ECLI:NL:GHARL:2026:1324

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/994
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229 GemeentewetArt. 3:2 AwbArt. 5.2 Bouwbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen legesvermindering omgevingsvergunning duurzame bouwprojecten

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van leges voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 600 appartementen met een EPC van -0,4 in Utrecht. De heffingsambtenaar bracht € 720.175,72 in rekening, met een maximale legesvermindering van € 50.000 op grond van de gemeentelijke tarieventabel. Belanghebbende betoogde dat deze maximering in strijd is met algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en dat zij recht heeft op een hogere vermindering.

Het hof oordeelt dat de maximering zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd, mede gelet op de budgettaire beheersbaarheid en het stimuleren van meerdere duurzame initiatieven. Belanghebbende slaagt er niet in aannemelijk te maken dat zij door de maximering daadwerkelijk nadeel ondervindt of dat sprake is van ongelijke behandeling. De maximering leidt niet tot een schending van het evenredigheidsbeginsel. Ook het beroep op begunstigend beleid en meervoudige toepassing van verminderingen wordt verworpen.

Het hof vernietigt het vonnis voor zover het de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn betreft en verhoogt deze vergoeding van € 300 naar € 3.000, waarvan het grootste deel voor rekening van de heffingsambtenaar komt. Verder veroordeelt het hof de heffingsambtenaar in de proceskosten van het hoger beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof verhoogt de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn en veroordeelt de heffingsambtenaar in proceskosten en griffierecht, bevestigt verder het vonnis.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/994
uitspraakdatum: 3 maart 2026
Uitspraak van vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 februari 2024, nummer UTR 22/3922, ECLI:NL:RBMNE:2024:1230, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan
Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht(hierna: de heffingsambtenaar)
alsmede de
Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is bij nota van 22 november 2019 een bedrag van € 720.175,72 aan leges in rekening gebracht wegens het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 600 appartementen in de gemeente Utrecht.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 24 juni 2022 het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 300 en de heffingsambtenaar en de Staat ieder veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 109,40.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R. van den Berg, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] , namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door drs. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Tot het dossier behoort een voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: het college) met nummer 2016/117 aan de gemeenteraad van de gemeente Utrecht (hierna: de gemeenteraad) omtrent de Verordening leges omgevingsvergunning 2017. In dit voorstel is onder meer het volgende opgenomen:
Verordening leges omgevingsvergunning 2017
Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor het volgende te besluiten:
1 Het percentage van de bouwkosten, dat gehanteerd wordt als tariefstelling van de leges voor de omgevingsvergunning activiteit bouw, te verlagen voor bouwprojecten met een bouwsom vanaf EUR 1.000.000,-.
2 De leges voor activiteiten die een bijdrage leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen met 50% (en in één geval met 100%) te verminderen, tot een maximumbedrag van EUR 50.000,-.
3
3 De Verordening leges omgevingsvergunning 2017 vast te stellen.
(…)
Conclusie commissie:
Toezeggingen wethouder:
De wethouder zegt toe de ervaringen met verlagen van leges voor duurzame projecten uit Enschede naar de raad te sturen. Uiterlijk 16 december
2.2.
Het in 2.1. genoemde voorstel bevat verschillende bijlagen. In een van die bijlagen wordt onder meer een toelichting gegeven op het voorstel. In deze toelichting is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Context
Jaarlijks wordt de verordening leges omgevingsvergunning geactualiseerd.
(…)
Daarnaast hebben we in deze verordening het eerste deel van motie 2016/139 'duurzame leges’ uitgewerkt, zoals besproken in de gemeenteraad van 30 juni 2016. Door middel van het geven van een korting op of vrijstelling van leges willen wij initiatieven en activiteiten stimuleren die een bijdrage leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen.
(…)
Beslispunt
2. De leges voor activiteiten die een bijdrage leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen met 50% (en in één geval met 100%) te verminderen, tot een maximumbedrag van EUR 50.000,-.
Argumenten
2.1
Hiermee werken we het eerste deel van motie 2016/139 'Duurzame leges' uit. Door het geven van een korting op of vrijstelling van leges willen wij initiatieven en activiteiten stimuleren die een bijdrage leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen. Om te zorgen dat in 2017 niet alleen initiatiefnemers, die zonder deze regeling al voornemens waren om een bijdrage te leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen, van de legeskorting profiteren is het wenselijk om deze regeling structureel mee te nemen in de legesverordening. Hierdoor wordt deze regeling onderdeel van de afwegingen bij het ontwerpen van bouwplannen. Voor vermindering van leges komen aanvragen voor omgevingsvergunning activiteit bouw (inclusief bouwen in strijd met het bestemmingsplan) in aanmerking die betrekking hebben enerzijds op woningen en anderzijds op gebouwen met gebruiksfuncties waarvoor in het Bouwbesluit een grenswaarde voor de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) is gegeven (paragraaf 4.2.2). Veel bedrijven zien het als een uitdaging om de gebouw- en/of gebruikersgebonden energievraag tot nul terug te dringen, waarmee de energieprestatie aanzienlijk beter is dan wat het Bouwbesluit voorschrijft. De EPC vormt een eenduidig, transparant en objectief toets-criterium. Daarnaast zien we in toenemende mate initiatieven die betrekking hebben op de realisatie van grondgebonden zonne-energiesystemen. Ook deze initiatieven komen in aanmerking voor vermindering van leges.
(…)
2.3
Het instellen van een maximum bedrag garandeert dat meerdere aanvragen in aanmerking kunnen komen en maakt de financiering beheersbaar. De omvang van de kosten van de regeling zijn afhankelijk van het aantal (grote) aanvragen dat wordt ingediend en in aanmerking komt voor vermindering van leges. Met het instellen van een maximumbedrag van EUR 50.000,- kunnen we meer initiatieven honoreren. Daarnaast maakt het de financiering van de maatregel beheersbaar. Naar verwachting is voor de maatregel een bedrag van EUR 1.000.000,- beschikbaar. De ervaring van de gemeente Enschede, dat grote bouwplannen in stukken opgeknipt werden om meerdere malen in aanmerking te komen voor een legeskorting, wordt ondervangen door uit te gaan van een kortingspercentage (met een maximum bedrag).
Kanttekeningen
2.1
De verlaging en vermindering van leges hebben mogelijk grotere financiële consequenties dan verwacht. De verwachte financiële consequenties zijn gebaseerd op aannames, zowel waar het betreft de meeropbrengst aan bouwleges over 2017 als waar het betreft de omvang van de gederfde leges als gevolg van de vermindering bij duurzame initiatieven. Op basis van de huidige verwachtingen en prognoses kan de vermindering van leges over geheel 2017 in stand blijven. Indien het aantal aanvragen substantieel afwijkt van de verwachting, kan het bedrag aan gederfde leges sterk oplopen. In die situatie kunnen we op zoek naar aanvullende financiering of de regeling aanpassen dan wel stopzetten. Bij de jaarrekening 2016 kan de raad, in lijn met de tweede bestuursrapportage, besluiten de extra legesopbrengsten over 2016 te reserveren en, indien nodig, aan te wenden als extra financiering.
Het college monitort ieder kwartaal in welke mate er gebruik gemaakt wordt van deze duurzaamheidsregeling. Het college heeft daardoor de mogelijkheid om bij te sturen.
2.3.
Tot het dossier behoort een memo van 16 december 2016 waaruit volgt dat aan de gemeenteraad verschillende documenten van de gemeente Enschede zijn gestuurd. Tot de documenten van de gemeente Enschede die zijn verstrekt aan de gemeenteraad behoort een voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede aan de gemeenteraad van die gemeente van 30 september 2016. In dit voorstel staat onder meer het volgende:

In 2016 hebben we de regeling Groene Leges ingevoerd. De regeling houdt in dat bewoners en organisaties met in 2016 en 2017 geen leges hoeven te betalen voor hun vergunningaanvraag als het project waarvoor de vergunning wordt aangevraagd een belangrijke - meer dan wettelijk verplichte - bijdrage levert aan de verduurzaming van de gemeente Enschede. Hierbij geldt een maximum vrijstelling per aanvraag van € 50.000. Het aantal aanvragen voor vrijstelling heeft sinds de zomer van 2016 een enorme vlucht genomen. Het grootste beslag op de regeling wordt gelegd door commerciële aanvragen, zoals woningcorporaties, projectontwikkelaars en bedrijven (samen voor ca. € 400.000). Particulieren (niet commerciële aanvragen) leggen voor € 150.000 beslag op de regeling. Het bedrag aan gederfde inkomsten loopt nu zo snel op (tot € 550.000 uitgekeerd medio september), dat vooruitlopend op de evaluatie een voorstel voor aanpassing noodzakelijk is. Begin september heeft het college u geïnformeerd over de stand van zaken rondom de groene leges Dit is in de stedelijke commissie van 26 september jl besproken. U heeft in deze vergadering de portefeuillehouder geadviseerd de regeling zo snel mogelijk aan te passen om de financiële consequenties zoveel mogelijk te beperken. Hierop hebben wij besloten de regeling voor de zogenaamde grootverbruikers (corporaties, bedrijven en projectontwikkelaars) zo snel als juridisch mogelijk stop te zetten. Na een juridische check is gebleken dat voor het gedeeltelijk stopzetten van de regeling de legesverordening aangepast moet worden. Dat is de aanleiding voor dit voorstel aan de raad.
2.4.
Tot de documenten van de gemeente Enschede die zijn verstrekt aan de gemeenteraad behoort ook een brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede aan gemeenteraad van die gemeente van 4 november 2016 met als onderwerp “Korte analyse regeling groene leges”. In een bijlage 1 van deze brief staat onder meer het volgende:
Bijlage 1. Resultaten 2016 en Programmabegroting 2017
Resultaten 2016.
Vooruitlopend op de definitieve evaluatie, valt het volgende globale beeld te schetsen:
• Voor de doelgroep particulieren lijkt het een effectief instrument te zijn.
Dat blijkt niet alleen uit een vergelijking ten opzichte van 2015, maar ook ten opzichte van andere gemeenten in de regio:
a. In 2015 werd er in Enschede niet of nauwelijks energiezuiniger gebouwd dan wettelijk verplicht. Met de regeling groene leges bouwt ruim 50% van de aanvragers energiezuiniger dan wettelijk verplicht (peildatum oktober 2016).
b. Uit de gegevens die op dit moment beschikbaar zijn, blijkt dat in omliggende gemeenten niet of nauwelijks energiezuiniger dan het Bouwbesluit wordt gebouwd. Enschede is daarmee koploper energiezuinig bouwen in de regio Twente.
Daarnaast wordt duidelijk - uit de eerste gesprekken die met aanvragers zijn gevoerd - dat het bedrag dat op de leges wordt bespaard, ook volledig wordt geïnvesteerd in duurzame maatregelen. Naar verwachting zal er door deze doelgroep aan het eind van het jaar voor circa € 250.000 (van de totale € 800.000, zie bijlage 3) geïnvesteerd zijn in duurzaamheid.
Hiermee is het voor deze doelgroep een succesvolle duurzaamheidsmaatregel.
• Van de doelgroep woningcorporaties heeft één corporatie gebruik gemaakt van de regeling. Bij die aanvragen was het voor het eerst dat er in grote getale gebouwd wordt met een EPC van nul. Zowel onze gemeentelijke projectleiders als de projectleiders van de corporatie geven mondeling alvast aan dat er extra duurzaamheidsmaatregelen getroffen zijn als gevolg van het financiële voordeel van de groene leges.
• De ervaringen van het ondernemersloket met de regeling voor bedrijven zijn positief. De regeling wordt ingezet als acquisitie- en onderhandelingsinstrument en stimuleert om energiezuiniger te bouwen.
• De ervaringen bij projectmanagers zijn soortgelijk. Groene leges zijn daar ook effectief gebleken om projectontwikkelaars te bewegen zich op warmtenet aan te sluiten. Een aantal projecten op Kotmanpark en Beekwoude zouden zonder de groene legesregeling niet op het warmtenet aangesloten worden.
Hoewel de evaluatie in het voorjaar 2017 meer duidelijkheid moet geven over wat de inzet van dit instrument daar aan heeft bijgedragen lijkt het instrument effectief te zijn om mensen in de ontwerpfase van een bouwproject al te stimuleren om duurzaam te bouwen. Het geld komt dan ook direct ten goede aan duurzame maatregelen. Daarmee lijkt het rendement van dit instrument groter dan het inzetten van communicatietrajecten en andere subsidies. In de definitieve evaluatie (voorjaar 2017) worden deze voorlopige conclusies ten aanzien van de verschillende doelgroepen nader uitgewerkt en onderbouwd en zullen ook de eerste resultaten in de praktijk bekend zijn omdat de meeste bouwprojecten dan gestart of al gerealiseerd zijn.
2.5.
Het in 2.1. genoemde raadsvoorstel is besproken in de vergadering van de gemeenteraad van 22 december 2016. In de notulen van deze vergadering van 22 december 2016 staat onder andere:

De heer BOS (Stadsbelang Utrecht):(…) Voorzitter! De fractie van Stadsbelang Utrecht ziet het nut niet in om duurzame bouwprojecten te subsidiëren met publiek geld. Duurzaam bouwen betaalt zich terug in hogere marktprijzen. Het enige wat wij als gemeente doen met deze legeskorting, is het additioneel verhogen van winstmarges voor de ontwikkelaar op power, het verhogen van de beleggerswaarde van corporaties en beleggers. Het wel of niet ontvangen van deze subsidie zal in een businesscase voor een ontwikkelaar of corporatie nimmer als deal breaker worden gezien.
(…)
De heer GILISSEN (VVD): Voorzitter! (…) Met andere woorden: wij zijn niet overtuigd. Daarbij komt dat het een openeinderegeling is. Het college zegt wel dar de kans daarop een stuk kleiner wordt door de activiteiten te maximeren tot € 50.000,00, maar in principe is het nog steeds zo dat als deze regeling een vlucht neemt - ik zie mevrouw Van Esch al juichen - de gemeente voor de kosten opdraait. Dat vinden we onverstandig. Daarom hebben we samen met de CDA-fractie de moties ingediend.
(…)
De heer JANSEN (wethouder): Voorzitter! (…) Het tweede verzoek is om het bedrag van € 1 miljoen voor elk van beide doelen te beschouwen als een plafond. Dat lijkt ons niet nodig. Als we monitoren en zien dat het hard gaat, kunnen we een eind maken aan de regeling. We hoeven deze regeling niet per se bij de begroting aan te passen, dat kan ook tussentijds. Onze inschatting is dat de bedragen reëel zijn.
2.6.
Bij raadsbesluit van 22 december 2016 heeft de gemeenteraad de Verordening leges omgevingsvergunning gemeente Utrecht 2017 vastgesteld. In onderdeel 4.2. van de bij deze verordening behorende tarieventabel is de in het raadsvoorstel met nummer 2016/117 (zie 2.1.) bedoelde vermindering opgenomen.
2.7.
Bij raadbesluit van 8 november 2018 heeft de gemeenteraad de Verordening leges omgevingsvergunning gemeente Utrecht 2019 (hierna: de Verordening) vastgesteld. In paragraaf 4 van de bij de Verordening behorende tarieventabel (hierna: de Tarieventabel) is het volgende opgenomen:

Paragraaf 4 Vermindering
(…)
4.2
Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de onderdelen 3.1 en 3.3 betrekking heeft op
4.2.1
de nieuwbouw van woningen met een EPC ≤ 0, bedraagt de vermindering 50% van de verschuldigde leges
4.2.2
de nieuwbouw van woningen met een EPC ≤ -0,2, bedraagt de vermindering van de verschuldigde leges 100% van de verschuldigde leges.
4.2.3
de nieuwbouw van gebruiksfuncties, waarvoor in het Bouwbesluit art. 5.2 een grenswaarde voor de energieprestatiecoëfficiënt is gegeven, met een gewogen EPC minimaal 50% scherper dan de norm uit het Bouwbesluit, bedraagt de vermindering 50% van de verschuldigde leges.
4.2.4
de verbouw van woningen en gebruiksfuncties, waarvoor in het Bouwbesluit art 5.2 een grenswaarde voor de energieprestatiecoëfficiënt is gegeven, met een gewogen EPC minimaal 75% scherper dan de bestaande gewogen EPC, bedraagt de vermindering 50% van de verschuldigde leges
4.2.5
de realisatie van een grondgebonden zonne-energiesysteem, bedraagt de vermindering 50% van de verschuldigde leges
4.2.6
een initiatief dat anderszins een bijdrage levert aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen, bedraagt de vermindering maximaal 100% van de verschuldigde leges. Hierbij staat de vermindering in verhouding tot de bijdrage aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen.
4.3
Voor de vermindering als genoemd in de onderdelen 4.2.1. t/m 4.2.6. geldt een maximumbedrag van 50.000,00 euro
4.4
Ten aanzien van de vermindering als genoemd in artikel 4.2.6 stelt het college nadere beleidsregels op.
De tekst van deze bepaling is gelijk aan de tekst van onderdelen 4.2. tot en met 4.4. van de tarieventabel behorende bij de Verordening leges omgevingsvergunning gemeente Utrecht 2017.
2.8.
Belanghebbende heeft een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 600 appartementen in de gemeente Utrecht ingediend. De appartementen zijn gerealiseerd met een energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van -0,4.
2.9.
Bij nota van 22 november 2019 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende een bedrag van € 720.175,72 aan leges in rekening gebracht wegens het in behandeling nemen van de in 2.8. genoemde aanvraag. Op deze nota is een vermindering van € 50.000 in aanmerking genomen.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de heffingsambtenaar een te hoog bedrag aan leges in rekening heeft gebracht. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere vermindering van de leges dan de vermindering van € 50.000 die de heffingsambtenaar in aanmerking heeft genomen.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar het bedrag aan leges te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende voert daartoe aan dat onderdeel 4.3. van de Tarieventabel buiten toepassing moet worden gelaten, dan wel onverbindend is, omdat dit onderdeel in strijd is met de algemene rechtsbeginselen. Volgens belanghebbende zijn haar gerechtvaardigde belangen bij de totstandkoming van deze bepaling niet meegewogen en is daarmee sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van deze bepaling. Verder is volgens belanghebbende deze bepaling in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Ook heeft de heffingsambtenaar volgens belanghebbende begunstigend beleid gevoerd of het oogmerk van begunstiging gehad ten aanzien van de toepassing van onderdeel 4.2.6. van de Tarieventabel. Belanghebbende verbindt aan deze standpunten de conclusie dat zij recht heeft op een vermindering van de aan haar in rekening gebrachte leges naar nihil. Subsidiair bepleit belanghebbende dat zij recht heeft op driemaal de maximale vermindering van € 50.000, nu zij op grond van de onderdelen 4.2.2., 4.2.3. en 4.2.6. van de Tarieventabel recht heeft op toepassing van een vermindering.
3.3.
De heffingsambtenaar is van mening dat belanghebbende geen recht heeft op verdere vermindering van de aan haar in rekening gebrachte leges.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.
4.2.
Op grond van artikel 2 van Pro de Verordening worden onder de naam ‘Leges omgevingsvergunning’ rechten geheven voor het genot voor diensten die door of vanwege het gemeentebestuur worden verstrekt en die worden genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening worden de leges geheven naar de tarieven die zijn opgenomen in de Tarieventabel. In onderdeel 3.1. van de Tarieventabel is bepaald op welke wijze de verschuldigde leges voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit worden berekend. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de heffingsambtenaar vastgestelde leges in overeenstemming met onderdeel 3.1. van de Tarieventabel zijn berekend op een bedrag van € 770.175,72.
4.3.
Paragraaf 4 van de Tarieventabel bepaalt vervolgens in welke gevallen recht bestaat op een vermindering van de leges die zijn berekend met toepassing van onderdeel 3.1. van de Tarieventabel. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende – in ieder geval – recht heeft op de in onderdeel 4.2.2. van de Tarieventabel opgenomen vermindering. De heffingsambtenaar heeft de vermindering in dit geval bepaald op het in onderdeel 4.3. van de Tarieventabel genoemde maximum van € 50.000 en de te betalen leges vastgesteld op € 720.175,72. Belanghebbende bepleit primair dat dit maximum in zijn geval niet geldt wegens strijd met algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
4.4.
Het Hof kan en mag in dit geval toetsen of onderdeel 4.3. van de Tarieventabel in strijd is met de algemeen rechtsbeginselen, omdat de Verordening een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als wetgeving in formele zin.
4.5.
Bij deze toetsing stelt het Hof voorop dat de wetgever aan gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, met uitzondering van het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing. [1]
Zorgvuldige voorbereiding en motivering
4.6.
Indien de rechtmatigheid van een bepaling in een gemeentelijke belastingverordening die leidt tot een lastenverzwaring, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen wordt bestreden, dient de rechter eerst te toetsen aan het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van Pro de algemene wet bestuursrecht (Awb)) en het beginsel van een deugdelijke motivering. De belastingrechter dient bij de toetsing aan deze beginselen in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de belastingrechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast. Bij de toets aan deze beginselen komt het niet erop aan of de gegeven motivering steekhoudend is. Die vraag komt pas aan de orde bij de beoordeling of het evenredigheidsbeginsel en/of gelijkheidsbeginsel is geschonden. [2]
4.7.
Belanghebbende betoogt dat zij nadelige gevolgen ondervindt van de maximering van de vermindering die is opgenomen in onderdeel 4.3. van de Tarieventabel, omdat zij bij uitvoering van een groot project een procentueel kleinere vermindering van de leges krijgt, dan concurrerende kleinere bouwprojecten die bijvoorbeeld met een maximale vermindering van € 50.000 in het geheel geen leges betalen. Deze in de ogen van belanghebbende zwaardere belasting van grotere duurzame bouwprojecten leidt volgens belanghebbende tot een concurrentienadeel. De gemeenteraad heeft de nadelige gevolgen van dit concurrentienadeel niet afgewogen tegen het belang van de gemeente om de vermindering te maximeren.
4.8.
De heffingsambtenaar heeft weersproken dat belanghebbende nadelige gevolgen ondervindt van de maximering van de vermindering. Volgens de heffingsambtenaar zijn kleinere duurzame bouwprojecten niet vergelijkbaar met het onderhavige project dat belanghebbende heeft gerealiseerd. Daarmee kan de maximering van de vermindering ook niet leiden tot een concurrentienadeel voor belanghebbende.
4.9.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende in dit geval die feiten en omstandigheden stelt, en bij gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar aannemelijk maakt, die de conclusie rechtvaardigen dat in haar geval daadwerkelijk sprake is van gerechtvaardigde belangen die door de maximering van de vermindering worden geraakt. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er in dit geval niet in geslaagd om het van haar verlangde bewijs te leveren dat zij nadelige gevolgen in de vorm van een concurrentienadeel ondervindt van de maximering van de vermindering. Zonder nadere toelichting, die belanghebbende niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat belanghebbende met onderhavig bouwproject, dat bestaat uit de bouw van 600 (energiezuinige) woningen en waarvan de bouwkosten € 44 miljoen [3] bedroegen, daadwerkelijk in concurrentie treedt met duurzame bouwprojecten waarvan de bouwkosten veel lager zijn of die van een andere aard zijn.
4.10.
Ook overigens heeft de invoering van de vermindering van leges en de daaraan gestelde maximering niet geleid tot een lastenverzwaring voor belanghebbende in vergelijking met de situatie vóór invoering van deze vermindering. Als gevolg van de vermindering zijn voor ieder bouwproject dat voldoet aan de duurzaamheidscriteria zoals vermeld in paragraaf 4 van de Tarieventabel, ongeacht de omvang daarvan, minder leges verschuldigd dan vóór de invoering van de vermindering. Het Hof acht de maximering van de vermindering van de leges ook verder zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. Het Hof overweegt daartoe dat uit de in 2.2. weergegeven toelichting op het raadsvoorstel volgt dat het instellen van een maximumbedrag van € 50.000 voor de vermindering van de leges in onderdeel 4.3. van de Tarieventabel is gemotiveerd in de zin dat met dit maximum wordt beoogd te garanderen dat meer duurzame initiatieven kunnen worden gehonoreerd en dat de financiering van de vermindering beheersbaar en binnen het beschikbare budget van € 1.000.000 blijft. Bij die motivering zijn ook de ervaringen van de gemeente Enschede met een soortgelijke regeling betrokken. Uit de ervaringen van de gemeente Enschede volgt onder andere dat aanvragen van woningcorporaties en projectontwikkelaars een groot beslag leggen op de totale beschikbare financiële middelen voor een dergelijke maatregel. Uit de notulen van de vergadering van de gemeenteraad van 22 december 2016 volgt verder dat de maximering van de vermindering van de leges in die vergadering uitvoerig onderwerp van de discussie geweest. Daarbij is ook gesteld dat de vermindering voor een projectontwikkelaar of woningcorporatie niet doorslaggevend is bij de uitvoering van hun projecten. Verder is inherent aan de gekozen vormgeving van de vermindering van de leges en de maximering daarvan dat de vermindering van de leges op het totaalbedrag van de verschuldigde leges relatief gezien lager wordt naarmate de bouwkosten van een project hoger worden. Naar het oordeel van het Hof moet daarom worden aangenomen dat de belangen van ontwikkelaars van grotere bouwprojecten, zoals belanghebbende, zijn meegewogen bij de totstandkoming van de maximering van de vermindering van onderdeel 4.3. van de Tarieventabel.
Gelijkheidsbeginsel
4.11.
Het Hof begrijpt dat belanghebbende met haar beroep op het gelijkheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel in wezen betoogt dat de maximering van de vermindering discriminerend uitwerkt, omdat de maximering ertoe leidt dat bij kleinere duurzame projecten procentueel een hogere vermindering van de verschuldigde leges wordt gegeven dan bij grotere duurzame projecten.
4.12.
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar betoog dat de maximering van de vermindering leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. De maximale vermindering van de leges is zonder onderscheid van toepassing op alle belastingplichtigen, ongeacht de omvang van de bouwkosten. De omstandigheid dat de maximering van de vermindering van de leges ertoe leidt dat bij hogere bouwkosten in verhouding tot de totaal verschuldigde leges relatief gezien een lagere vermindering van de leges plaatsvindt, levert niet een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op. [4]
Evenredigheidsbeginsel
4.13.
Bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat het erom dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende regel worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van de regel beoordelen. In dit geval moet de toetsing van onderdeel 4.3. van de Tarieventabel materieel terughoudend zijn, aangezien uit de hiervoor in 2.2. – 2.5. aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis volgt dat bij de totstandkoming van dit onderdeel politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt. [5]
4.14.
Naar het oordeel van het Hof leidt de maximering van de vermindering van de leges niet tot schending van het evenredigheidsbeginsel. Zoals hiervoor in 4.10. overwogen, wordt met de maximering van de vermindering enerzijds nagestreefd dat meer duurzame initiatieven kunnen worden gehonoreerd en anderzijds ook dat de financiering van de vermindering beheersbaar en binnen het beschikbare budget van € 1.000.000 blijft. De standpunten van belanghebbende dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, komen er alle in wezen op neer dat belanghebbende het – niet alleen discriminerend maar ook – onevenredig acht dat de maximering van de vermindering van de leges er toe leidt dat bij hogere bouwkosten, in verhouding tot de totaal verschuldigde leges, relatief gezien een lagere vermindering van de leges plaatsvindt. Dat de maximering van de vermindering van de leges ertoe leidt dat bij hogere bouwkosten in verhouding tot de totaal verschuldigde leges relatief gezien een lagere vermindering plaatsvindt, acht het Hof – terughoudend toetsend – niet onevenredig met de hiervoor genoemde doelen die met de maximering van de vermindering worden beoogd. Indien geen maximum van de vermindering zou zijn opgenomen, zou dat betekenen dat het grootste deel van het gereserveerde budget reeds aan het project van belanghebbende zou worden besteed. Dit staat haaks op het doel van de gemeenteraad om meerdere ook kleinere duurzame projecten te kunnen honoreren met een vermindering van de leges. Dat, zoals belanghebbende betoogt, het project van belanghebbende minstens net zo veel bijdraagt aan duurzaamheidsdoestellingen van de gemeente dan meerdere kleinere projecten is hierbij verder niet van belang, nu de maximering van de vermindering niet tot doel heeft de duurzaamheidsdoelstellingen zo goed mogelijk te verwezenlijken, maar binnen de budgettaire ruimte duurzame projecten breed te stimuleren.
Gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur
4.15.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden, omdat het college niet overeenkomstig onderdeel 4.4. van de Tarieventabel beleid heeft ontwikkeld voor de toepassing van onderdeel 4.2.6. van de Tarieventabel. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het dan gaat om het oogmerk van begunstiging.
4.16.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is allereerst vereist dat belanghebbende wijst op gevallen waarin met haar vergelijkbare belastingplichtigen een gunstiger behandeling ten deel is gevallen dan zij zelf ondervindt. [6] Belanghebbende heeft niet een dergelijk geval aangedragen, zodat reeds om die reden het beroep op het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet slaagt.
Meerdere malen toepassing van de vermindering
4.17.
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar subsidiaire standpunt dat zij recht heeft op driemaal het de maximale vermindering van onderdeel 4.3. van de Tarieventabel, omdat zij recht heeft op vermindering van de leges op grond van zowel onderdeel 4.2.2. als de onderdelen 4.2.3 en 4.2.6. Uit de tekst van de Tarieventabel volgt dat de in 4.2.2. tot en met 4.2.6. genoemde verminderingen afzonderlijk en niet cumulatief worden toegepast, indien de aanvraag betrekking heeft op een project dat in verschillende categorieën valt. Het in onderdeel 4.3. genoemde maximum kan daarom ook slechts eenmaal worden toegepast.
Vergoeding van immateriële schade
4.18.
De Rechtbank heeft belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg toegekend van € 300. Bij het bepalen van de hoogte van deze vergoeding is de Rechtbank uitgegaan van een vergoeding van € 50 voor elk half jaar dat de redelijk termijn is overschreden. Belanghebbende heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Rechtbank uit had moeten gaan van een vergoeding van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. [7] Nu partijen overigens geen stellingen hebben ingenomen ten aanzien van de periode waarover de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade heeft berekend en de wijze waarop zij die vergoeding heeft verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat, zal het Hof hiervan uitgaan. Dit betekent dat het Hof de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zal vaststellen op € 3.000, waarvan 24/25 deel, € 2.880, voor rekening van de heffingsambtenaar komt en 1/25 deel, € 120, voor rekening van de Staat komt.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep te vergoeden. De Rechtbank heeft bepaald dat het griffierecht in eerste aanleg niet hoeft te worden vergoed. Belanghebbende heeft tegen deze beslissing geen gronden aangevoerd, zodat het Hof deze beslissing in stand zal laten.
Belanghebbende heeft in hoger beroep ook geen gronden aangevoerd tegen de beslissingen van de Rechtbank omtrent de proceskosten in eerste aanleg, zodat het Hof ook deze beslissingen in stand zal laten. Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 0,5  € 934). Het Hof hanteert in dit geval een wegingsfactor van 0,5, omdat belanghebbende alleen in het gelijk is gesteld op een punt ondergeschikt belang, namelijk op het punt van de vergoeding van immateriële schade.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende geleden immateriële schade in eerste aanleg tot een bedrag van € 2.880,
– veroordeelt de Staat in de door belanghebbende geleden immateriële schade in eerste aanleg tot een bedrag van € 120,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt van € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1174 en Hoge Raad 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943.
2.Vergelijk onder andere Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.4.1, Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385, rechtsoverweging 5.3.1., en Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.4.1.
3.€ 44.040.898 * 1,75% = € 770.715,72
4.Vergelijk Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780, r.o. 3.5.1.
5.Vergelijk Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.5.2.
6.Hoge Raad 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8260, r.o. 3.5.
7.Zie Hoge Raad 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, r.o. 4.2.1.