ECLI:NL:GHARL:2026:1641

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
200.352.930
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen arbeidsmigranten wegens late klacht en onvoldoende onderbouwing

Appellanten, voormalige arbeidsmigranten werkzaam als regiobegeleiders bij Goodstay, vorderden loon voor overuren en schadevergoeding wegens gevaarlijke werkomstandigheden. De kantonrechter verklaarde hen niet-ontvankelijk wegens schending van artikel 21 Rv Pro. Het hof oordeelt dat appellanten wel ontvankelijk zijn, maar wijst de vorderingen af.

Het hof stelt vast dat appellanten te laat hebben geklaagd over de vermeende tekortkomingen, waardoor Goodstay niet tijdig kon reageren of compenseren. Concrete aanwijzingen voor tijdige klachten ontbreken, ondanks dat appellanten stelden tijdens het dienstverband te hebben geklaagd. De stelplicht is onvoldoende nagekomen; de omvang van het overwerk is ongeloofwaardig en de onderbouwing van schade door onveilige omstandigheden is onvoldoende.

Bewijsaanbiedingen van appellanten worden niet toegelaten wegens gebrek aan belang en onvoldoende onderbouwing. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter dat appellanten niet-ontvankelijk verklaarde, maar wijst hun vorderingen inhoudelijk af en veroordeelt hen tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellanten af wegens schending van de klachtplicht en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.352.930
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 10883529
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van

1.[appellant1] ,

te [woonplaats1] , Polen,
2. [appellant2] ,
te [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam1] ,
3. [appellant3] ,
te [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam2] ,
4. [appellant4] ,
te [woonplaats4] , [provincienaam1] , Italië,
5. [appellant5] ,
te [woonplaats5] , België,
6. [appellant6] ,
te [woonplaats6] , Polen,
7. [appellant7] ,
te [woonplaats7] , Bulgarije,
8. [appellant8] ,
te [woonplaats8] , Bulgarije,
9. [appellant9] ,
te [woonplaats9] , gemeente [gemeentenaam3] ,
hierna samen te noemen: [appellanten] c.s ,
advocaat: mr. M.M. van der Marel,
tegen
GOODSTAY GROEP B.V.,
te Nijkerk,
hierna te noemen: Goodstay,
advocaat: mr. J.E.G. Joosten.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Bij dagvaarding van 27 februari 2025 hebben [appellanten] c.s. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 27 november 2024 dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem tussen partijen heeft gewezen. Goodstay heeft een anticipatie-exploot laten uitbrengen. [appellanten] c.s. hebben een memorie van grieven genomen en Goodstay een memorie van antwoord. Op 22 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal (een verslag) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.
1.2
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellanten] c.s. zijn arbeidsmigranten die in verschillende periodes tussen 2017 en 2021 voor Goodstay (dan wel een van haar rechtsvoorgangers) hebben gewerkt in de functie van regiobegeleider of een vergelijkbare functie. Zij waren in die functie verantwoordelijk voor de orde, hygiëne en netheid op woonlocaties van Goodstay, waar zij zelf ook woonden, en verrichtten reparatie- en onderhoudswerkzaamheden en administratieve taken zoals het registreren van nieuwe bewoners.
2.2
[appellanten] c.s. hebben bij de kantonrechter – kort gezegd – gevorderd dat aan hen alsnog loon voor overuren, vermeerderd met emolumenten, wordt uitbetaald en een schadevergoeding wegens het werken in een gevaarlijke omgeving. Goodstay heeft onder meer een beroep gedaan op schending van artikel 21 Rv Pro.
2.3
De kantonrechter heeft, na een tussenvonnis, [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van artikel 21 Rv Pro. De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] c.s. is dat hun vorderingen (tot betaling van in totaal ruim 1 miljoen euro) alsnog worden toegewezen.

3.Het oordeel van het hof

3.1
Het hof acht [appellanten] c.s. wel ontvankelijk, maar zal de vorderingen van [appellanten] c.s. afwijzen. Het hof legt dat hierna uit.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
3.2
Niet alle partijen zijn in Nederland gevestigd, zodat dit geschil een internationaal karakter heeft. Partijen zijn het erover eens dat de Nederlandse rechter bevoegd is van dit geschil kennis te nemen en dat Nederlands recht daarop van toepassing is. Ook ambtshalve ziet het hof geen aanleiding anders over zijn bevoegdheid te oordelen.
Artikel 21 Rv Pro
3.3
[appellanten] c.s. bestrijden dat zij artikel 21 Rv Pro hebben geschonden. Het hof stelt voorop dat de daarin neergelegde waarheids- en volledigheidsplicht in elke fase van de procedure geldt. Een schending van artikel 21 Rv Pro in eerste aanleg kan ook in hoger beroep consequenties hebben. De herstelfunctie van het hoger beroep staat daar niet aan in de weg. [1] [appellanten] c.s. kunnen dus niet aan de gevolgen van zo’n schending ontkomen door in hoger beroep niet langer een beroep te doen op gedingstukken die onjuiste informatie bevatten. Het standpunt van [appellanten] c.s. dat alleen de opzettelijke (poging tot) misleiding van de rechter tot niet-ontvankelijkheid aanleiding geeft, wordt door het hof niet gevolgd. Wel zijn de aard en de ernst van de schending en de overige omstandigheden van het geval bepalend voor de gevolgtrekking die de rechter – ook in hoger beroep – daaruit kan maken. [2]
3.4
[appellanten] c.s. hebben ter onderbouwing van hun stelling over het werken in gevaarlijke omstandigheden een foto van het politieoptreden bij de ‘tramaanslag’ in Utrecht op 18 maart 2019 in het geding gebracht, met het – onjuiste – bijschrift dat dit een politieoptreden is naar aanleiding van een incident op de Goodstay-locatie te Eindhoven (productie 55 bij inleidende dagvaarding). Zij betreuren de gang van zaken, en hebben toegelicht dat de foto per ongeluk is meegestuurd in een e-mail van de heer [appellant2] aan hun advocaat. Die e-mail is – ook in hoger beroep – niet in het geding gebracht. Goodstay heeft aangevoerd dat op de foto tramrails te zien zijn, die in Eindhoven niet voorkomen, en dat niet is opgehelderd welk incident dan wel is bedoeld. Hoewel voor [appellanten] c.s. duidelijk moet zijn geweest dat deze foto geen betrekking heeft op dit geschil, kent het hof hieraan een ander gewicht toe dan de kantonrechter. Het is niet zo dat er helemaal nooit enig politieoptreden bij Goodstay-locaties is geweest. Het gaat om een enkele foto, tussen meerdere (nieuws)berichten, die niet van wezenlijk belang is voor de beoordeling van de zaak. Volgens [appellanten] c.s. dienen de producties, zoals nieuwsberichten, ter illustratie van het bestaan van een structureel onveilige situatie op de locaties van Goodstay. [appellanten] c.s. hebben niet gesteld dat deze of andere producties die in eerste aanleg zijn overgelegd (zoals de door de kantonrechter genoemde producties 27 en 54) betrekking hebben op incidenten die zij zelf hebben meegemaakt. Volgens Goodstay wordt met bepaalde producties de indruk gewekt dat deze zien op (een van) eisers omdat er stellingen van die strekking zijn ingenomen, maar het hof begrijpt dat er volgens [appellanten] c.s. in algemene zin regelmatig sprake was van onveilige situaties. Ook waar [appellanten] c.s. verwijzen naar incidenten die plaatsvonden nadat alle eisers al uit dienst waren, levert dat naar het oordeel van het hof op zichzelf geen schending op van artikel 21 Rv Pro. Het hof heeft niet de overtuiging gekregen dat er hier feiten, zoals locatie en datum, zijn achtergehouden om de rechter (en ook de wederpartij) op het verkeerde been te zetten. Dit geldt ook voor de vaststellingsovereenkomst (vso) die [appellant1] , met bijstand van zijn huidige advocaat, op 18 november 2021 heeft gesloten met Goodstay. Er is toegelicht dat [appellanten] c.s. deze vso (productie 4 bij conclusie van antwoord ), waar Goodstay partij bij is en dus mee bekend was, niet hebben genoemd of in het geding gebracht omdat de daarin opgenomen finale kwijting zich volgens hen niet uitstrekt tot dit geschil. Een schending van artikel 21 Rv Pro ziet het hof hier niet in. Van [appellanten] c.s. kon niet zonder meer worden verwacht dat zij binnen de kaders van het door hen gestarte geschil bij voorbaat de vorderingsgerechtigdheid van een van hen ter discussie zouden stellen.
3.5
In hoger beroep zijn nog vragen gerezen naar aanleiding van een door [appellanten] c.s. overgelegde verklaring van een medewerker van de FNV over een Goodstay-locatie (productie 11 bij memorie van grieven). Ter zitting is toegelicht dat deze verklaring door de FNV-medewerker als bijlage bij een e-mail aan [appellant1] is gestuurd, door hem is doorgestuurd aan zijn advocaat, en dat alleen de bijlage als productie is overgelegd. Dat kan het ontbreken van een aanhef, datum en handtekening verklaren. Hoewel het de voorkeur had verdiend dat die e-mail ook in het geding zou zijn gebracht, en de verklaring een aantal hyperlinks naar onder meer nieuwssites bevat die vragen oproepen, heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten dat het hier om een (ver)vals(t)e verklaring zou gaan.
3.6
De aard en de ernst van de schending van artikel 21 Rv Pro, in samenhang met de overige omstandigheden, zijn daarmee niet zodanig dat de – zware – sanctie van niet-ontvankelijkverklaring in de omstandigheden van dit geval is aangewezen. Het benoemen van de onjuiste informatie, zoals het hof hierboven heeft gedaan, volstaat.
3.7
Dit betekent dat grief 1 van [appellanten] c.s. in zoverre slaagt, en dat [appellanten] c.s. kunnen worden ontvangen in hun vorderingen. Daarmee komt het hof toe aan de verdere inhoudelijke beoordeling van het geschil. Weliswaar vindt een substantieel deel van de beoordeling zodoende in één instantie plaats, maar niet kan worden gezegd dat de kantonrechter op louter processuele gronden niet is toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Terugverwijzen van de zaak is daarom niet aan de orde. [3] Partijen hebben het hof daar overigens ook niet om verzocht.
Klachtplicht
3.8
Goodstay heeft, als meest verstrekkend nader verweer, een beroep gedaan op de schending door [appellanten] c.s. van de klachtplicht. Het hof is van oordeel dat dit beroep op artikel 6:89 BW Pro, dat in beginsel geldt voor alle verbintenissen, [4] slaagt. Dat rust op de volgende overwegingen.
3.9
Pas tussen februari en december 2023 hebben [appellanten] c.s. via hun advocaat Goodstay aansprakelijk gesteld, in zeer algemene bewoordingen. Op dat moment waren [appellanten] c.s. al geruime tijd – in elk geval meerdere jaren – uit dienst. Twee van hen gingen uit dienst in 2018, vijf in 2020, en twee in 2021. Bij de uitdiensttreding is een eindafrekening gemaakt. Volgens Goodstay is er al die tijd niet geklaagd. [appellanten] c.s. hebben gesteld dat zij tijdens hun dienstverband Goodstay wel degelijk hebben aangesproken op het structureel moeten overwerken, de enorme werkdruk, en de structurele onveiligheid op de locaties, door drank- en drugsgebruik en agressie van de bewoners, zonder dat hier een (redelijke) vergoeding tegenover stond. Het hof constateert echter dat het ontbreekt aan concrete aanwijzingen daarvoor. En als er al zou zijn geklaagd, en daarbij enige (re)actie van Goodstay zou zijn uitgebleven, heeft dat kennelijk niet tot verdere actie van [appellanten] c.s. geleid. Volgens [appellanten] c.s. verkeren zij van aanvang af in bewijsnood omdat alle directe bewijzen van de wetenschap van Goodstay van het bedoelde overwerk en de gevaarlijke werkomstandigheden zich in de machtssfeer van Goodstay bevinden, maar dat standpunt overtuigt niet. Het hof wil aannemen dat [appellanten] c.s. niet elk appje, mailtje of briefje aan en van Goodstay hebben bewaard. Maar dat negen eisers die in periodes tussen 2017 en 2021 woonden en werkten op locatie, geen van allen (meer) beschikken over bewijsstukken van hun klachten, meldingen en/of correspondentie met Goodstay over – volgens hen bestaande – structurele problemen, kan het hof niet volgen. Volgens [appellanten] c.s. waren de contacten met Goodstay vooral telefonisch, maar concrete gegevens, zoals met wie, wanneer en naar aanleiding waarvan is gesproken, ontbreken. Ook in de eigen verklaringen van [appellanten] c.s. ontbreekt het aan concrete gegevens over klachten, meldingen en/of correspondentie met Goodstay vanwege overuren dan wel incidenten op de werkvloer. Dit, terwijl er bijvoorbeeld wel bewijsstukken zijn overgelegd van een enkel incident dat [appellant9] in de nacht van 8 op 9 juli 2020 is overkomen (agressie van een bewoner, waarna [appellant9] zich door een collega naar een arts heeft laten rijden die constateerde dat er wat klappen waren gevallen). [appellanten] c.s. hebben gesteld dat bij lang niet alle incidenten politie was betrokken of medische hulp nodig was, maar of en hoe zij dan wel melding hebben gemaakt bij Goodstay is onduidelijk gebleven, terwijl daar een team was dat zich met meldingen, klachten en incidenten bezighield.
3.1
Het hof heeft al met al onvoldoende aanwijzingen dat [appellanten] c.s. , ondanks de gestelde kenbare gebreken in de prestatie, bij Goodstay hebben geklaagd (of enige (vervolg)actie hebben ondernomen) vóór de aansprakelijkstellingen door hun advocaat in de loop van 2023. Dat is te laat. Op grond van de arbeidsovereenkomsten van [appellanten] c.s. en de daarop toepasselijke Employee [naam1] werden overuren – binnen redelijke grenzen (“within reasonable limits”) – niet (aanvullend) vergoed, omdat deze geacht worden te zijn verdisconteerd in het salaris. Met Goodstay is het hof van oordeel dat haar door het te late protesteren de mogelijkheid is ontnomen om de gestelde overuren te compenseren in vrije tijd of de werkzaamheden anders in te richten teneinde de gestelde overbelasting door het werk te beperken. Wat betreft de gestelde onveiligheid op de werkvloer gold op de Goodstay-locaties een huishoudelijk reglement met duidelijke huis- en leefregels met betrekking tot alcohol, drugs en onderling gedrag. Op grond daarvan konden bewoners in geval van incidenten na waarschuwingen worden verwijderd. Dat is ook gebeurd in de praktijk, zoals [appellanten] c.s. zelf aanvoeren. Als dat reglement toch structureel tekortschoot, zoals [appellanten] c.s. in wezen stellen, had Goodstay daar actie op kunnen ondernemen en konden de gevolgen van de gestelde tekortkoming worden beperkt voor zover er tijdig zou zijn geklaagd. Naar het oordeel van het hof staat ook voldoende vast dat Goodstay in haar bewijspositie is geschaad door het uitblijven van tijdig protest. Zij wordt nu immers aangesproken op werkomstandigheden van oud-werknemers van vele jaren geleden. Goodstay heeft daarbij aangevoerd dat zij, na een overname in september 2020, niet meer over alle informatie en administratie beschikt.
3.11
[appellanten] c.s. hebben nog gesteld dat zij pas over hun rechtspositie naar Nederlands arbeidsrecht zijn geïnformeerd na de beëindiging van hun arbeidsovereenkomsten. Wat hiervan zij, uit de eigen stellingen van [appellanten] c.s. volgt dat hun arbeidsovereenkomsten, loonstroken en ook posters op de Goodstay-locaties heel andere werktijden vermeldden dan zij beweerdelijk moesten aanhouden. Wat betreft de gestelde onveiligheid informeerden [appellanten] c.s. zelf in hun functie de (nieuw aangekomen) bewoners over de huis- en leefregels, (mede) aan de hand van een instructievideo. Dat [appellanten] c.s. niet in staat zouden zijn geweest om eerder te klagen bij Goodstay blijkt niet – nog daargelaten dat dit standpunt zich niet verdraagt met hun stelling over klagen tijdens hun dienstverband. Het verklaart ook niet waarom er nog jaren na het eindigen van de arbeidsovereenkomsten met klagen is gewacht.
3.12
Het hof kent tegen deze achtergrond het meeste gewicht toe aan het nadeel dat Goodstay lijdt door het te late protesteren, ondanks de voor [appellanten] c.s. ingrijpende gevolgen van verval van al hun rechten ter zake van de (gestelde) tekortkomingen. De stelling van [appellanten] c.s. dat arbeidsmigranten zich in een sterk afhankelijke positie bevinden ten opzichte van de werkgever maakt dat niet anders. De suggestie dat [appellanten] c.s. geïntimideerd zouden zijn door Goodstay strookt ook niet met hun betoog dat zij hebben geklaagd tijdens het dienstverband.
Stelplicht
3.13
Bij het voorgaande komt nog dat het hof niet kan vaststellen dat de tekortkomingen zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. De stelling dat [appellanten] c.s. feitelijk tot structureel overwerk verplicht werden (in afwijking van hun arbeidsovereenkomsten) rust vooral op hun eigen verklaringen. Het beeld dat daaruit oprijst roept vragen op. Zo verklaren drie van de eisers – zonder onderbouwing – dat zij minstens 32 uur meer moesten werken dan volgens hun arbeidsovereenkomst, terwijl [appellanten] c.s. vergoeding vorderen van 75 overuren per gewerkte week. Dit komt neer op werkweken van 115 uur, en dat jarenlang. Dit alles acht het hof ongeloofwaardig. De toelichting van [appellanten] c.s. dat het wonen en werken op dezelfde locatie meebracht dat [appellanten] c.s. ‘24/7’ beschikbaar moesten zijn en nooit rust hadden, zegt te weinig en is niet uitgewerkt. Goodstay heeft een en ander ook gemotiveerd weersproken. Volgens Goodstay werkten [appellanten] c.s. vijf dagen per week, en konden zij zelf hun werktijden inrichten binnen de maximale tijden, waar ook onbetaalde pauzes bij hoorden. Goodstay heeft de werktijden onderbouwd met stukken, waaronder verklaringen van oud-werknemers die er in dezelfde periodes werkten als [appellanten] c.s. Ook de verklaring van de voorman die [appellanten] c.s. zelf in het geding hebben gebracht (productie 30 bij inleidende dagvaarding) sluit daar op aan. Verder blijkt uit overgelegde (voorbeelden van) roosters dat er twee vrije dagen per week werden ingepland, en dat er vakantiedagen konden worden opgenomen. Dat volgt ook uit de overgelegde verlofkaarten en eindafrekeningen. Dat ziekmeldingen niet serieus genomen zouden zijn of dat feestdagen niet mochten worden genoten blijkt nergens uit, en is ook weersproken door Goodstay. Goodstay heeft ook toegelicht dat [appellanten] c.s. niet steeds alleen werkten, en zich konden laten vervangen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Goodstay hebben [appellanten] c.s. hun stellingen over hun loonaanspraken (met emolumenten) naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd.
3.14
Dit geldt ook voor de schade door gevaarlijke werkomstandigheden. [appellanten] c.s. willen een beeld van structurele misstanden op Goodstay-locaties schetsen. Afgezien van het al genoemde incident dat [appellant9] is overkomen in juli 2020, verwijzen [appellanten] c.s. echter naar (nieuws)berichten over incidenten waar zij zelf niet bij waren betrokken – en die ook grotendeels dateren van na hun uitdiensttreding. Er is bovendien onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat [appellanten] c.s. lichamelijk of psychisch letsel (al dan niet in de vorm van PTSS) hebben geleden door de werkomstandigheden. Zo ontbreekt het aan verklaringen van deskundigen zoals artsen of andere hulpverleners ter onderbouwing van de gestelde schade en het verband met het werk. Er is slechts één brief overgelegd van een GZ-psycholoog, waarin melding wordt gemaakt van werkstress-gerelateerde klachten bij [appellant1] . Dat volstaat niet. De foto’s van een gezwollen enkel en van beschadigingen aan een auto tonen ook onvoldoende aan dat er sprake is van de gestelde tekortkoming en de schade, alleen al omdat tegenover de betwisting van Goodstay niet concreet is toegelicht of onderbouwd door [appellanten] c.s. dat dit een van hen betrof, of dat dit werk-gerelateerd was. Aan incident-rapporten die niet aan een van de eisers zijn te koppelen en waarvan Goodstay ook heeft betwist dat dit [appellanten] c.s. betrof, komt evenmin voldoende gewicht toe. Het valt nog op aan de eigen verklaringen van [appellanten] c.s. dat drie van de eisers, los van elkaar, exact hetzelfde incident zou zijn overkomen (producties 12, 14, 18 bij inleidende dagvaarding). Goodstay heeft daar ook op gewezen, maar een toelichting of onderbouwing van de zijde van [appellanten] c.s. is uitgebleven. Dit doet het hof twijfelen aan het waarheidsgehalte van deze, ook verder in vrijwel identieke bewoordingen gestelde, verklaringen. De inhoud van de eerdergenoemde verklaring van de FNV-medewerker over een Goodstay-locatie is weinig concreet, en is door Goodstay gemotiveerd weersproken. Die verklaring bevat ook verwijzingen naar hyperlinks van berichten over incidenten van na 2021, terwijl uit de verklaring blijkt dat deze FNV-medewerker toen niet meer werkzaam was voor het project bij de locatie waarover hij verklaart. Goodstay heeft er verder nog op gewezen dat het aantal incidenten dat werkelijk heeft plaatsgevonden op haar locaties relatief beperkt is. De suggestie van [appellanten] c.s. , tot slot, dat Goodstay ten tijde van de coronapandemie niet voldoende beschermende maatregelen zou hebben genomen is in het geheel niet onderbouwd, en is ook gemotiveerd weersproken.
3.15
[appellanten] c.s. hebben, kortom, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van Goodstay, hun vorderingen onvoldoende onderbouwd. Ook daarop strandt het hoger beroep.
Gelet op het voorgaande hoeven verdere verweren van Goodstay, zoals het beroep op finale kwijting ten aanzien van [appellant1] en op verjaring, geen bespreking.
Bewijs
3.16
[appellanten] c.s. hebben bewijsaanbiedingen (met getuigen) gedaan. Het hof komt echter niet toe aan bewijslevering bij gebrek aan belang vanwege het verval van hun rechten, en omdat het schort aan voldoende onderbouwing van de stellingen van [appellanten] c.s. (mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door Goodstay). Los daarvan hebben [appellanten] c.s. ook niet voldoende concrete feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden om tot bewijslevering te worden toegelaten.
De conclusie
3.17
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal weliswaar het bestreden vonnis vernietigen omdat de niet-ontvankelijkverklaring niet in stand blijft, maar zal de vorderingen van [appellanten] c.s. afwijzen. Omdat [appellanten] c.s. in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] c.s. tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [5]

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 27 november 2024, en beslist:
wijst de vorderingen van [appellanten] c.s. af;
4.2
veroordeelt [appellanten] c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van Goodstay:
€ 6.803 aan griffierecht
€ 119,40 aan kosten voor de betekening van het anticipatie-exploot
€ 13.218 aan salaris van de advocaat van Goodstay (2 procespunten x appeltarief VIII)
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, D. Visser en W. Heemskerk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144.
2.Vgl. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144; HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675.
3.Vgl. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:97; HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857.
4.Vgl. HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278; HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1281.
5.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.