Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in beide hoger beroepen
- de dagvaarding in hoger beroep van EsVePe
- de memorie van grieven van EsVePe
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geintimeerde]
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van EsVePe.
2.De kern van de zaak en de vaststaande feiten
In 2021 vindt een herbeoordeling van de Koopprijs Aandelen plaats, door middel van een herberekening van de waarde die MTH heeft vastgesteld op 4 april 2016 op basis van de dan gerealiseerde omzet in de periode 2016-2020. Alleen een calamiteit in de ontwikkeling van de omzet kan tot een neerwaartse bijstelling van de Koopprijs Aandelen leiden. Er zal geen opwaartse bijstelling plaatsvinden. Een verschil tussen de herbeoordeling en de oorspronkelijke Koopprijs Aandelen wordt in mindering gebracht op de hoofdsom van de Vendor Loan[hof: de geldlening]
, waardoor de aflossingen per kwartaal worden aangepast. Voor het overige blijven de bepalingen over de Vendor Loan in stand.’
Met betrekking tot deze geldlening is tussen ondergetekenden overeengekomen:[…]
en Hi-Tech[…]
. Er zal geen opwaartse bijstelling plaatsvinden. Een eventuele neerwaartse bijstelling vindt plaats per de datum van de herbeoordeling en wordt verrekend door het verschil -per de datum dat de neerwaartse bijstelling tot stand komt- in mindering te brengen op de hoofdsom van onderhavige geldlening, met dien verstande dat de hoofdsom nimmer minder zal bedragen dan een honderd duizend euro (€ 100.000,00). De door de schuldenaar over de periode tot de herbeoordeling betaalde rente zal niet aan hem worden vergoed en is verschuldigd betaald.
indien de schuldenaar in gebreke mocht blijven in de nakoming der krachtens deze akte of de wet op hun rustende verplichtingen[…]
;[…]
Tot op heden blijft het cumulatieve resultaat 1MEuro achter bij de prognose die bij de verkoop is gehanteerd, hetgeen overeenkomt met een calamiteit in de omzet ontwikkeling. Dit houdt in dat, hoe ik het ook wend of keer, de vendor loan bij de herwaardering van volgend jaar van 900K zal zakken naar 100K.[…]’.
We streven er naar om midden februari de jaarcijfers definitief te hebben en dan kunnen Radarxense en Hi-Tech gewaardeerd worden. Om appels met appels te vergelijken zullen we de waardering methodiek toepassen die in 2016 ook gehanteerd is. De prognoses die destijds gemaakt zijn, worden dan vervangen door het gerealiseerde resultaat. In de bijlage vind je een Excel sheet met de basis van deze berekeningen.’
3.De procedure bij de rechtbank en het geschil in de beide hoger beroepen
4.De beslissing van het hof in beide hoger beroepen
entire agreement clause’) waaruit dit volgt. Daar komt bij dat partijen niet hebben onderhandeld over de desbetreffende clausule in de intentieovereenkomst, maar dat [adviseur1] uit eigen beweging deze clausule in de eerste concept versie van de intentieovereenkomst heeft opgenomen en dat die clausule zonder verdere bespreking of onderhandelingen in de latere drie concept versies en in door partijen ondertekende versie is blijven staan. Op de vraag naar de reden waarom [adviseur1] in zijn e-mail van 15 december 2016 aan de notaris, met als bijlage de door partijen ondertekende intentieovereenkomst, in zijn opsomming van wat er in de overeenkomst van geldlening moest komen te staan niet óók de voorwaarde van de calamiteit in de ontwikkeling van de omzet heeft genoemd, bleef [geintimeerde] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het antwoord schuldig. EsVePe heeft daarover verklaard dat het haar destijds eenvoudigweg niet is opgevallen dat de bepaling over de herwaardering niet volledig (want zonder die voorwaarde) in de overeenkomst van geldlening was overgenomen. In dit licht bezien komt geen betekenis toe aan het argument van [geintimeerde] dat EsVePe op andere onderdelen wél wijzigingen wenste in de concept overeenkomst van geldlening. Voor het vervallen van de clausule is geen plausibele verklaring gekomen. Gesteld noch gebleken is dat partijen dit nader zijn overeengekomen. Gelet op de beschreven gang van zaken bij de totstandkoming van de intentieovereenkomst en van de overeenkomst van geldlening heeft [geintimeerde] er daarom niet in redelijkheid op mogen vertrouwen dat de clausule niet meer geldt omdat die niet in de overeenkomst van geldlening staat. Het hof leest evenals EsVePe de beide overeenkomsten in onderlinge samenhang en beschouwt de clausule als tussen partijen overeengekomen en geldend. Deze uitleg van wat partijen met elkaar zijn overeengekomen strookt met het feit dat [geintimeerde] op een eerder moment kennelijk ook hiervan is uitgegaan, zoals blijkt uit haar e-mail aan EsVePe van 9 januari 2020 (zie r.o. 2.8 van dit arrest). Daarin gebruikt zij letterlijk de woorden ‘
calamiteit in de omzet ontwikkeling’ (als reden voor haar verwachting dat de geldlening ‘
bij de herwaardering van volgend jaar van 900K zal zakken naar 100K’). Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep kwam er van [geintimeerde] voor dit exact met de clausule overeenstemmende woordgebruik geen verklaring waaruit zou kunnen volgen dat zij hiermee in die e-mail níet aanhaakte bij de inhoud van artikel 3.3 onder e van de intentieovereenkomst. Het hof voelt zich in de hiervoor weergegeven uitleg van de door partijen gesloten overeenkomsten ook nog gesteund door de hiervoor (in r.o. 4.3 van dit arrest) aangehaalde overweging van de rechtbank over de duidelijkheid tussen partijen die op dit punt tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg is ontstaan, al kent het hof hieraan geen doorslaggevende betekenis toe omdat een proces-verbaal van deze zitting ontbreekt waaruit het hof kan afleiden hoe die duidelijkheid dan voor de rechtbank is ontstaan.
ontwikkeling van de omzet’, ii) wat hebben partijen bedoeld met ‘
calamiteit’ en iii) heeft zich een calamiteit in de ontwikkeling van de omzet voorgedaan, in het licht van het antwoord op i) en ii).
ontwikkeling van de omzet’ hebben onderhandeld, hecht het hof groot belang aan de taalkundige betekenis ervan, bezien in het licht van wat partijen verder zijn overeengekomen en de daarbij relevante omstandigheden. ‘
Omzet’ staat er in het enkelvoud, wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs door EsVePe opgevat kon en mocht worden als de omzet van beide ondernemingen gezamenlijk. Partijen hebben immers een
package dealgesloten: voor de aandelen van beide ondernemingen is één koopprijs betaald en voor een deel daarvan één is geldlening verstrekt. Dat voor het bepalen van die koopprijs de ondernemingen afzonderlijk zijn gewaardeerd met gebruikmaking van niet-geconsolideerde omzetprognoses doet hieraan op zichzelf niet af. De neerwaartse bijstelling die zou volgen bij een calamiteit in de omzetontwikkeling zou de hoofdsom van die éne geldlening voor de gezamenlijke koopprijs van de aandelen raken. In haar e-mail van 9 januari 2020 aan EsVePe (zie r.o. 2.8 van dit arrest) schrijft [geintimeerde] over achterblijvend ‘cumulatief’ resultaat. Ook [adviseur1] telt in zijn e-mail van 4 november 2022 aan [geintimeerde] (in antwoord op vraag 3) de omzetdalingen en stijgingen van beide ondernemingen over de jaren 2016 en 2017 bij elkaar op, om vervolgens aan de gezamenlijke omzetdaling een conclusie te verbinden, zoals een ‘substantieel’ te noemen totaal tekort aan omzet over 2016. Dat [geintimeerde] en [adviseur1] in hun berichten uitgaan van cumulatieve dan wel gezamenlijke cijfers pleit voor de juistheid van het standpunt van EsVePe.
een herberekening[…]
op basis van de dan gerealiseerde omzet in de periode 2016 - 2020’. Dit duidt erop dat het zou gaan om de gerealiseerde omzet gedurende de hele periode van vijf jaar. [geintimeerde] heeft het bovendien in haar e-mail van 4 januari 2021 (r.o. 2.9) zelf ook over het afwachten van de jaarcijfers – gelet op de datum van de e-mail zullen dit de cijfers over 2020 zijn – zodat dan de waardering kan worden uitgevoerd. Dit duidt erop dat [geintimeerde] er ook van uitgaat dat de waardering ziet op de gehele periode en over beide vennootschappen samen. Tot slot heeft [geintimeerde] niet gemotiveerd betwist dat zij in 2016 door de positie van [geintimeerde] binnen de beide ondernemingen bekend was met het gegeven dat het verloop van de omzet van de beide ondernemingen per jaar aanzienlijk kon variëren. Daar past de partijbedoeling zoals [geintimeerde] die ziet minder goed bij. Het hof gaat er daarom vanuit dat in het onderhavige geschil beoordeeld moet worden of sprake is van een calamiteit in de ontwikkeling van de omzet van de beide ondernemingen gezamenlijk, bezien over de gehele periode van 2016 tot en met 2020.
calamiteit’ in de ontwikkeling van de omzet voorgedaan: niet in de omzetontwikkeling van beide ondernemingen in de relevante periode gezamenlijk, maar ook niet als dat – ten onrechte – per onderneming en/of per jaar zou worden bekeken. EsVePe definieert calamiteit als ‘(grote) ramp’ en in de context van de omzet van een bedrijf als ‘een plotselinge, ernstige, onverwachte, van buiten komende oorzaak, die niet meer als een gebruikelijk ondernemersrisico kan worden beschouwd’, en noemt als voorbeeld Covid-maatregelen. Een lagere omzet dan geprognotiseerd door het wegvallen van de handel met een of meer zakenrelaties valt niet onder calamiteit maar behoort tot het ondernemersrisico van [geintimeerde] , aldus EsVePe. Dat geldt naar haar mening des te meer als de mogelijkheid van lagere omzetten in het algemeen en voor 2016 in het bijzonder vóór het sluiten van de overeenkomst al bij [geintimeerde] bekend was en door haar is geaccepteerd, ondanks dat EsVePe daarvoor geen garanties wilde geven. Bovenal wijst EsVePe erop dat, uiteindelijk, de omzet over het geheel genomen zelfs veel hoger is uitgevallen dan geprognotiseerd. Volgens [geintimeerde] is de voorwaarde inzake herwaardering juist in de intentieovereenkomst opgenomen in verband met bepaalde (vooral omzetgerelateerde) risico’s die [geintimeerde] zag voor de bedrijfsvoering van Radarxense en Hi-Tech (zoals het wegvallen van [naam2] , een belangrijke relatie), om [geintimeerde] bescherming te bieden tegen eventueel te rooskleurige prognoses. Zij voelt zich gesteund in deze opvatting door [adviseur1] . Calamiteit duidt volgens [geintimeerde] dan ook op ‘een ramp’, ‘een plotselinge dip ten opzichte van de prognose’, ‘een substantieel lagere omzet dan geprognotiseerd’, zoals ook is verwezenlijkt. Tijdens de mondelinge behandeling is door en namens [geintimeerde] verder nog op vragen van het hof geantwoord dat ‘calamiteit’ moet worden uitgelegd als ‘een fors lagere gerealiseerde bruto marge’, ‘een enorme tegenslag’ of, omgekeerd, dat het gelet op de clausule voor [geintimeerde] haalbaar moest zijn om aan de verplichtingen uit de overeenkomsten te voldoen.
calamiteit’ in de voorwaarde voor herbeoordeling van de koopprijs van de aandelen gaat het hof ook hier bij de uitleg ervan om te beginnen uit van de taalkundige betekenis, bezien in het licht van de verdere feiten en omstandigheden rondom de totstandkoming van de overeenkomsten. Het hof volgt [geintimeerde] niet in haar opvatting dat, samengevat, van een calamiteit sprake is als de omzetontwikkeling (al dan niet: fors) achterblijft bij de prognose. De clausule die [adviseur1] – dit staat vast tussen partijen – zonder bespreking met partijen in de intentieovereenkomst heeft opgenomen bevat geen enkele concrete verwijzing naar de (omzet)risico’s die [geintimeerde] voorzag en in haar e-mails in de eerste helft van 2016 aan EsVePe benoemde. De uitleg die [adviseur1] in antwoord op vraag 2 van [geintimeerde] mailde op 4 november 2022 geeft aan de term calamiteit – ‘een substantieel lagere realisatie van de omzet ten opzichte van de in de waardering gehanteerde prognose’ – kan niet dienen als weergave van de partijbedoelingen als hierover niet in die zin door partijen is onderhandeld of zelfs maar gesproken, zeker nu deze uitleg dateert van jaren na de totstandkoming van de overeenkomsten. Het tweede deel van [adviseur1] ’ antwoord maakt wel duidelijk dat voor een herbeoordeling van de koopprijs van de aandelen de calamiteit zich moet voordoen in (de ontwikkeling van) de omzet, als goed meetbare en voor operationele managementbeslissingen minst vatbare variabele. Een eventueel lagere gerealiseerde marge, waarop [geintimeerde] zich in dit verband ook beroept, is dus niet relevant. Aangezien EsVePe voor de door [geintimeerde] gesignaleerde risico’s van een (al dan niet forse) omzetdaling nu juist geen garantie wilde geven, heeft [geintimeerde] er in redelijkheid niet op mogen vertrouwen dat het toch de bedoeling van beide partijen is geweest om deze risico’s af te dekken door middel van een voorwaarde die in wezen neerkomt op een omzetgarantie. Als [geintimeerde] de overeenkomsten alleen met een dergelijke garantie had willen sluiten, dan had zij dat in de gegeven omstandigheden expliciet kenbaar moeten maken aan EsVePe en/of ondubbelzinnig in de intentieovereenkomst moeten (laten) opnemen. Dat is niet gebeurd en, naar het hof begrijpt, zou EsVePe hiermee ook niet akkoord zijn gegaan. Kort en goed: het hof volgt ook hier de opvatting van EsVePe: ‘
calamiteit’ ziet hier op een niet-voorzienbare daling van de omzet door een plotselinge oorzaak die niet valt onder het gebruikelijke ondernemersrisico.
- € 20.677,00 FBM (plus, naar het hof begrijpt, advocaatkosten tot en met 2023)
- € 15.119,00 Nysingh advocaten
- € 20.438,00 De Boer advocaten
- € 10.587,50 helft kosten gerechtelijk deskundige [deskundige1]
- € 16.099,55 kosten rechtsbijstand hoger beroep (zonder deurwaarderskosten en griffierecht).
second opinionte laten verrichten, met de waarschuwingen dat niet tijdige of onvolledige betaling van de rente over de originele hoofdsom zonder opzegging, aanmaning of ingebrekestelling tot directe opeisbaarheid van die hoofdsom zou leiden en dat ook alle kosten voor rekening van [geintimeerde] zouden komen. Ondanks de e-mail van EsVePe van 14 oktober 2021, waarin zij [geintimeerde] meedeelde dat de in een eerdere e-mailwisseling overeengekomen tijdelijke opschorting van de verplichting tot het betalen van aflossingen op de geldlening voorbij was en dat EsVePe aanspraak maakte op de eerste twee verschuldigde aflossingstermijnen, heeft [geintimeerde] volhard in de opschorting van deze betalingsverplichtingen. De kosten van de
second opiniondie FBM op verzoek van EsVePe heeft gemaakt en de kosten van onder andere het kort geding dat haar advocaat heeft voorbereid, vallen onder de afspraak die partijen over de kosten hebben gemaakt. EsVePe heeft die kosten immers gemaakt tot behoud en ter uitoefening van haar rechten aangaande de geldlening. In de geschetste verhouding tussen [geintimeerde] en EsVePe is het niet in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid noch naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat EsVePe die kosten door [geintimeerde] vergoed wil zien, zoals [geintimeerde] in deze procedure heeft bepleit. Het verdere betoog van [geintimeerde] dat het voorgenomen kort geding kansloos was, wordt gelogenstraft door het gegeven dat het kort geding is afgewend door een vaststellingsovereenkomst (die overigens door [geintimeerde] niet is nagekomen en daarom door EsVePe is ontbonden). Tegen de hoogte van de kosten van FBM en tegen de hoogte van de advocaatkosten tot en met 2023 is geen verweer gevoerd. Het hof zal deze kosten alsnog toewijzen.