Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
2.3 De rechtbank Overijssel heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Verder heeft [appellant] in hoger beroep zijn eis gewijzigd.
2.4 Het hof kan nog geen eindoordeel geven. Daarvoor is een nader onderzoek door een deskundige noodzakelijk. Dat wordt hierna uitgelegd. Het hof zal daarbij eerst de relevante feiten vaststellen en daarna de standpunten van partijen bespreken. In dat verband zal het hof ook ingaan op de bezwaren (‘grieven’) van [appellant] tegen de beslissingen van de rechtbank.
3.Relevante feiten
30756(hierna ook: de eerste schademelding).
Oorzaak gebrek" staat bij schadenummer 15 vermeld: “
Optrekkend/doorslaand vocht
86662(hierna ook: de tweede schademelding).
- nummer 8 - als C-schade gekwalificeerd. Dit betreft volgens BBC Bouwmanagement lekkage, met als oorzaak vochtindringing. BBC Bouwmanagement heeft de totale herstelkosten begroot op € 2.487,07 (inclusief btw).
Na de bevingen in 2015 is er forse lekkage en schade ontstaan. De opmerking (…) van BBC is niet juist. De wanden zijn gescheurd, vertonenwelsporen van doorslaand vocht en zijnwelnat". En verder: “
In de kelder zijn in de buitenwanden meer scheuren ontstaan na diverse bevingen in 2015. De kelder loopt momenteel elke 2 weken vol water (2 cm). Tot 2015 was de kelder altijd droog. Dit betekend dat er geen vocht door de keldervloer komt maar vanaf of bovenaf via de buitenwanden. (...)
kelderafdichting wanden
De kelderwanden zijn op diverse plaatsen gescheurd, de scheurvorming is verticaal en horizontaal. (...)
€ 27.793,70 (inclusief btw).
“
Ter afronding van uw ‘oude’ schademelding(en) doet [geïntimeerde] u graag het volgende aanbod. [geïntimeerde] is bereid de schades die u vóór 31 maart 2017 heeft gemeld aan u te vergoeden, met uitzondering van schades die volgens de uitspraken van de Arbiter Bodembeweging evident niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hiermee geeft [geïntimeerde] uitvoering aan de afspraken die met het kabinet en de Groningse bestuurders zijn gemaakt over de afhandeling van de ‘oude’ schademeldingen.
Uw gebouw ligt in het gebied waar zich aardbevingen hebben voorgedaan als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Gezien de ligging van uw gebouw erkent [geïntimeerde] dat niet kan worden uitgesloten dat aardbevingen (een deel van) de door u gemelde schade hebben veroorzaakt.”
[geïntimeerde] biedt [appellant] in het vervolg van de brief € 22.000,- inclusief btw voor schadeherstel aan. [appellant] krijgt drie weken de tijd om het aanbod te accepteren, bij gebreke waarvan het komt te vervallen.
[appellant] heeft niet met dit voorstel ingestemd.
“
zal zich - zoals te doen gebruikelijk - conformeren aan de uitspraak van de Arbiter . [geïntimeerde] is in beginsel bereid uitvoering te geven aan de uitspraak van de Arbiter Bodembeweging en de schade conform de uitspraak van de Arbiter Bodembeweging te vergoeden.”
Zij schrijft verder dat zij ook bereid is de schade in haar opdracht te laten herstellen conform de door de Arbiter voorgeschreven wijze van herstel, maar dat zij niet bereid is een hoger bedrag te vergoeden dan de arbiter heeft toegewezen en dat zij aansprakelijkheid voor gevolgschade van de hand wijst. Wanneer [appellant] het niet eens is met de uitspraak van de arbiter, staat het hem vrij de zaak voor te leggen aan de civiele rechter, aldus [geïntimeerde] .
“
Dit rapport beschrijft de Root Cause Analysis (hierna 'RCA') uitgevoerd met als doel de oorzaak, of oorzaken, van de schade aan het eigendom van de [appellant] (hierna: ' [appellant] '), staande en gelegen aan de [adres1] te [woonplaats] , te achterhalen. Het eigendom betreft een vrijstaande woning met kelder onder de volledige woning (hierna afzonderlijk ’de Woning' en 'de Kelder'). Dit onderzoek beperkt zich tot de schade aan de Kelder. In dit onderzoek zoeken wij naar het verband tussen de schade, de Woning en de
4.De beoordeling van het geschilTegen welke vonnissen is het hoger beroep gericht?4.1In deze zaak is het eindvonnis gewezen door de rechtbank Overijssel. Aan dit eindvonnis zijn tussenvonnissen van 17 maart 2021, 5 oktober 2022 en 31 mei 2023 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen voorafgegaan.In de appeldagvaarding heeft [appellant] (alleen) aangegeven in beroep te komen tegen het eindvonnis van de rechtbank Overijssel. In de memorie van grieven heeft hij, onder meer, gevorderd dat “het vonnis waarvan beroep” wordt vernietigd. Uit de memorie van grieven blijkt echter dat hij ook bezwaren heeft tegen het tussenvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2021.. De beide eerste grieven zijn gericht tegen beslissingen uit die vonnissen. Omdat volgens vaste rechtspraak Hoge Raad de appeldagvaarding slechts een ‘noodverband’ is waarop in de memorie van grieven kan worden voortgebouwd en de reikwijdte van het hoger beroep door de inhoud van de memorie van grieven wordt bepaald, zal het hof ervan uitgaan dat het hoger beroep ook is gericht tegen het tussenvonnis van 17 maart 2021. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] dat ook kunnen begrijpen, omdat dit tussenvonnis duidelijk wordt aangeduid in grief I en de toelichting erop. Dat het tussenvonnis in de conclusie van de memorie niet worden genoemd, verdient niet de schoonheidsprijs, maar legt onvoldoende gewicht in de schaal.De wijziging van eis4.2 [appellant] heeft in de memorie van grieven zijn eis gewijzigd. Hij vordert nu dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem geleden schade aan de woning en de kelder als gevolg van aardbevingen die zijn veroorzaakt door gaswinning.Verder vordert hij (naast een proceskostenveroordeling van [geïntimeerde] ) dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot vergoeding van schade, althans vergoeding van een voorschot van€ 235.634,94 met daarbij verwijzing naar een schadestaatprocedure, althans tot vergoeding van schade op te maken bij staat.4.3 De eiswijziging is tijdig ingesteld. [geïntimeerde] heeft zich er niet tegen verzet en het hof ziet geen reden de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis. Die eis komt erop neer dat het hof de omvang van de schade, op basis van de actuele herstelkosten, vaststelt en [geïntimeerde] tot betaling van dat bedrag veroordeelt. Als het hof de schade niet zelf vaststelt, dient het gevorderde bedrag van€ 235.634,94 te worden toegewezen als voorschot en dient de zaak ter bepaling van het meerdere te worden verwezen naar de schadestaatprocedure.4.4 Bij de rechtbank had het bedrag van € 235.634,94 alleen betrekking op de tweede schademelding. Ten aanzien van de derde schademelding was een aparte vordering van€ 6.427,52 ingesteld. Die vordering is in de gewijzigde eis niet meer apart vermeld. De memorie van grieven bevat geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat [appellant] deze vordering heeft willen laten vallen. Tijdens de mondelinge behandeling is ook gebleken dat dit niet het geval is. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat de primaire vordering inhoudende dat het hof de schade vaststelt, ook betrekking heeft op de schades in de derde schademelding.Om welke schades gaat het?4.5 De tweede en derde schademelding zijn nog niet afgewikkeld. Uit de processtukken van [appellant] volgt dat deze schademeldingen de inzet vormen van de door hem ingestelde procedure.De tweede schademelding betrof acht schades (zie 3.4). De schades 1 tot en met 7 hadden betrekking op het zwembad, de tuinmuur en delen van de woning (voor- en zijgevel, woonkamer en kamer aan de achterzijde op de begane grond). Alleen schade 8 betrof de kelder. In de procedure bij de arbiter is het voor wat betreft de tweede schademelding alleen over de omvang van de herstelkosten gegaan. De arbiter heeft daarover een knoop doorgehakt door de kosten van twee mogelijke herstelmethodes te middelen (zie 3.12). Uit de uitspraak van de arbiter blijkt dat die herstelmethodes alleen betrekking hadden op de schade aan de kelder, dus op schade 8. Over de kosten van de andere zeven schades heeft de arbiter niets beslist.4.6 Het hof stelt vast dat de vordering van [appellant] wat betreft de tweede schademelding ook alleen betrekking heeft op de schade aan de kelder (met gevolgschade, deels in de woning). [appellant] heeft zijn vordering bij de rechtbank gebaseerd op offertes betreffende het waterdicht maken van de kelder, het opnieuw in gebruik kunnen nemen van de kelder en het herstel van de bedoelde gevolgschade. In de procedure bij het hof is het ook alleen maar over de kelder en de gevolgschade gegaan, niet over de zeven andere posten. Het subsidiair gevorderde voorschot is wat betreft de tweede schademelding ook alleen gebaseerd op de oorspronkelijke begroting van de herstelkosten van de kelder en de gevolgschade. Dat betekent dat het hof niet kan toekomen aan de vraag of [appellant] ook aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van herstel van de zeven andere schades.4.7 Dat is anders voor de schades in de derde schademelding (inclusief de nagekomen posten). Volgens [appellant] is met herstel van die schades € 6.427,52 gemoeid. Dat bedrag heeft hij bij de rechtbank uitdrukkelijk gevorderd. Zoals hiervoor is overwogen is in de procedure bij het hof geen concreet bedrag gevorderd betreffende deze schades, maar vordert [appellant] wel dat de [geïntimeerde] wordt veroordeeld deze (door het hof te begroten) schades te vergoeden.4.8 De resterende schade in de tweede schademelding, schade 8, betreft de kelder. De schades in de derde schademelding hebben geen betrekking op de kelder, maar op de woning. Dat betekent dat, anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen, het in deze procedure niet alleen om schade aan de kelder gaat, maar ook om schade aan de woning.Erkenning causaal verband?4.9 Volgens [appellant] had de rechtbank uit de brief van [geïntimeerde] van 21 december 2018 (zie 3.17), waarin [geïntimeerde] aangaf zich te conformeren aan het oordeel van de arbiter, en uit de brief van 9 mei 2018 (zie 3.16), waarin [geïntimeerde] schrijft dat zij erkent dat niet kan worden uitgesloten dat aardbevingen (een deel van) de gemelde schade hebben veroorzaakt, moeten afleiden dat tussen partijen de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] al vaststond. Om die reden kon de rechtbank niet tot het oordeel komen dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is. In de genoemde brieven heeft [geïntimeerde] haar aansprakelijkheid voor de schade aan de kelder erkend en op die erkenning kan zij niet terugkomen, begrijpt het hof het standpunt van [appellant] . [appellant] wijst er in dat kader nog op dat, gelet op de afhandeling van de eerste schadeclaim, tussen partijen vaststaat dat de schade aan de binnenmuren van de kelder het gevolg is van (dan wel verergerd is door) trillingen van bevingen.4.10 De rechtbank Noord-Nederland is in het tussenvonnis van 17 maart 2021 uitvoerig ingegaan op de betekenis van de afhandeling van de schademeldingen en van de uitspraak van de arbiter voor de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] . In 4.2 van dat vonnis overwoog de rechtbank daarover dat gelet op de schadeafhandeling, waarin diverse schades als B-schades zijn erkend, en de uitspraak van de arbiter, geen al te hoge eisen konden worden gesteld aan de stelplicht van [appellant] betreffende het verband tussen scheurvorming en aardbevingen. Maar volgens de rechtbank is zij niet gebonden aan het oordeel van de arbiter over de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] . Tegen deze beslissing heeft [appellant] geen grief gericht. Het hof moet dan ook van de juistheid van deze beslissing uitgaan.4.11 De rechtbank heeft de brief van 9 mei 2018, waarop [appellant] zich nu beroept, niet in haar oordeel betrokken. In deze brief toont [geïntimeerde] zich bereid € 22.000,- schadevergoeding (ongeveer het door de arbiter toegewezen bedrag) aan schadevergoeding te betalen voor de in de tweede en derde schademelding betrokken schades. In de motivering van dat aanbod schrijft [geïntimeerde] dat zij erkent dat niet kan worden uitgesloten dat aardbevingen (een deel van) de door [appellant] gemelde schade hebben veroorzaakt. Die erkenning betreft inderdaad, zoals [appellant] stelt, het causaal verband tussen de schade en de aardbevingen. Maar [geïntimeerde] erkent, anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, niet dat dit causaal verband vaststaat. Allereerst heeft de erkenning niet zonder meer betrekking op alle schades, maar op de schade of een deel ervan. Bovendien is de erkenning nogal ‘zuinig’ geformuleerd: “niet kan worden uitgesloten dat (…)”. [geïntimeerde] erkent daarmee niet dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW niet kan worden weerlegd; daarvoor is immers vereist dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk.De enkele erkenning dat niet kan worden uitgeslotendat aardbevingen door gaswinning de schade (of een deel ervan) heeft veroorzaakt, staat er niet aan in de weg dat voldoende aannemelijk kan worden gemaakt dat de schade toch niet door die aardbevingen is veroorzaakt, bijvoorbeeld doordat bij verder onderzoek blijkt dat voldoende aannemelijk is dat de schade toch een andere oorzaak heeft.4.12 Het hof volgt [appellant] dan ook niet in het betoog dat [geïntimeerde] met de brief van 9 mei 2018 haar aansprakelijkheid voor de schade heeft erkend en daaraan gehouden kan worden.Ook de brief van [geïntimeerde] van 21 december 2018 houdt niet een dergelijke erkenning in, ook niet als die brief gelezen wordt in samenhang met de brief van 9 mei 2018. [geïntimeerde] vermeldt in de brief dat hij ‘zoals te doen gebruikelijk’ zich zal conformeren aan de uitspraak van de Arbiter. Dat [appellant] die vermelding heeft begrepen en redelijkerwijs ook heeft mogen begrijpen aldus dat [geïntimeerde] aansprakelijkheid erkende, ook indien [appellant] ervoor zou kiezen om gebruik te maken van de in diezelfde brief genoemde mogelijkheid om het geschil alsnog voor te leggen aan de rechter, is niet voldoende duidelijk en gemotiveerd gesteld en valt zonder nadere toelichting en onderbouwing in elk geval ook niet in te zien.Kan [appellant] zich op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW beroepen?4.13 [appellant] heeft zich op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW beroepen. Volgens [geïntimeerde] was niet voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op dat vermoeden. Dat verweer van [geïntimeerde] heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 17 maart 2021 verworpen. Het hof is dat met de rechtbank eens. Het gaat, zowel wat betreft de woning als de kelder, om schades die naar hun aard (scheurvorming, lekkage van een kelder) redelijkerwijs kunnen zijn veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van gaswinning.Heeft [geïntimeerde] ten onrechte de gelegenheid gekregen W+B (langdurig) onderzoek te laten doen?4.14 Volgens [appellant] heeft de rechtbank [geïntimeerde] ten onrechte de gelegenheid gegeven in het kader van het in artikel 6:177a lid 2 BW bedoelde onderzoeksrecht onderzoek te laten doen door W+B . [geïntimeerde] heeft in de voorfase voldoende gelegenheid gehad om onderzoek te doen. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte geen paal en perk gesteld aan de duur van het onderzoek door W+B , dat veel langer heeft geduurd dan partijen waren overeengekomen. Ten slotte heeft de rechtbank het zeer omvangrijke rapport (met alle bijlagen meer dan 1.000 bladzijden) ten onrechte toegelaten tot het geding.4.15 Wat er ook zij van de manier waarop het onderzoek van W+B tot stand is gekomen, het onderzoek is verricht en heeft geleid tot een (inderdaad zeer omvangrijk) rapport. [appellant] heeft er ook mee ingestemd dat [geïntimeerde] de gelegenheid zou krijgen om onderzoek te laten doen. Partijen hebben daarover een procesafspraak gemaakt. Vervolgens heeft de rechtbank [geïntimeerde] (inderdaad langdurig) uitstel verleend voor het in het geding brengen van het rapport. Hoewel het hof zich kan voorstellen dat [appellant] daar ongelukkig mee was, kon de rechtbank dat uitstel verlenen toen bleek dat het onderzoek meer tijd vergde dan aanvankelijk was gedacht. In het tussenvonnis van 5 oktober 2022 heeft de rechtbank die beslissing gemotiveerd. Het hof stelt vast dat [appellant] geen grieven heeft gericht tegen dat tussenvonnis, zodat deze beslissing hier niet ter discussie staat. Alleen om die reden al heeft de rechtbank het rapport vervolgens terecht toegelaten. Dat het een omvangrijk rapport betreft doet daaraan niet af. Gesteld noch gebleken is dat de rechtbank op voorhand beperkingen heeft gesteld aan de omvang van het rapport.4.16 Maar ook als de bezwaren van [appellant] tegen het in het geding brengen van het rapport terecht zijn, rijst de vraag wat daarvan de consequenties moeten zijn. Het rapport ligt er nu eenmaal. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van [appellant] op die vraag terecht niet geantwoord dat het rapport buiten beschouwing moet blijven. Een deugdelijke grondslag daarvoor ontbreekt ook.4.17 Het hof gaat dan ook voorbij aan de bezwaren van [appellant] tegen het in het geding brengen van het rapport van W+B .Dat doet er overigens niet aan af dat het hof het met [appellant] eens is dat de rechtbank hem ruimschoots de gelegenheid had moeten bieden om op het rapport te reageren. De rechtbank heeft [appellant] die gelegenheid onvoldoende geboden. In de procedure bij het hof heeft [appellant] die gelegenheid wel gehad. Hij heeft in zijn memorie van grieven uitvoerig gereageerd op de inhoud van het rapport van W+D en heeft een rapport van een eigen deskundige overgelegd, waarin kritiek wordt geleverd op het rapport van W+B .Uitgangspunten betreffende het verband tussen de schade en de gaswinning
€ 6.427,52 op basis van een offerte van BBS van 26 augustus 2019. Die offerte is gedateerd. Bovendien heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen onderdelen van de offerte. Om die reden kan het hof de schade nog niet begroten. Het verdient aanbeveling dat [appellant] een nieuwe offerte vraagt en in het geding brengt, zo mogelijk een waarin de kritiekpunten van [geïntimeerde] op de eerdere offerte wordt geadresseerd. Wanneer dat niet tot voldoende duidelijkheid over de omvang van de schade leidt, zal een deskundige die moeten vaststellen.
ongeschikte methode van onderzoektoegepast door, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellant] , niet op de juiste manier de relevante trillingssnelheden toe te passen en door daar bovendien een onjuiste conclusie aan te verbinden. W+B stelt in haar rapport vast dat de aardbeving bij Muntendam uit 2016 de maatgevende beving is, de beving met de hoogste trillingssnelheden op de locatie. De trillingssnelheid (piekgrondsnelheid – PGV) bij deze aardbeving bedraagt, rekening houdend met een overschrijdingskans van 25%, volgens W+B 2,31 mm/s, ruim onder de geldende grenswaarde van 2,94 mm/s. Om die reden hebben de aardbevingen “
‘vrijwel (geen)’ aandeel (kans ordergrootte 0-1%)” gehad in het ontstaan of verergeren van de schade.
Vergnes heeft kritiek op de wijze waarop W+B de trillingssnelheid heeft bepaald. Vergnes wijst erop dat volgens de trillingstool van het IMG sprake is van een PGV van 5,98 mm/s (met een overschrijdingskans van 1%). Dat is aanzienlijk boven de grenswaarde. De maatgevende beving is ook niet die van Muntendam uit 2016, maar die van Hellum van
30 september 2015. Bovendien verwart W+B volgens Vergnes voorspellende en verklarende kansen, door op basis van de berekende trillingssnelheid aardbevingen als oorzaak van de schade uit te sluiten.
In haar reactie op het rapport van Vergnes stelt W+B dat de aardbeving bij Hellum inderdaad de maatgevende aardbeving is, maar dat de PGV van die aardbeving (bij een overschrijdingskans van 25%) 1,56 is.
“
Alleen al om deze reden kent het hof ook geen betekenis toe aan de berekening door [de deskundige] van de kans op schade aan de boerderij door aardbevingen. Die kans is immers gebaseerd op een maximale trillingssnelheid van (…). Los daarvan acht het hof de betekenis van deze kans niet maatgevend voor het antwoord op de vraag of de schade aan de boerderij is veroorzaakt door aardbevingen. De door [geïntimeerde] berekende kans is de kans dat een aardbeving met een bepaalde kracht en op een bepaalde afstand van een gebouw van een bepaald type schade veroorzaakt aan dat huis. Dat is een voorspellende kans. Maar die kans is een heel andere dan de kans dat eenmaal vastgestelde schade door een aardbeving is veroorzaakt (de verklarende kans).(…) Ook als de eerste kans heel klein is, kan de tweede kans nog steeds erg groot bevonden worden. Of dat het geval is, is afhankelijk van de informatie over alle mogelijke oorzaken van de schade. Voor de weerlegging van het bewijsvermoeden dat de schade aan de boerderij is veroorzaakt door de aardbevingen, is een voorspellende kans naar het oordeel van het hof dan ook niet relevant, indien eenmaal is vastgesteld - zoals hier - dát de schade door de aardbeving kan zijn veroorzaakt (hoe klein de voorspellende kans daarop ook is). Voor zover [geïntimeerde] met een beroep op de in het rapport van [de deskundige] vermelde kans op schade wil betogen dat het onwaarschijnlijk is dat de schade is veroorzaakt door aardbevingen, stuit dat betoog af op de algemene ervaringsregel dat een voorspellende kans geen verklarende kans is.”
Om deze reden zal het hof vooralsnog in het midden laten wat de maximale trillingssnelheid is. Ook als de door W+B berekende trillingssnelheid de juiste is, betekent dat nog niet dat daarmee het bewijsvermoeden is weerlegd. Daarvoor is noodzakelijk dat [geïntimeerde] met het rapport van W+B voldoende aannemelijk maakt dat sprake is van een andere oorzaak van de schade aan de kelder.
onjuiste onderzoeksvraag. De vraag “
Wat is de technische oorzaak van de bouwkundige schade aan de kelder?” is te breed. Volgens Vergnes had W+D moeten onderzoeken of sprake is van “
een evident uitsluitende aantoonbaar oorzaak anders dan mijn bouwactiviteiten”.
Zoals hiervoor is overwogen, dient [geïntimeerde] in het kader van het leveren van tegenbewijs te bewijzen (in de zin van: voldoende aannemelijk te maken) dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. In de praktijk betekent dit dat [geïntimeerde] zal moeten bewijzen dat sprake is van een alternatieve oorzaak voor de schades aan de kelder en dat het vanwege die oorzaak aannemelijk is dat de schade ook zonder de bodembeweging op enig moment in de toekomst zou zijn opgetreden. Uit het rapport van W+D volgt dat W+D ook heeft gezocht naar zo’n alternatieve oorzaak en meent die oorzaak (oorzaken) ook gevonden te hebben. De kritiek van Vergnes op de onderzoeksvraag mist om die reden relevantie. Beslissend is of de bevindingen van W+B over de alternatieve oorzaak deugdelijk en afdoende zijn.
alternatieve oorzaak. De oorzaak is - samengevat - dat de kelder niet is uitgevoerd als waterdichte constructie waardoor in de loop der jaren vochtproblemen kunnen ontstaan door grondwater en neerslag. Daarnaast is sprake van scheurvorming in de kalkzandstenen binnenwanden door de oplegging van stalen balken en de betonlatei boven de deur aan de achterzijde van de kelder.
a. Wilt u beoordelen of de kelder is uitgevoerd volgens de daaraan te stellen eisen uitgaande van een voorgenomen gebruik van een “woonkelder?
Wilt u bij uw antwoord op de vraag de ten tijde van de aanleg van de kelder geldende bouwkundige voorschriften betrekken en ook de bevindingen van W+B , en de kritiek daarop van Vergnes , bespreken?
b. Indien het antwoord op vraag a. ontkennend luidt: op welk onderdeel (welke onderdelen) schiet de uitvoering van de kelder te kort en wat zijn daarvan de gevolgen, onder meer wat betreft de waterdichtheid van e kelder?
c. Indien uw antwoord op vraag a. ontkennend luidt: zou de lekkage en de waterschade die zich nu voordoet, zich (naar uw verwachting ) ook (in deze mate) hebben voorgedaan wanneer geen sprake was geweest van bodembeweging wegens de aardgaswinning?
d. Hoe beoordeelt u de bevindingen van W+B over de oplegging van de stalen balken en de betonlatei en de gevolgen daarvan?
e. Indien u de bij vraag d. bedoelde bevindingen van W+B geheel of gedeeltelijk deelt: zou de scheurvorming zich ook (in deze mate) hebben voorgedaan wanneer geen sprake was geweest van bodembeweging wegens de aardgaswinning?
f. Geeft uw onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen die voor de beoordeling van het geschil tussen partijen mogelijk van belang zijn?