wel door iemand van de administratie. Het jaar 2013 is wel traditioneel afgedaan en er zijn ook vragen gesteld. Echter niet over de scheeps CV. Bijgaand het verslag van heffing.”
Belanghebbende heeft verzocht tot overlegging van de heffingsverslagen. Het Hof leidt uit de tekst van het bericht af dat alleen voor het jaar 2013 een heffingsverslag is opgesteld. Dat jaar is echter geen onderwerp van geschil, nu de Rechtbank de navorderingsaanslag Vpb 2013 reeds heeft vernietigd (zie 1.4). Bovendien zijn in dat jaar geen vragen gesteld over de scheepvaart-CV. Gelet daarop acht het Hof dit heffingsverslag niet van belang voor de beslechting van de bestaande geschilpunten.
g. In 2012 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden over het aanslagjaar 2011 (bijlage 66 bij nader stuk). Belanghebbende heeft verzocht tot overlegging van het rapport van dit onderzoek. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 een deelonderzoek loonheffingen is gehouden, en dat dit onderzoek zich alleen heeft gericht op de juistheid van de geclaimde afdrachtvermindering onderwijs. Verder heeft de Inspecteur verklaard dat er tevens een monitoring van het Convenant horizontaal toezicht heeft plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de verkoopkosten en de voetbalkaartjes in de aangifte Vpb 2011, en dat daarvan op 31 mei 2012 een rapport aan belanghebbende is aangeboden. Gelet op de inhoud ervan, acht het Hof de rapporten van beide onderzoeken niet van belang voor de beslechting van de bestaande geschilpunten.
In een e-mailbericht van 11 februari 2014 (bijlage 67 bij nader stuk) heeft financieel directeur [naam2] aan een collega het volgende geschreven:
“Ik heb meerdere keren met de belastingdienst besprekingen. Dit gaat dan vaak over inhoudelijke punten. Deze worden indien nodig vastgelegd en bevestigd.
Ook krijgt [A] te maken met controles en steekproeven. Deze worden volgens de normale systematiek van controle bij de fiscus vastgelegd. De laatste controle was op 16 september 2013. Uit deze controle zijn geen correcties of verdere aanmerkingen gekomen.”
Belanghebbende heeft verzocht tot overlegging van het controlerapport. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat in september 2013 vermoedelijk een streekproef in het kader van horizontaal toezicht heeft plaatsgevonden, dat niet duidelijk is ter zake van welk middel de steekproef heeft plaatsgevonden, dat de steekproef in ieder geval niet heeft geleid tot correcties en dat er van de steekproef geen vastleggingen zijn aangetroffen. Gelet daarop acht het Hof niet aannemelijk dat een controlerapport bestaat, zodat aan het verzoek niet hoeft te worden tegemoetgekomen.
h. In een e-mailbericht van 15 juni 2016 (bijlage 26 bij nader stuk) heeft klantcoördinator [naam16] aan een collega het volgende geschreven:
“Je geeft aan dat de mail alleen voor intern gebruik is en dat het niet de bedoeling is om deze door te sturen naar [A] dan wel [P] . Ik weet niet waarom je dat doet, maar ik ben het inderdaad niet eens met de correctie. De constructie op zich vind ik niks en heb ik ook nooit wat gevonden. In ons eerste gesprek bij [A] hierover heb ik dat ook aangegeven, maar wij hebben zelf de regeling goedgekeurd in Den Haag. De nood binnen de scheepsbouw was schijnbaar hoog. Op het moment dat [naam10] vragen ging stellen over [A] heb ik hem steeds antwoord op zijn vragen gegeven en ook aan [A] doorgegeven dat er problemen met de constructie was. Concreet is [naam10] echter nooit geworden, altijd een algemeen verhaal over investeringen betaald met teruggaven vennootschapsbelasting, zelfs twijfel of het schip wel bestond. Ik kon dus bij [A] ook niet aangeven wat nu eigenlijk de problemen waren, waarna het vervolgens een hele tijd stil is gebleven en vorig jaar ineens het verhaal van de excelsheet naar boven kwam. Het enige wat ik toen aan [A] heb doorgegeven dat de zaak weer was opgepakt en dat mogelijk er contact met hun zou worden opgenomen (….)”
Belanghebbende heeft verzocht tot overlegging van de vragen van belastingambtenaar [naam10] . Gelet op de tekst van het e-mailbericht acht het Hof aannemelijk dat de vragen van [naam10] een algemeen karakter hadden en daarom niet van belang zijn voor de beslechting van de bestaande geschilpunten.
i. Belanghebbende vraagt zich af wat in voornoemd e-mailbericht van 15 juni 2016 wordt bedoeld met ‘excelsheet’, en of klantcoördinator [naam16] bewust erbuiten is gehouden. Belanghebbende heeft hiermee niet om een bepaald stuk verzocht.
j. In een intern e-mailbericht van de Belastingdienst van 24 januari 2017 (bijlage 8 bij nader stuk) is het volgende opgemerkt:
“Documenten zitten in computer van [naam16] [Hof: klantcoördinator [naam16] ] termsheet bijlagen e.d. Die hebben als datum document een datum in november 2011 datum gemaakt in 2015.”
Belanghebbende heeft verzocht tot overlegging van deze documenten. Het Hof acht evenwel aannemelijk dat dit stukken betreffen die reeds tot de gedingstukken behoren (zie 2.7 tot en met 2.10).
k. In een intern e-mailbericht van 21 november 2018 (bijlage 71 bij nader stuk) is het volgende opgemerkt:
“Vanmiddag nog even door de valuators bijgepraat over de stavaza inzake [A] . Zij hebben gekeken naar het economisch risico dat [belanghebbende] liep. Afhankelijk hoe je dat definieert is er risico. Alleen minnen of ook plussen. Volgens mij, maar dat moeten we nog maar even nakijken, was er een bankgarantie voor een deel van de koopsom van de aandelen. Dat zou betekenen dat ze een beperkt debiteurenrisico lopen. Daarnaast is en een beperkt prijsrisico van ongeveer 2 ton. En een kans om meer winst te behalen bij verder investeren van 5 miljoen. De waardering van de aandelen hebben ze zich verder niet over uitgesproken (hadden we volgens mij wel om gevraagd).”
Belanghebbende heeft verzocht om overlegging van de bevindingen van de valuators. Het Hof acht evenwel niet aannemelijk dat deze bevindingen schriftelijk zijn vastgelegd. Bovendien gaat dit bericht over het debiteurenrisico dat belanghebbende loopt bij de verkoop van de aandelen in [E] aan [D] , en niet over het economische risico dat belanghebbende heeft gelopen door het bezit van de aandelen in [E] , zodat evenmin aannemelijk is dat een eventueel stuk van belang is voor de beslechting van de bestaande geschilpunten.
l. In een ongedateerd intern e-mailbericht (bijlage 72 bij nader rapport) – volgens belanghebbende van omstreeks 10 mei 2017 – heeft belastingambtenaar [naam10] het volgende opgemerkt:
“Inmiddels heb ik een boete advies inzake [A] ontvangen. Vanwege ontbreken opzet geen boete (primitieve aanslag). (…)”
Belanghebbende heeft verzocht tot overlegging van het boeteadvies. Nu in onderhavige procedure geen boetes aan de orde zijn, acht het Hof dit boeteadvies niet van belang voor de beslechting van de bestaande geschilpunten.
m. Belanghebbende merkt op dat uit de gedingstukken een lijst van 29 belastingambtenaren naar voren komt (bijlage 73 bij nader stuk) die betrokken zijn geweest bij scheepvaart-CV structuren, en dat het niet zo kan zijn dat er niet meer dossier is van deze belastingambtenaren. Belanghebbende heeft met deze opmerking niet om bepaalde stukken verzocht. En zo daarvan wel sprake zou zijn, heeft het verzoek een algemeen en ongemotiveerd karakter waaraan om die reden evenmin gehoor hoeft te worden gegeven.
Navordering; nieuw feit
4.7.
Ingevolge artikel 16 AWR heeft de inspecteur de bevoegdheid een navorderingsaanslag op te leggen indien hij beschikt over een (nieuw) feit dat hem bij het opleggen van de primitieve aanslag niet bekend was en hem ook redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn.
4.8.
De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en 2012 opgelegd met correcties ter zake van de bij belanghebbende ten onrechte geclaimde willekeurige afschrijving en het ten onrechte bij belanghebbende in aanmerking nemen van het exploitatieverlies van dochtermaatschappij [E] . Redengevend voor deze correcties is dat de dochtermaatschappij [E] bij nader inzien niet tot de fiscale eenheid behoorde, omdat belanghebbende niet de economische eigendom bezat van ten minste 95% van de aandelen in [E] . Met laatstgenoemde omstandigheid is de Inspecteur pas bekend geworden nadat hij tijdens het derdenonderzoek dat vanaf maart 2014 bij [D] is uitgevoerd (zie 2.21), de beschikking heeft gekregen over de participatieovereenkomst waarin een prijsafspraak was neergelegd. Dat de Inspecteur voordien reeds bekend was met de participatieovereenkomst of met een prijsafspraak, is niet gebleken. In dat verband is onder meer van belang de getuigenverklaringen van belastingadviseur [naam12] , zoals vermeld in 2.26.
4.9.
Dat de Belastingdienst bij de behandeling van het rulingverzoek willekeurige afschrijving heeft beschikt over het rekenmodel (zie 2.10) – zoals kan worden afgeleid uit een memo van de Belastingdienst (bijlage 1 bij nader stuk) – brengt op zichzelf, zonder op de hoogte te zijn van de participatieovereenkomst waarin is bepaald dat de prijs wordt bepaald overeenkomstig de uitgangspunten en methode van dit rekenmodel, niet mee dat de Inspecteur bekend was met deze prijsafspraak.
4.10.
Het vorenstaande betekent dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen Vpb 2011 en 2012 op respectievelijk 7 juli 2012 en 24 augustus 2013 niet ermee bekend was dat belanghebbende niet economisch eigenaar was van ten minste 95% van de aandelen in [E] (zie 4.15 hierna). Naar het oordeel van het Hof, vormt de inhoud van de participatieovereenkomst – verkregen tijdens het derdenonderzoek vanaf maart 2014 – dan ook een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
4.11.
Anders dan belanghebbende betoogt, was de Inspecteur niet gehouden tot een nader onderzoek naar aanleiding van de aangiften Vpb 2011 en 2012. De Inspecteur mag bij het vaststellen van een (primitieve) aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Naar het oordeel van het Hof, behoefde de Inspecteur in redelijkheid niet aan de juistheid van deze aangiften te twijfelen. Het was immers zeer wel mogelijk dat de daarin verstrekte gegevens omtrent de fiscale eenheid juist waren. Anders dan belanghebbende betoogt, was de Inspecteur tot dat moment niet bekend met de participatieovereenkomst. De Inspecteur was bij de vaststelling van de primitieve aanslagen Vpb 2011 en 2012 daarom niet gehouden om nader onderzoek te doen.
4.12.
Anders dan belanghebbende betoogt, was evenmin sprake van een ambtelijk verzuim door de aanslag Vpb 2012 op te leggen, terwijl het binnen de Belastingdienst vanwege problemen met scheepvaart-CV’s in die periode de bedoeling was deze CV’s kritisch te bekijken (zie e-mailbericht in 4.6 onder a). In deze intentie van de Belastingdienst ligt namelijk geen enkele twijfel besloten over de juistheid van belanghebbendes aangifte Vpb 2012. Van een aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim is voor de jaren 2011 en 2012 dan ook geen sprake.
4.13.
De consequenties van fouten die door de Inspecteur bij de aanslagregeling zijn gemaakt, zijn uitputtend geregeld in artikel 16 AWR. Anders dan belanghebbende betoogt, is voor toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel dan geen plaats (vgl. HR 19 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:BH8336, BNB 1992/150).
Fiscale eenheid
4.14.
Voor de vorming van een fiscale eenheid is vereist dat de moedermaatschappij de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95% van de aandelen in het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de dochtermaatschappij (artikel 15, lid 1 (oud) Wet Vpb).
4.15.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende vanaf september 2011 – de maand waarin [E] is opgericht en tevens de participatieovereenkomst is gesloten – niet de economische eigendom bezat van ten minste 95% van de aandelen in [E] . Hierbij heeft het Hof het volgende in aanmerking genomen.
4.16.
Belanghebbende – in het bijzonder de met belanghebbende gevoegde dochtermaatschappij [C] BV – en [D] zijn blijkens onderdeel 9 van de participatieovereenkomst (zie 2.7), de termsheet (zie 2.9) en het rekenmodel (zie 2.10) overeengekomen dat belanghebbende na drie jaar tegen een vooraf afgesproken prijs de aandelen in [E] – met daarin de commanditaire deelname – overdraagt aan [D] . Blijkens onderdeel 9.5 van de participatieovereenkomst wordt deze prijs berekend overeenkomstig de uitgangspunten en methode van het rekenmodel dat als bijlage 10 was gevoegd bij de participatieovereenkomst, waarbij de koopprijs ten minste € 1 bedraagt. Blijkens het rekenmodel is de koopprijs voor de aandelen [E] slechts voor een deel gebaseerd op de waarde van het motorschip, terwijl dit nagenoeg het enige activum betreft (zie 2.10). Een andere variabele ter bepaling van de koopprijs is de belastinglatentie. Indien de waarde van het motorschip hoger wordt getaxeerd - de waarde is afhankelijk van de huuropbrengst per dag die in een zogenoemde timecharter wordt overeengekomen - daalt volgens het rekenmodel de koopprijs voor de aandelen [E] . Zo zou volgens het rekenmodel bij een taxatiewaarde van het motorschip van € 23.000.000 het eigen vermogen van [E] alsmede de koopprijs € 2.057.710 bedragen, terwijl bij een taxatiewaarde van € 16.000.000 de koopprijs voor de aandelen [E] is bepaald op € 2.272.960 alhoewel het eigen vermogen van [E] in dat geval circa € 4.000.000 negatief bedraagt. Laatstgenoemde uitkomst is ook ter zitting door belastingadviseur [naam1] gedemonstreerd aan de hand van de excelsheet van het rekenmodel.
Door de in het rekenmodel neergelegde prijsafspraak draagt belanghebbende slechts een beperkt risico van een waardeverandering van de aandelen in [E] , onder meer doordat de waardeverandering van het schip wordt gematigd door een tegengestelde verandering in de waardering van de belastinglatentie. Daarbij komt nog dat volgens het rekenmodel het eigen vermogen van [E] in alle gevallen negatief zou zijn indien, zoals is geschied (zie 4.28 hierna), belanghebbende geen kapitaal van € 5.010.000 in [E] zou storten, hetgeen meebrengt dat de koopprijs in dat geval steeds € 1 zal bedragen.
4.17.
Anders dan belanghebbende betoogt, kan uit de verklaring van de voormalig financieel directeur [naam2] (zie 2.28) evenmin worden afgeleid dat belanghebbende de economische eigendom bezat van ten minste 95% van de aandelen in [E] , maar kan daaruit – door zijn opmerking dat de genoemde prijs van € 2.000.000 in combinatie met het rekenmodel voldoende comfort gaf – veeleer het tegendeel worden opgemaakt. Dit laatste geldt eveneens voor het e-mailbericht van belastingadviseur [naam1] van 7 september 2011 (zie 2.4) waarin is opgemerkt dat in de sheet als het ware wordt toegewerkt naar een waardering tussen € 2.000.000 en € 2.200.000.
4.18.
Nu belanghebbende niet het risico draagt van een waardeverandering van ten minste 95% van de aandelen in [E] , bezit zij niet de economische eigendom van die aandelen in [E] . Belanghebbende voldoet dus niet aan de vereisten voor een fiscale eenheid met [E] , zodat deze nimmer tot stand is gekomen (zie HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675, r.o. 4.2).
4.19.
Het voorgaande betekent dat de door [E] in 2011 en 2012 toegepaste willekeurige afschrijvingen op het schip, alsmede de in 2011, 2012 en 2014 geleden exploitatieverliezen van de CV, niet binnen de fiscale eenheid bij belanghebbende in aanmerking kunnen worden genomen.
Vertrouwensbeginsel
4.20.
De Inspecteur heeft zich jegens belanghebbende door middel van een beschikking fiscale eenheid erover uitgelaten dat vanaf 29 september 2011 een fiscale eenheid voor de heffing van vennootschapsbelasting wordt gevormd (zie 2.11). Daarbij gaat het om een als toezegging op te vatten expliciete uitlating van de Inspecteur. In een dergelijk geval kan belanghebbende zich onder voorwaarden met succes beroepen op daarmee door de Inspecteur gewekt vertrouwen. Daartoe is onder meer vereist dat de Inspecteur de toezegging heeft gedaan na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval (vgl. HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:269, r.o. 4.6.2).
4.21.
De Inspecteur is echter niet gebonden aan de door middel van een beschikking fiscale eenheid gedane toezegging, en belanghebbende kan niet met succes een beroep doen op vertrouwen gewekt door een dergelijke toezegging, indien bij het verzoek om die beschikking onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt, terwijl belanghebbende redelijkerwijs had moeten weten dat de Inspecteur daardoor niet in staat was het verzoek goed en volledig op zijn fiscale merites te beoordelen (vgl. HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675, r.o. 4.5.4).
4.22.
Belanghebbende heeft op 30 september 2011 met [D] een participatieovereenkomst gesloten waarin een prijsafspraak is gemaakt die meebrengt dat belanghebbende niet de economische eigendom bezit van ten minste 95% van de aandelen in [E] (zie 4.15 e.v.). Belanghebbende heeft op 11 oktober 2011 een verzoek gedaan tot voeging van [E] in de fiscale eenheid. Belanghebbende heeft bij dit verzoek vermeld dat zij op het voegingstijdstip de juridische en economische eigendom van 95% of meer bezat van de aandelen in [E] (zie 2.11). Op 27 oktober 2011 is de Inspecteur aan het verzoek tegemoetgekomen en heeft hij een beschikking voor de fiscale eenheid afgegeven met ingangsdatum 29 september 2011.
4.23.
Belanghebbende had redelijkerwijs moeten weten dat door het verstrekken van onjuiste, althans onvolledige, informatie over de economische eigendom, de Inspecteur niet in staat was het verzoek goed te beoordelen. Daarom kan belanghebbende niet met succes een beroep doen op door de Inspecteur gewekt vertrouwen.
4.24.
Dat klantcoördinator [naam16] zou hebben gezegd dat ‘jullie het goed gedaan hebben’ (zie 2.28), maakt het voorgaande niet anders, nu uit deze opmerking niet blijkt dat [naam16] daarmee heeft gedoeld op het verstrekken van juiste en volledige informatie. Bovendien is geenszins gebleken dat [naam16] juist en volledig was geïnformeerd over de participatieovereenkomst met daarin de prijsafspraak. Zo schrijft [naam16] in een e-mailbericht van 15 juni 2016 dat het jaar daarvoor ineens de excelsheet naar boven was gekomen (zie 4.6 onder h).
Gelijkheidsbeginsel
4.25.
Belanghebbende heeft de correcties verder nog bestreden met een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende beroept zich op niet-gepubliceerd begunstigend beleid met betrekking tot de tijdelijke willekeurige afschrijving inzake scheepvaartinvesteringen, waarvan in haar geval zou zijn afgeweken.
4.26.
In onderhavige procedure staat de willekeurige afschrijving op het zeeschip echter niet ter discussie (zie 3.2). Dit brengt mee dat de gang van zaken omtrent het verlenen van rulings ter zake van een dergelijke willekeurige afschrijving, al dan niet neergelegd in (ongepubliceerd) beleid, niet van belang is voor de beslechting van de bestaande geschilpunten. Dit beroep kan dan ook niet slagen.
4.27.
Voor zover belanghebbende zich in het nader stuk (onderdeel 10.6), onder verwijzing naar een afspraak tussen de Belastingdienst en een andere belastingplichtige, beroept op het gelijkheidsbeginsel, kan dit beroep reeds niet slagen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat geval feitelijk vergelijkbaar is, bijvoorbeeld wat betreft de financiering, het aanbiedingsrecht van de aandelen en de daarvoor afgesproken vergoeding.
Boekverlies bij verkoop vordering op [E]
4.28.
Belastingadviseur [naam1] heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard dat de storting van belanghebbende in [E] van € 5.010.000 als rekening-courant is geboekt en ook in de administratie als zodanig is verwerkt (p-v p. 7). In de notariële akte van aandelenoverdracht van 31 oktober 2014 (zie 2.16) is uitgegaan van een door belanghebbende in [E] gestort kapitaal van € 17.999 en een rekening-courantvordering van € 4.992.001. In de gedeponeerde jaarrekening 2012 van [E] alsmede in de vennootschappelijke jaarrekening van [E] bij de aangiften vennootschapsbelasting 2012, 2013 en 2014 (zie 2.17 tot en met 2.20), is eveneens een gestort kapitaal vermeld van € 18.000. Gelet op het vorenstaande acht het Hof aannemelijk - ervan uitgaande dat één aandeel [E] van € 1 in handen is van [D] (zie 2.6) - dat belanghebbende geen groter bedrag aan kapitaal heeft gestort dan € 17.999 (HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:706).
4.29.
Daarvan uitgaande betoogt belanghebbende dat bij de overdracht van de vordering aan [D] op 31 oktober 2014 voor een koopsom van € 1.500.000 (zie 2.15), zij een boekverlies in aanmerking kan nemen van € 3.492.001. Dit betoog kan niet slagen. Redengevend daarvoor is dat het door belanghebbende ter leen verstrekte bedrag als een zogenoemde onzakelijke lening dient te worden aangemerkt, zoals belanghebbende zelf ook heeft opgemerkt in haar hogerberoepschrift, onderdeel 6.17 en 6.18. De lening is namelijk nimmer schriftelijk vastgelegd, een rentevergoeding en aflossingsschema zijn niet overeengekomen, rente is niet betaald of bijgeschreven, zekerheden zijn niet verstrekt, en nimmer heeft [E] enig bedrag terugbetaald. Onder de hiervoor genoemde voorwaarden en omstandigheden acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Verder is het Hof van oordeel dat het debiteurenrisico zodanig groot is dat het niet met een risico-opslag – in bijvoorbeeld een hogere rente – kan worden vergolden. Het Hof gaat ervan uit dat belanghebbende het debiteurenrisico heeft aanvaard om aandeelhoudersmotieven. Dit brengt mee dat sprake is van een onzakelijke lening en dat een boekverlies bij overdracht aan [D] niet ten laste van belanghebbendes winst kan worden gebracht.
4.30.
Indien voornoemde geldlening fiscaalrechtelijk als kapitaal zou moeten worden gezien (vgl. HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442), zou dat evenmin tot het door belanghebbende gewenste gevolg kunnen leiden, nu een vermogensverlies op aandelen onder de deelnemingsvrijstelling zou vallen.
Heffings- en belastingrente
4.31.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte heffings- en belastingrenten. Belanghebbende heeft daartegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Voor zover de belastingaanslagen worden gehandhaafd, dienen ook de in rekening gebrachte heffings- en belastingrenten te worden gehandhaafd.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
4.32.
De procedure in hoger beroep is op 9 juni 2022 aangevangen (zie 1.5). De hogerberoepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak. De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve in totaal iets minder dan 3,5 jaar geduurd. De redelijke termijn van twee jaar is daarom met meer dan een jaar overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op drie maal € 500, ofwel € 1.500. De Staat zal daartoe worden veroordeeld.
Slotsom
4.33.
Het hoger beroep van belanghebbende slaagt voor zover dit betrekking heeft op de navorderingsaanslag Vpb 2009, de aanslag Vpb 2014 en de daarmee samenhangende rentebeschikkingen. Voor het overige slaagt het hoger beroep niet.
4.34.
In de omstandigheid dat pas in hoger beroep de rechter eerst op grondslag van de stukken in bijlage set C kan beslissen, ziet het Hof, anders dan belanghebbende betoogt (zie nader stuk onderdeel 8.12), geen aanleiding om in afwijking van het uitgangspunt dat de hogerberoepsrechter de zaak zelf afhandelt (vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084, r.o. 3.3.4), tot terugwijzing van de zaak over te gaan op de voet van artikel 8:115, lid 1, letter b Awb.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep voor wat betreft de navorderingsaanslag Vpb 2009 en aanslag Vpb 2014 gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 548 te vergoeden.
5.2.
Ook de Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld. Alhoewel de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, is het Hof van oordeel dat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht dient te worden geheven van € 548 (tarief ten tijde van instellen hoger beroep). Voor het achterwege laten van het heffen van griffierecht is geen plaats in het geval waarin de uitspraak van de Rechtbank vernietigd wordt op andere dan de door de Inspecteur aangevoerde gronden. Dat de Inspecteur het hoger beroep nadien heeft ingetrokken, leidt niet tot een ander oordeel.
5.3.
Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om een integrale proceskostenvergoeding voor zowel de beroeps- als hogerberoepsfase vanwege vergaand onzorgvuldig handelen van de Inspecteur.
5.4.
Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding voor de beroepsfase uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken, zodat dit verzoek niet in hoger beroep alsnog aan de orde kan worden gesteld (vgl. HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ5125).
5.5.
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Inspecteur met zijn opstelling in de geheimhoudingsprocedure (zie de tussenuitspraak van 21 januari 2025, r.o. 4.6 tot en met 4.11) in vergaande mate onzorgvuldig gehandeld, hetgeen een grond oplevert om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) aanwezig te achten. Het Hof ziet daarin aanleiding voor de rechtsbijstand tijdens de geheimhoudingsprocedure een proceskostenvergoeding toe te kennen van € 5.000.
5.6.
Verder vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de hoofdzaak in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.402 (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, 0,5 punt voor nadere zitting, wegingsfactor 1,5 (zwaar), waarde per punt € 907). Anders dan belanghebbende betoogt, ziet het Hof geen aanleiding om vanwege vergaand onzorgvuldig handelen van de Inspecteur een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding voor de behandeling van de hoofdzaak toe te kennen.

6.Beslissing

Het Hof:
- verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag Vpb 2009, de aanslag Vpb 2014 en de daarmee samenhangende rentebeschikkingen,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag Vpb 2009 en de aanslag Vpb 2014, alsmede de uitspraken inzake de daarmee samenhangende rentebeschikkingen,
- handhaaft de door de Inspecteur ambtshalve gegeven beslissing tot vernietiging van de navorderingsaanslag Vpb 2009 en de daarmee samenhangende rentebeschikking,
- handhaaft de aanslag Vpb 2014 en de daarmee samenhangende rentebeschikking zoals deze door de Inspecteur ambtshalve zijn verminderd;
-veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 8.402;
-draagt de Inspecteur op het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden;
-bepaalt dat van de Inspecteur voor het ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 548; en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (A.J.H. van Suilen)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.