Uitspraak
en bij de kantonrechter optrad als eiser
en bij de kantonrechter gedaagde was
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven met wijziging van eis
- de memorie van antwoord
- het arrest van 26 augustus 2025 waarbij een enkelvoudige mondelinge behandeling is bepaald
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 oktober 2025 is gehouden
2.De kern van de zaak
De Gemeente deelt in die brief mee dat zij dit gaat doen. Nadat was gebleken dat dit niet meer mogelijk was omdat het dienstverband reeds was beëindigd, heeft de Gemeente zich op het standpunt gesteld dat het werkgeversgedeelte niet meetelt bij de berekening van de waarde van een vakantiedag.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
Zij zijn het er verder over eens dat uit de jurisprudentie volgt dat het begrip “loon” ruim opgevat dient te worden en dat daaronder verstaan dient te worden het overeengekomen loon en alle looncomponenten die intrinsiek samenhangen met de taken die de werknemer zijn opgedragen zijn in het kader van zijn arbeid.
Waar zij van mening over verschillen is of de werknemer ook aanspraak heft op uitbetaling van het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie. Volgens [appellant] behoort ook die waarde tot het loon waarop aanspraak bestaat bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van de dienstbetrekking. De Gemeente betwist dat.
Het werkgeversdeel van de pensioenpremie
in de pensioenpremie.
Het hof beantwoordt beide vragen ontkennend en licht dat als volgt toe.
“het werknemersgedeelte van de pensioenpremie die de werkgever verplicht heeft afgedragen tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer, valt onder het loonbegrip van art. 6:107a BW. Het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie valt niet onder dit loonbegrip.” [2] Weliswaar heeft deze uitspraak geen betrekking op het loon dat uitbetaald moet worden in het geval van uitbetaling van een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen, maar het hof ziet niet in waarom bij het werkgeversregres moet worden uitgegaan van een ander loonbegrip dan bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. [appellant] heeft er wel op gewezen dat bij het werkgeversregres een “civiel plafond” geldt -kort gezegd: de werkgever kan ter zake doorbetaald loon aan de arbeidsongeschikte werknemer op de aansprakelijke partij niet meer verhalen dan het bedrag waarop de werknemer jegens de aansprakelijke partij aanspraak zou hebben als zijn loon niet was doorbetaald- en dat dit geen rol speelt voor het loon bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen, maar waarom het “civiel plafond” een relevant verschil maakt voor de beide loonbegrippen, is door [appellant] niet overtuigend toegelicht en ziet het hof ook niet in.
“Indien de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aangaat heeft hij tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op vakantie zonder behoud van loon gedurende het tijdvak waarover hij (…) nog aanspraak op vakantie had”.
Ook dit argument gaat niet op, op grond van het volgende.
Integendeel, [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangevoerd dat hij van de mogelijkheid van onbetaald verlof bij een opvolgend werkgever geen gebruik heeft gemaakt en ook niet had willen maken.
Wat [appellant] verder nog heeft aangevoerd, zoals met zijn vierde grief, leidt niet tot een andere beslissing en kan daarom buiten nadere beschouwing blijven.