AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen sanctie vasthouden mobiel tijdens rijden en proceskostenvergoeding
De betrokkene werd als kentekenhouder gesanctioneerd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 3 februari 2023 op de A2 in Geleen. De kantonrechter matigde de sanctie vanwege schending van de hoorplicht en kende een proceskostenvergoeding toe met een wegingsfactor van 0,25.
De betrokkene voerde in hoger beroep ontkenning van de gedraging aan en stelde dat er sprake was van een eenmanscontrole, terwijl het dossier twee ambtenaren vermeldde. Het hof oordeelde dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder was opgelegd omdat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was, en de ontkenning onvoldoende was om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen.
Het hof stelde vast dat de kantonrechter onvoldoende had gemotiveerd waarom een wegingsfactor van 0,25 werd toegepast voor de proceskostenvergoeding, terwijl het uitgangspunt 0,5 is bij inhoudelijk gelijk. Daarom vernietigde het hof het besluit over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van €941,01. De overige beslissingen van de kantonrechter werden bevestigd.
Uitkomst: Het hof vernietigt het besluit over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van €941,01; de sanctie blijft gehandhaafd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.349.775/01
CJIB-nummer
: 255571716
Uitspraak d.d.
: 18 december 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 21 november 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] (België).
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 271,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 593,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 februari 2023 om 14:35 uur op de A2 in Geleen met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd tot een bedrag van € 271,50 vanwege schending van de hoorplicht.
2. De gemachtigde van de betrokkene ontkent de gedraging. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat uit een aanvullend proces-verbaal zou blijken dat er sprake was van een eenmanscontrole. In het zaakoverzicht zijn echter twee ambtenaren vermeld. Onduidelijk is waarom de andere ambtenaar de staandehouding niet heeft kunnen uitvoeren.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast is hierin vermeld dat de gedraging is geconstateerd met behulp van een camera. Verder worden de namen van twee ambtenaren genoemd in het zaakoverzicht.
5. Het dossier bevat daarnaast een aantal foto’s van de gedraging. Daarop is te zien dat de bestuurder in zijn rechterhand, ter hoogte van het stuur, een mobiele telefoon vasthoudt.
6. Het dossier bevat ook een aanvullend proces-verbaal van 27 juli 2023 waarin de ambtenaar verklaart dat er geen mogelijkheid tot staandehouding was omdat de gedraging is geconstateerd met behulp van een Monocam. Daarbij is één ambtenaar, de bediener van de apparatuur, op de locatie aanwezig. Deze kan het voertuig en de apparatuur niet achterlaten en het voertuig van de ambtenaar kan ook niet direct in een rijdbare situatie worden gebracht. Een tweede ambtenaar controleert later op het politiebureau de foto’s die de eerste ambtenaar op locatie heeft beoordeeld.
7. Uit artikel 5 vanPro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gegevens in het dossier genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De tweede ambtenaar was niet ter plaatse. De sanctie is terecht aan de bestuurder als kentekenhouder opgelegd.
9. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om te twijfelen aan de gegevens in het dossier. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter bij het toekennen van een proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 (= zeer licht) heeft toegepast. De gemachtigde wenst ook een oordeel over de verschuldigdheid van een vergoeding voor de hoorzitting bij de officier van justitie, die niet is doorgegaan, maar door de gemachtigde wel al was voorbereid.
11. Het hof volgt niet de stelling van de advocaat-generaal dat, omdat de kantonrechter het sanctiebedrag niet had hoeven matigen en daarom ook geen proceskostenvergoeding had hoeven toekennen, de hoogte van de wegingsfactor geen bespreking hoeft. De betrokkene is inhoudelijk in het gelijk gesteld door de kantonrechter als bedoeld in het arrest van 28 april 2020. [1] De kantonrechter heeft daarvoor terecht een proceskostenvergoeding toegekend. Dat de kantonrechter het sanctiebedrag niet had hoeven matigen, doet hier niet aan af.
12. Uitgangspunt is dat de wegingsfactor van een Mulderzaak waarbij de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld 0,5 (gewicht van de zaak = licht) is. [2] In geval een andere wegingsfactor is toegepast dan 0,5, beoordeelt het hof of er duidelijke redenen zijn die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. [3] Het begrip ‘gewicht van de zaak’ dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten. Daarbij dient te worden gekeken naar de aard van de zaak, waaronder begrepen het soort zaak, de omvang van het dossier en het onderwerp van geschil. Het gaat daarbij - met het oog op een uniforme en voorspelbare toepassing van het recht - om het gewicht van een zaak, zoals deze zich doorgaans voordoet. De meeste Mulderzaken zijn feitelijk en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard. Dit komt tot uitdrukking in vorengenoemde vaste jurisprudentie in Mulderzaken.
13. De kantonrechter heeft de wegingsfactor 0,25 toegepast gelet op de geringe bewerkelijkheid en complexiteit in combinatie met het geringe financiële belang. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd waarom een wegingsfactor van 0,25 wordt toegepast. Uit de motivering van de kantonrechter blijkt niet waarom de onderhavige zaak zich onderscheidt van andere Mulderzaken, die - zoals hiervoor is overwogen - doorgaans feitelijke en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard zijn. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
14. Er is geen sprake van een aan het bestuursorgaan (de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd) te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Awb zodat de in administratief beroep gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof komt daarom niet toe aan de vraag of voor de hoorzitting, die niet is doorgegaan, maar wel al was voorbereid, punten toegekend moeten worden.
15. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof zal de advocaat-generaal veroordelen voor de in beroep bij de kantonrechter gemaakte kosten tot een bedrag van € 907,- (= 2 x € 907,- x 0,5).
16. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en de nadere toelichting op het hoger beroep dient 1,5 punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het arrest van het hof van 3 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:6853), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Het hof zal de advocaat-generaal veroordelen voor de in hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 34,01 (1,5 x € 907,- x 0,25 x 0,1).
17. Gelet op het voorgaande bedraagt de vergoeding voor de gemaakte proceskosten in totaal
€ 941,01 (= € 907,- + € 34,01).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 941,01;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.