Uitspraak
Achmea,
1.ProRail B.V.,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en als eiseres in reconventie,
advocaat: mr. T. van der Valk te Rotterdam,
hierna:
ProRail,
de gemeente,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de memorie van antwoord van de gemeente (met producties)
tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
2.De kern van de zaak
ProRail heeft vergoeding van de door haar door het ongeval geleden schade gevorderd. Het betreft ruim € 15.000,-, te vermeerderen met rente en kosten.
De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen van Achmea in de vrijwaringszaak (inclusief de vermeerdering van eis) alsnog worden toegewezen, de vordering van ProRail alsnog wordt afgewezen en dat ProRail en de gemeente terugbetalen wat zij op grond van het vonnis van de rechtbank van Achmea hebben ontvangen.
De relevante feiten
Ik machinist van trein 37507 ben op tijd vertrokken uit [plaats2 2] , tot en met station [plaats5] waren er geen bijzonderheden. Op tijd van vertrek ben ik uit [plaats5] vertrokken richting [plaats2 1] . Ik heb mijn snelheid opgevoerd tot de toegestane 100 km per uur. Ik naderde overpad 107.2 km en zag daar een bordeaux rode auto aankomen rijden, deze auto minderde geen vaart om te stoppen voor het overpad. Ik heb de tyfoon gebruikt en een snelremming ingezet dit was niet voldoende om een aanrijding te voorkomen. Nadat ik tot stilstand ben gekomen heb ik een alarmoproep geplaatst en is de treindienstleider ingelicht.’
Beknopte ongevalsbeschrijving:
1. Nader onderzoek door gemeente naar mogelijkheden om de bewuste overweg veiliger te maken2. ProRail is bereid mee te investeren.’
Vervolgens worden vijf mogelijke oplossingen geschetst, te weten totale reconstructie tot bewaakte overgang, reconstructie tot onbewaakte overweg ten behoeve van alleen het fiets- en landbouwverkeer, reconstructie tot onbewaakte overweg ten behoeve van alleen het landbouwverkeer, geen actie ondernemen en overweg volledig afsluiten.
In de notitie wordt geadviseerd te kiezen voor ‘scenario 3’ (die keuze is in de overgelegde notitie weggelakt, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de keuze op dit scenario is gevallen), te weten de reconstructie tot onbewaakte overweg ten behoeve van alleen het landbouwverkeer. Over die keuze wordt in de notitie opgemerkt dat een en ander nog verder moet worden uitgewerkt ten behoeve van een vervolgafspraak met ProRail . Gelet op de ‘historie van deze overweg’ moeten er wel harde afspraken worden gemaakt met de beide landbouwers die van de overweg gebruik blijven maken. Uit een eerder deel van de notitie volgt dat de overweg eerder ook afgesloten is geweest met een hekwerk waarvan beide landbouwers de sleutel hadden, maar dat de landbouwers verzuimden het hek af te sluiten.
‘
Ik schrijf u deze brief om nogmaals de urgentie van de aanpak van NABO’s zoals die aan de [straat] in [plaats2 1] te benadrukken. ProRail en uw gemeente zijn samen verantwoordelijk voor de veiligheid op alle openbare overwegen. ProRail verzoekt u dringend zo spoedig mogelijk alsnog met een standpunt of voorstel te komen om de veiligheid op de bovengenoemde overweg te verbeteren.’
We hebben een verslag gekregen van ProRail van de bijeenkomst nav het ongeval bij [plaats2 1] . Daar staat het volgende in en het klopt met zoals het gezegd is;
1. Wat zijn de directe en achterliggende oorzaken van de aanrijding?
De directe oorzaak van de aanrijding is het feit dat de personenauto en de trein 37507 op hetzelfde moment overweg 107.276 passeren. Een achterliggende oorzaak is dat geen fysieke barrière aanwezig is die een aanrijding kan voorkomen, aangezien het ongeval is gebeurd op een niet actief beveiligde overweg. Een tweede achterliggende oorzaak is het feit dat de bestuurder van de auto geen voorrang verleent aan de trein. De reden hiervan is echter niet te achterhalen.2. Voldoen de uitzichtlijnen bij de overweg?De uitzichtlijnen bij de overweg zijn direct na het ongeval gecontroleerd door de Inspecteur Baan van ProRail . Uit deze controle blijkt dat de zichtlijnen voldoen [het hof leest: aan] de eisen gesteld in appendix 2 – Verklaring zichtlijnen behorende bij het PGO contractgebied Veluwe 2.(…)3. Zijn er naar aanleiding van eerdere ongevallen maatregelen genomen om deze overweg te beveiligen of op te heffen?Naar aanleiding van de aanrijding met dodelijke afloop [in] 2015 is tijdens een bestuurlijk overleg tussen ProRail en de gemeente [plaats gemeente] op 14 december 2015 voorgesteld de overweg bij de [straat] op te heffen. Het was toentertijd al de wens van ProRail om deze overweg op te heffen, maar aangezien het een particuliere overweg met een openbaar karakter betreft is hiervoor onder andere instemming van de gemeente nodig. Tijdens dit overleg is door de wethouder aangegeven dat afsluiten van de overweg vooralsnog geen optie was, maar dat de gemeente uiterlijk in maart van 2016 een standpunt zou innemen met betrekking tot (mogelijke) maatregelen bij de overweg [straat] in [plaats2 1] . ProRail heeft ondanks herhaaldelijk rappelleren geen standpunt of voorstel van de gemeente [plaats gemeente] mogen ontvangen.
Resumerend kan worden gesteld dat niet uit te sluiten is dat de schakelkasten van ProRail direct naast het spoor van invloed zijn geweest op het ongeval. Het zicht op een naderende trein vanuit de richting [plaats2 2] kan de heer [naam1] vlak voor het oversteken van het spoor zijn ontnomen door de positionering van de schakelkasten.
‘
Resumerend kan worden geconcludeerd dat het filmpje door de ogen van de bijrijder is gemaakt en een ander zicht geeft op de aangegeven situatie dan vanuit de zichtpositie van de bestuurder. Voor de bestuurder kan de trein achter de A-stijl van het dak en achter de rechter buitenspiegel verdwijnen, terwijl op datzelfde moment de trein wel goed waar te nemen is door de passagier op de bijrijdersstoel.’
4.4. De beoordeling van het geschil
jegens Arrivaen, indien dat het geval is, welk gedeelte van de schuld jegens Arriva de verzekerde (en in diens plaats Achmea ), ProRail en/of de gemeente in hun onderlinge verhouding aangaat. Daarbij geldt dat ProRail zich jegens Achmea ook mag beroepen op verweren die zij zou mogen voeren wanneer zij door Arriva zou zijn aangesproken tot vergoeding van de schade, bijvoorbeeld op bedingen uit de Toelatingsovereenkomst waarin haar aansprakelijkheid wordt uitgesloten of beperkt (zie 6:11 BW). Het hof ziet niet in waarom zo’n beroep op bedingen uit een contract tussen grote professionele partijen in strijd met de openbare orde of goede zeden of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zoals Achmea betoogt.
jegens de verzekerde. In die verhouding kan Achmea zich niet op artikel 6:174 BW beroepen, omdat de uitsluiting van subrogatie in die rechten in deze verhouding wel geldt. Het beroep van Achmea op artikel 7:1661 lid 2 BW maakt dat niet anders. In deze bepaling is vastgelegd dat de aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW ten aanzien van spoorweginfrastructuur op de beheerder berust. De bepaling creëert dus geen eigen risicoaansprakelijkheid, waarop artikel 6:197 lid 2 BW niet van toepassing is, maar alloceert de bestaande risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW voor spoorweginfrastructuur bij de beheerder van spoorweginfrastructuur, bij ProRail dus.
‘
Het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.1 en de aansprakelijkheid uit de artikelen 6.3.2.5 en 6.3.2.7 [hof: 6:173 en 6:174 BW] ligt dan ook veeleer hierin dat bij toepasselijkheid van deze laatste artikelen het verweer van onbekendheid met het betreffende gebrek c.q. het daardoor veroorzaakte gevaar niet wordt aanvaard en dat derhalve in dit opzicht wordt geabstraheerd van het vereiste van schuld.’ [4] Bovendien heeft de Hoge Raad dat overwogen:
‘
Vorenbedoelde gezichtspunten begrenzen de aansprakelijkheid op grond van art. 6:174; de wetgever heeft immers een te ruime aansprakelijkheid van de bezitter willen voorkomen door bepaalde begrenzingen die in afdeling 6.3.1 aan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad worden gesteld, ook te laten gelden voor de onderhavige aansprakelijkheid (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1378-1379). Van een op de bezitter van een zaak rustende garantienorm is dan ook geen sprake (Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p.1380).’ [5] Voor het antwoord op de vraag of een opstal, zoals een spoorwegovergang, gebrekkig is, zijn er geen relevante verschillen tussen de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 en artikel 6:1674 BW. In beide gevallen gaat het er om of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.
Het hof stelt vast dat de kwestie van de bekendheid met het (eventuele) gebrek in dit geval geen rol speelt. ProRail en de gemeente hebben betwist dat sprake is van een gebrek, niet dat indien wel sprake zou zijn van een gebrek zij daarmee niet bekend zijn. Dat betekent dat het verschil tussen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 en 6:174 BW in dit geval van theoretisch belang is. [6]
Op de wegbeheerder, in dit geval de gemeente , rust de aansprakelijkheid voor de aan de spoorwegovergang grenzende openbare weg tot aan de overwegbevloering. De wegbeheerder onderhoudt de daarbij behorende infrastructuur, zoals de verkeersborden in de wegberm.
In de praktijk zijn de verantwoordelijkheden van de wegbeheerder en de spoorwegbeheerder niet volledig af te bakenen, zeker niet wanneer, zoals in dit geval, sprake is van een NABO. Bij de vraag of de keuze van ProRail om de overweg (nog) niet te beveiligen verantwoord is, kan de inrichting van de openbare weg, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is, een rol spelen. Indien mede vanwege de inrichting van de weg de gebruiker van de NABO wordt blootgesteld aan onverantwoorde gevaren, is de overweg gebrekkig. Anderzijds kan het feit dat de openbare weg wordt doorkruist door een NABO onder omstandigheden de conclusie dragen dat de openbare weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, omdat de weggebruiker daardoor wordt blootgesteld aan onverantwoorde gevaren. Het is dan de gemeente als wegbeheerder om passende maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door de toegang tot de overgang af te sluiten voor (bepaalde categorieën) verkeer. Laat zij dat na dan is de weg in die zin gebrekkig.
Uit het feit dat ProRail en gemeente geruime tijd hebben overlegd over de situatie op de spoorwegovergang aan de [straat] volgt ook wel dat zij hebben ingezien dat zij beide een verantwoordelijkheid hadden voor de veiligheid op de spoorwegovergang. Voor ProRail volgt dat uitdrukkelijk uit de in 3.12 aangehaalde brief van ProRail aan de gemeente .
te nadele van bij het onderzoek betrokkenen’ wordt bereikt. [11] Die situatie doet zich hier voor. Het hof gaat dan ook niet mee in het betoog van ProRail dat in deze procedure geen betekenis toekomt aan de conclusies en bevindingen van de OvV en zal deze dan ook, voor zover deze niet inhoudelijk zijn weersproken, door ProRail in zijn oordeel betrekken.
Overwegveiligheid’ van juli 2018 heeft de OvV onder meer het volgende geschreven:
‘
Overwegen zijn gevaarlijk
‘
De onbewaakte overweg is niet meer van deze tijd. Het overgrote deel van de onbewaakte overwegen bevindt zich in het noord-oosten van Nederland. Deze overwegen liggen op baanvakken waar voorheen minder frequent met treinen werd gereden en waar relatief weinig wegverkeer was. Dit is tegenwoordig niet meer zo. Treinen rijden vaker, op hogere snelheid, en zijn stiller geworden. Ook het verkeer op de weg is toegenomen. Omdat er ook nog maar zo weinig onbewaakte overwegen in Nederland te vinden zijn, is niet iedere verkeersdeelnemer hiermee bekend. Dat maakt deze soort overweg bij uitstek levensgevaarlijk. Op de snelweg zijn dit soort gevaarlijke kruispunten allang uit den boze. Daar zijn enkel nog ongelijkvloerse kruisingen. Op het spoor lopen we achter. Daarom willen we zo snel mogelijk van die laatste onbewaakte overwegen af.’
Naar aanleiding van diverse ongevallen op NABO’s hebben [naam4] of andere vertegenwoordigers van ProRail zich in vergelijkbare of nog sterkere bewoordingen
- ‘afgrijselijk’ en ‘levensgevaarlijk’- over NABO’s uitgelaten.
‘
De veiligheid van spoorwegovergangen is sterk afhankelijk van de manier waarop menselijke beperkingen in waarneming en aandacht worden meegenomen in het ontwerp. Zonder effectieve signalering en overzichtelijkheid lopen verkeersdeelnemers risico op het missen van een naderende trein. Dynamische signalen, vrij zicht, uniforme systemen en minimale afleiding zijn essentieel om deze risico's te verminderen.’
ProRail wijst erop dat [naam5] verbonden is aan Interpolis. Hij is inderdaad een partijdeskundige, maar dat betekent nog niet dat zijn bevindingen geen gewicht in de schaal leggen. Daarvoor is van belang of ze met inhoudelijke argumenten worden weerlegd. ProRail beroept zich daartoe op een rapport van een door haar ingeschakelde deskundige [naam6] van RaNed. Naar het oordeel van hof heeft [naam6] de hiervoor geciteerde conclusie van [naam5] niet weerlegd. Hij heeft slechts benadrukt dat het rapport van [naam5] een algemeen karakter heeft en voorbijgaat aan de daadwerkelijke en mogelijke beperkingen van een mens, die volgens [naam6] in dit geval ook bij de verzekerde van Achmea een rol hebben gespeeld. Dat die beperkingen mogelijk een rol hebben gespeeld, doet niet af aan de conclusie van [naam5] dat - samengevat - een onbewaakte overgang, vanwege het ontbreken van ‘dynamische signalen’ meer vraagt van de oplettendheid van de weggebruiker dan een overweg waarin wel sprake is van die signalen (een AHOB en, in veel mindere mate, een AKI, een uitsluitend met knipperlichten beveiligde overweg).
In het verlengde hiervan wijst het hof erop dat een (spoor)wegbeheerder er bij de inrichting van de (spoor)weg, en daarmee ook bij het antwoord op de vraag of beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen, rekening mee moet houden dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. [12]
‘
Bij de niet actief beveiligde overwegen is de begrenzing ruim, omdat de kruising vanaf een grote afstand zichtbaar moet zijn, Het zicht is hier van een veel groter belang dan het geval is bij een actief beveiligde overweg.’
Een auto passeert bij een te verwachten snelheid van 20 km/uur de schakelkasten in de laatste seconde voordat het spoor wordt bereikt; de kasten staan immers op maximaal 6 meter van het spoor. Als de kasten dan het zicht belemmeren, is dat gedurende één derde seconde. Maar dàt de kasten dan het zicht daadwerkelijk belemmeren, heeft Achmea , op wie stelplicht en bewijslast rusten, onvoldoende onderbouwd. Achmea heeft weliswaar rapporten van [naam3] Ongevallenanalyse en filmpjes overgelegd, maar de inhoud van deze rapporten is gemotiveerd weerlegd in genoemd rapport van [naam6] van RaNed en in een notitie van de heer [naam7] , dat rekenkundige analyses bevat.
Overigens is ook de situatie vanaf de overkant van het spoor (de zuidzijde) onoverzichtelijk. De overgang ligt vanaf die zijde kort na een scherpe bocht naar links.
de toeleidende wegen naar de overweg 107.276 [hof: deze overweg] veelvuldig worden gebruikt als sluiproute.’ De overweg ligt bovendien op een fietsroute. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat de weg relatief vaak wordt gebruikt.
zo spoedig mogelijk alsnog met een standpunt of voorstel te komen om de veiligheid op de bovengenoemde overweg te verbeteren.’
Omdat ProRail ook bekend was met het gevaar en desalniettemin niet de maatregelen trof die van haar mochten worden gevergd, heeft zij ook in strijd met de op haar rustende zorgplicht gehandeld.
Omdat de gemeente ook bekend was met het gevaar - ProRail heeft haar daar, voor zover dat nog nodig was, meermaals op gewezen (zie 3.10 - 3.12 en 3.14) en desalniettemin niet de maatregelen trof die van haar mochten worden gevergd, heeft zij ook in strijd met de op haar rustende zorgplicht gehandeld.
aansprakelijkheid voor de schade van Arriva - algemeen4.45 Zoals hiervoor (4.9 e.v.) is overwogen is Achmea wat betreft de door haar vergoede schade van Achmea gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde [naam1] . Indien naast de verzekerde anderen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Arriva heeft de verzekerde (en nu dus Achmea ) op grond van artikel 6:12 en 6:102 BW een regresrecht op die anderen. Dat betekent dat eerst moet worden vastgesteld of (en tot welk bedrag) de gemeente en ProRail hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Arriva. Daarbij geldt dat de aansprakelijkheid van ProRail en de gemeente ook mag worden gebaseerd op artikel 6:174 BW. Indien sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid dient vervolgens te worden vastgesteld hoe de hoofdelijke schuld tussen [naam1] , ProRail en de gemeente moet worden verdeeld. Die verdeling gebeurt aan de hand van dezelfde maatstaven als de verdeling van de schade tussen een dader en een benadeelde op grond van eigen schuld (artikel 6:101 lid 1 BW).
Voor het causale verband tussen het gebrek aan de weg en het ongeval is dat nog duidelijker: indien de gemeente de overweg zou hebben afgesloten voor autoverkeer zou [naam1] de overweg niet hebben kunnen oversteken. Er moet van worden uitgegaan dat hij dan een andere route zou hebben gekozen naar de beoogde bestemming.
Voor de door de op de gemeente toepasselijke norm geldt hetzelfde. Die norm strekt ook ter bescherming tegen gevaar voor personen of zaken die gebruik maken van de alleen via de weg toegankelijke spoorwegovergang.
Voor de vordering op de gemeente geldt hetzelfde.
Op grond van artikel 18 lid 1 is ProRail aansprakelijk voor personenschade, zaakschade en vermogensschade van Arriva waarvan de oorzaak in de ‘Spoorwegen’ (waarmee bedoeld is de spoorwegen en daartoe behorende infrastructuur) en die is toegebracht aan Arriva en haar hulppersonen gedurende het gebruik van de spoorweg.
Dat is op grond van artikel 18 lid 3 onder c AVT anders voor
vermogensschade ( ProRail breidt deze beperking ten onrechte uit tot alle schade) wanneer ‘
de schadeveroorzakende gebeurtenis is veroorzaakt door omstandigheden, zoals overmacht of het gedrag van een Derde die Beheerder [hof: Prorail ], ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon voorkomen.’
Die situatie doet zich hier, gelet op wat hiervoor is overwogen over de gebrekkigheid van de overweg en de zorgplichtschending van ProRail dienaangaande, niet voor.
Ook het beroep van ProRail op artikel 22 lid 7 AVT gaat niet op. In deze bepaling is vastgelegd dat ProRail niet aansprakelijk is voor enige schade (de bepaling is uitdrukkelijk niet beperkt tot vermogensschade) in geval van overmacht. Daarbij is aangegeven dat onder overmacht ook (pogingen tot) zelfdoding zijn begrepen. Hiervoor is overwogen dat niet aannemelijk is dat [naam1] suïcide heeft willen plegen. Daarop - en op het feit dat sprake is van een gebrekkige overweg, waarvoor ProRail verantwoordelijk is, stuit het beroep van ProRail op artikel 22 lid 7 AVT af.
21 dagen niet ingezet kon worden. Het restant betreft de kosten van inzet van vervangend personeel voor het vervoer van de trein naar de plek van reparatie en het bewaken van de trein en de kosten van vervangend vervoer. Met het rapport van Dekra heeft Achmea in het licht van het summiere verweer van ProRail en de gemeente op dit punt deze schadepost voldoende aangetoond. Het hof verwijst in dit verband met instemming naar wat de rechtbank in de hoofdzaak over deze post heeft overwogen en neemt die overweging over.
37.5% van deze kosten, dus € 6.032,25, te dragen.
Voor het restantbedrag van de stilstandschade (€ 21.677,34 - € 16.086,- = € 5.591,34) dienen ProRail en de gemeente voor respectievelijk 20% en 30% op te komen, dus voor € 1.118,27 en € 1.677,40.
2% van € 18.217,66 (€ 17.099,39 + € 1.118,27 ) = € 346,35 en wat betreft de gemeente 3% van € 33.358,74 (€ 25.649,09 + € 6.032,25 + € 1.677,40) = € 1.000,76.
€ 3.287,30.
€ 9.878.91, dus € 1.975,78 verschuldigd is en de gemeente 30% van genoemd bedrag, dus
€ 2.963,67.
In dit geval staat vast dat de auto waarvan [naam1] eigenaar betrokken is geweest bij een verkeersongeval en dat bij dit ongeval (ook) schade is toegebracht aan - kort gezegd - het spoor. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van artikel 185 lid 1 WVW, tenzij zou worden vastgesteld dat bij [naam1] zich op overmacht zou kunnen beroepen. Uit wat hiervoor is overwogen over het aandeel van [naam1] in het ontstaan van het ongeval volgt al dat van overmacht geen sprake is, zodat die uitzondering zich niet voordoet.
Dat betekent dat toewijsbaar zijn:
- de vordering van Achmea in verband met de schade van Arriva op ProRail tot € 20.539,79
en op de gemeente tot € 40.610,47, te vermeerderen met wettelijke rente, waarvan de ingangsdatum wordt gespecificeerd in het dictum van dit arrest;
- de vordering van Achmea in verband met de uitkering aan de erven [naam1] op ProRail tot € 2.044,31 en op de gemeente tot € 2.680,48, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 januari 2020 en met dien verstande dat ProRail en de gemeente samen niet meer verschuldigd zijn dan € 3.593,78 met wettelijke rente;
5.De beslissing
14 februari 2024 voor zover gewezen in de vrijwaring en beslist als volgt:
€ 2.963,67 vanaf 28 februari 2024.
€ 3.593,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2020.