ECLI:NL:GHARL:2026:165

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.340.967
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over schadevergoeding en btw-verplichtingen bij aanneming van werk

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 januari 2026, gaat het om een hoger beroep van twee consumenten, [appellant1] en [appellant2], tegen een eerdere uitspraak van de kantonrechter. De zaak betreft een geschil over de betaling van extra kosten voor het maken van dakkapelkozijnen door een timmerbedrijf, [geintimeerde]. De consumenten hadden een offerte ontvangen voor het maken van zeven kozijnen, maar uiteindelijk zijn er twaalf kozijnen gemaakt. De consumenten hebben een deel van de factuur niet betaald en stellen dat de btw die hen in rekening is gebracht onverschuldigd is, omdat de offerte geen prijs inclusief btw vermeldde. De kantonrechter had de vordering van het timmerbedrijf toegewezen, maar de consumenten kwamen in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof oordeelt dat de consumenten niet onverschuldigd btw hebben betaald, omdat zij wisten dat de offerte exclusief btw was. Het hof bevestigt dat de consumenten ook een schadevergoeding verschuldigd zijn aan het timmerbedrijf op basis van ongerechtvaardigde verrijking, omdat zij de extra kozijnen hebben ontvangen zonder daarvoor te betalen. Het hof legt uit dat de consumenten onvoldoende bewijs hebben geleverd voor hun claim dat de kozijnen niet pasten en dat de aannemer niet in verzuim was. Uiteindelijk wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 3.105,55, plus een bedrag van € 1.500 voor extra werkzaamheden. Het hof bekrachtigt de eerdere uitspraak van de kantonrechter voor het overige en legt de proceskosten bij de consumenten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.340.967
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort: 10570694
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van

1.[appellant1]

2. [appellant2]
die wonen in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.C. Wery
en
[geintimeerde] , handelend onder de naam Timmerbedrijf [geintimeerde]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. L. Alberts

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 18 juni 2024 heeft op 29 augustus 2024 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
1.2.
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 oktober 2025 is gehouden.
1.3.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geintimeerde] heeft op 28 januari 2022 een offerte uitgebracht aan [appellant1] en [appellant2] voor het maken van 7 kozijnen en 2 deuren en voor het leveren van 37 losse ramen. In de offerte stond: “
Dit kunnen we aanbieden voor € 52.500,- excl. btw. Offerte is excl. plaatsen en aftimmerwerk.” Op 13 februari 2022 zijn [appellant1] en [appellant2] akkoord gegaan met de offerte. Zij hebben daarbij ook nog opdracht gegeven voor het vervangen van de ramen boven in de erker op de eerste verdieping, voor € 1.500. [geintimeerde] heeft uiteindelijk in plaats van zeven kozijnen, twaalf kozijnen voor [appellant1] en [appellant2] gemaakt. In zijn eindfactuur van 28 december 2022 heeft [geintimeerde] voor meerwerk van vijf dakkapelkozijnen € 1.282,45 aan materiaal en € 2.704 aan arbeid in rekening gebracht, vermeerderd met 21% btw. Op de eindfactuur is ook een meerwerkpost van € 1.742 (ook vermeerderd met 21% btw) voor 33,5 uur arbeid voor de montage van ramen en deuren in rekening gebracht. Deze post had te maken met de tijd die [geintimeerde] heeft gestoken in het helpen van de aannemer van [appellant1] en [appellant2] (klussenbedrijf [de aannemer] vof) bij de montage van de geleverde (draai)ramen en een deur. Volgens de eindfactuur moesten [appellant1] en [appellant2] nog € 12.292,95 inclusief btw betalen. Van dit bedrag hebben [appellant1] en [appellant2] € 10.699,96 onbetaald gelaten. Ook de daarna nog opgemaakte factuur voor het meerwerk van de erkerramen op de eerste verdieping (€ 1.500 exclusief en € 1.815 inclusief btw) hebben zij onbetaald gelaten.
2.2.
Bij de kantonrechter vroeg [geintimeerde] betaling van € 13.509,46 inclusief btw, incassokosten en rente en exclusief proceskosten. [appellant1] en [appellant2] vroegen, in reconventie, betaling van € 4.000 als schadevergoeding omdat de kozijnen niet pasten, waardoor zij [de aannemer] meer hebben moeten betalen doordat hij meer tijd kwijt was met het plaatsen van de kozijnen.
2.3.
De kantonrechter heeft in haar vonnis van 14 februari 2024 (gepubliceerd in ECLI:NL:RBMNE:2024:633) de vordering van [geintimeerde] toegewezen tot € 11.293,45, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter oordeelde dat [appellant1] en [appellant2] de in rekening gebrachte bedragen voor het maken van de dakkapelkozijnen en voor de montage van de ramen en deuren verschuldigd zijn omdat zij (ter hoogte van de gefactureerde bedragen) ongerechtvaardigd zijn verrijkt door dat meerwerk. Wat betreft de meerwerkpost voor het vervangen van erkerramen op de eerste verdieping, heeft de kantonrechter overwogen dat niet betwist is dat [appellant1] en [appellant2] daartoe opdracht hebben gegeven en dat zij hiervoor een bedrag van € 1.815 inclusief btw aan [geintimeerde] verschuldigd zijn. De reconventionele vordering tot betaling van schadevergoeding aan [appellant1] en [appellant2] heeft de kantonrechter afgewezen.
2.4.
[appellant1] en [appellant2] komen in dit hoger beroep op tegen de toegewezen vorderingen, met uitzondering van de toewijzing van € 1.500 voor het vervangen van de erkerramen. Verder komen zij op tegen de afwijzing van hun reconventionele vordering. In hoger beroep hebben zij hun schadevergoedingsvordering in reconventie vermeerderd tot een bedrag van € 7.260. Verder hebben zij hun eis in hoger beroep vermeerderd met de vordering tot terugbetaling van de door hen aan [geintimeerde] betaalde btw van € 10.500 (over de drie termijnfacturen). Die btw is volgens hen onverschuldigd betaald. [geintimeerde] is van mening dat het vonnis van de kantonrechter moet worden bekrachtigd.
2.5.
Het hof komt tot de beslissing dat [appellant1] en [appellant2] de btw niet onverschuldigd hebben betaald, dat zij voor de dakkapelkozijnen en voor de montage van ramen en deuren een iets lager bedrag moeten betalen dan door de kantonrechter toegewezen, dat zij ook de gehele factuur van € 1.815 verschuldigd zijn en dat hun schadevergoedingsvordering moet worden afgewezen. Hierna zal het hof toelichten waarom het tot die beslissingen komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Btw is verschuldigd
3.1.
Partijen twisten in hoger beroep over de vraag of [appellant1] en [appellant2] gehouden waren om btw te betalen over de door [geintimeerde] gefactureerde bedragen. Vaststaat dat de betaalde btw door [geintimeerde] aan de fiscus is afgedragen.
3.2.
[appellant1] en [appellant2] stellen zich op het standpunt dat, omdat zij consumenten zijn, [geintimeerde] op grond van de artikelen 6:193e lid 1 sub c en 6:230l aanhef en onder c BW en artikel 38 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (Wet OB) verplicht was om een prijs inclusief btw te offreren. Omdat hij dat niet heeft gedaan, zijn zij geen btw verschuldigd en hebben zij de door hen betaalde btw van in totaal € 10.500 onverschuldigd betaald. Zij hebben de overeenkomst voor zover daarin is bepaald dat btw is verschuldigd buitengerechtelijk vernietigd.
3.3.
[geintimeerde] betwist de stellingen van [appellant1] en [appellant2] . Volgens hem wisten zij dat zij over het geoffreerde bedrag btw verschuldigd waren. Niet alleen stond achter het geoffreerde bedrag van € 52.500 “
excl. btw”, maar ook was in de drie termijnfacturen (de eerste dateert van 21 maart 2022 en de laatste van 21 oktober 2022) telkens de btw van 21% vermeld en opgeteld bij de in rekening gebrachte (termijn)bedragen. Deze termijnfacturen hebben [appellant1] en [appellant2] steeds zonder klacht of vraag inclusief de berekende btw betaald. [geintimeerde] voert verder aan dat [appellant1] en [appellant2] op 17 maart 2023 een aantal niet betwiste posten van de eindfactuur aan [geintimeerde] hebben betaald, eveneens inclusief 21% btw, welk btw-bedrag zij zelf over die posten hadden uitgerekend. Ook daaruit blijkt volgens hem dat [appellant1] en [appellant2] wisten dat zij 21% btw zouden moeten betalen over de geoffreerde bedragen. Bovendien voert [geintimeerde] in dit verband nog aan dat [appellant2] partner is bij een groot advocatenkantoor, en dus ook ondernemer, en dat ook [appellant1] universitair geschoold is en een hoge functie in het maatschappelijk leven kende. Het feit dat zij meer kennis hadden dat de gemiddelde consument maakt volgens [geintimeerde] dat het in dit specifieke geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant1] en [appellant2] een beroep doen op deze consumentenbescherming, althans misbruik maken van het recht om dit te doen. Tot slot stelt [geintimeerde] dat als [appellant1] en [appellant2] al een beroep zou toekomen op de bedoelde consumentenbescherming, zij hun rechten op dit beroep hebben verwerkt door zich pas op 29 april 2024 voor het eerst op het standpunt te stellen dat zij geen btw verschuldigd waren.
3.4.
Met betrekking tot het juridisch kader stelt het hof voorop dat een handelaar die met een consument handelt ingevolge artikel 6:193d lid 2 BW verplicht is essentiële informatie te geven die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen. Daartoe behoort volgens artikel 6:193e lid 1 sub c BW de prijs inclusief belastingen, voor zover deze niet reeds uit de context blijkt. Bij beantwoording van de vraag of [appellant1] en [appellant2] over de prijs van het werk zijn misleid, moet de rechter uitgaan van de verwachtingen van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument [1] . Ook uit artikel 6:230l aanhef en onder c BW (hier toepasselijk omdat als onbetwist vaststaat dat de overeenkomst niet buiten de verkoopruimte of op afstand is gesloten) volgt dat de handelaar, voor zover de informatie niet reeds duidelijk uit de context blijkt, de prijs inclusief belastingen moet verstrekken.
In artikel 38 Wet OB is bepaald dat het de ondernemer verboden is om aan anderen dan ondernemers en publiekrechtelijke lichamen goederen en diensten aan te bieden tegen prijzen met zodanige aanduidingen dat de omzetbelasting niet in de prijzen zou zijn begrepen. In artikel 42 van dezelfde wet staat dat hij die het in artikel 38 vervatte verbod overtreedt wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie.
3.5.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het feit dat in de offerte een prijs is aangeboden van “€ 52.500,- excl. btw” dat bovenop het genoemde bedrag nog btw in rekening zou worden gebracht. Dit moet voor de gemiddelde (dus: normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende) consument in ieder geval duidelijk zijn geweest. Daarmee heeft [geintimeerde] voldoende prijsinformatie gegeven om [appellant1] en [appellant2] in staat te stellen een geïnformeerd besluit te nemen. [appellant2] heeft tijdens de zitting bij het hof verklaard dat zij over de toevoeging “exclusief btw” heeft heengelezen. Dat kan echter niet aan [geintimeerde] worden tegengeworpen. Het is aan de (redelijk oplettende en voorzichtige) consument om de offerte voldoende aandachtig te lezen. [appellant1] en [appellant2] hebben nog aangevoerd dat onduidelijk was of het verschuldigde btw-bedrag 9% of 21% bedroeg. Daar heeft [geintimeerde] tegenin gebracht dat hij enkel kozijnen heeft gemaakt en ramen heeft geleverd en dat daarbij, zoals een gemiddelde consument weet, een btw van 21% hoort. Enkel bij een aantal diensten, zoals het uitvoeren van schilderwerk, is dat anders, in elk geval was dat ten tijde van het belastbare feit anders. Of het in de grondverf zetten van de daarná geleverde kozijnen onder een lager tarief valt, blijkt pas wanneer het belastbare feit zich voordoet: het tarief dat op dat moment geldt is bepalend voor de hoogte van de btw. [appellant1] en [appellant2] hebben in het licht van het voorgaande niet voldoende gemotiveerd gesteld dat de informatie in de offerte niet klopt of onvolledig en daardoor misleidend is. Dat zij wel degelijk wisten dat zij (21%) btw verschuldigd waren over de aangeboden prijs kan overigens worden afgeleid uit het feit dat zij de verschillende termijnfacturen inclusief de daarop uitgeschreven btw-bedragen van 21% telkens zonder vragen te stellen hebben betaald en dat zij op 17 maart 2023 een aantal niet betwiste posten van de eindfactuur hebben betaald, inclusief het door henzelf daarbij toegepaste btw-tarief van 21%.
3.6.
[geintimeerde] heeft artikel 38 Wet OB niet overtreden, omdat hij met de aanduiding “excl. btw” heeft duidelijk gemaakt dat ook btw in rekening zou worden gebracht: na een aanvaarding van de offerte zouden [appellant1] en [appellant2] hem de prijs zijn verschuldigd die bestaat uit het totaal van het offertebedrag en de over dat bedrag verschuldigde de btw.
3.7.
De conclusie van het voorgaande is dat de door [appellant1] en [appellant2] betaalde btw niet onverschuldigd aan [geintimeerde] is betaald omdat deze betalingsverplichting uit de aannemingsovereenkomst voortvloeit, welke overeenkomst niet vernietigbaar is.
3.8.
[appellant1] en [appellant2] stellen zich in hoger beroep ook op het standpunt dat zij geen btw verschuldigd zijn over de door hen erkende meerprijs van € 1.500 voor de ramen in de erker op de eerste verdieping. Vaststaat dat [appellant1] en [appellant2] op 13 februari 2022 aan [geintimeerde] de opdracht hebben verstrekt om ook die ramen te maken. Daarbij schreef [appellant2] : “
En wij willen graag jouw advies opvolgen over de ramen boven in de erker op de 1e verdieping. (…) Als ik mij goed herinner kost dat een € 1.500 meer dan in de offerte.” Deze opdracht dateert dus van na de offerte van 28 januari 2022, waarin de prijs van € 52.500 exclusief btw was genoemd. Omdat daarmee voor [appellant1] en [appellant2] , zoals uit het voorgaande volgt, voldoende duidelijk was of had moeten zijn dat over dat bedrag nog 21% btw gerekend zou worden, geldt datzelfde in beginsel ook voor de opdracht ter zake van de ramen in de erker. [appellant1] en [appellant2] hebben niet aangevoerd waarom hun verwachtingen met betrekking tot deze meerwerkopdracht anders zouden zijn dan voor de opdracht die zij op basis van de offerte hebben verstrekt. Het hof is daarom van oordeel dat [appellant1] en [appellant2] ook over deze post van € 1.500 btw zijn verschuldigd.
Meerwerk dakkapelkozijnen
3.9.
Tussen partijen staat vast dat [geintimeerde] vijf kozijnen meer heeft gemaakt dan hij heeft geoffreerd. Partijen twisten echter over de vraag of [appellant1] en [appellant2] daartoe opdracht hebben gegeven. [geintimeerde] stelt zich op het standpunt dat hij die opdracht telefonisch heeft gekregen, nadat hij met [appellant1] en [appellant2] had gezien dat de kozijnen op zolder in een slechtere staat waren dan werd aangenomen ten tijde van de verstrekking van de opdracht op 13 februari 2022. Op 15 maart 2022, na toezending door [geintimeerde] van een tekening van de te maken zolderkozijnen, heeft [appellant2] geschreven “
Dat ziet er goed uit. We gaan ermee akkoord”. Ook daarmee hebben [appellant1] en [appellant2] volgens [geintimeerde] de opdracht verstrekt of bevestigd. [appellant1] en [appellant2] stellen zich echter op het standpunt dat zij daarmee alleen akkoord hebben gegeven op de nieuwe indeling van de zolderramen. Zij hadden niet in de gaten dat volgens de tekening extra kozijnen zouden worden geleverd. Dat [geintimeerde] twaalf kozijnen had gemaakt in plaats van zeven, werd hen pas duidelijk door toezending van de eindfactuur van 28 december 2022, aldus [appellant1] en [appellant2] .
3.10.
Partijen zijn het erover eens dat [geintimeerde] geen offerte heeft verstrekt of prijs heeft genoemd voor het maken van de vijf extra kozijnen (anders dan voor de ramen in de erker op de eerste verdieping). [geintimeerde] heeft, zo heeft hij ter zitting erkend, ook geen concrete informatie verstrekt op basis waarvan [appellant1] en [appellant2] die kosten zelf konden uitrekenen. Hij heeft de meerkosten berekend in lijn met de offerte van 28 januari 2022, aan de hand van het gebruikte materiaal en de arbeidsuren. Volgens hem hadden [appellant1] en [appellant2] de noodzaak van een uit het opgedragen meerwerk voortvloeiende prijsverhoging uit zichzelf moeten begrijpen, zodat hij hen (op grond van artikel 7:755 BW) daar niet op hoefde te wijzen. [appellant1] en [appellant2] wijzen erop dat artikel 6:230l aanhef en onder c BW meebrengt dat [geintimeerde] hen ook ter zake van het meerwerk op duidelijke en begrijpelijke wijze had moeten informeren over de hoogte van de meerprijs.
3.11.
Het hof zal hierna achtereenvolgens twee scenario’s bespreken, eerst het scenario waarin [appellant1] en [appellant2] een meerwerkopdracht voor vijf extra kozijnen hebben verstrekt aan [geintimeerde] , zoals [geintimeerde] meent, en vervolgens het scenario dat daartoe geen opdracht is verstrekt, zoals [appellant1] en [appellant2] menen. Het hof zal, zoals hierna zal blijken, oordelen dat in beide gevallen wordt toegekomen aan een (beperkte) vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking.
-
uitgaand van een meerwerkopdracht
3.12.
Als [appellant1] en [appellant2] hun akkoord hebben gegeven voor de meerwerkopdracht voor vijf extra kozijnen, dan geldt het volgende. Op grond van artikel 7:752 lid 1 BW is de opdrachtgever, wanneer bij het sluiten van een meerwerkovereenkomst geen prijs is bepaald, een redelijke prijs verschuldigd. [geintimeerde] heeft gesteld dat hij de prijs van het meerwerk heeft berekend in lijn met de offerte van 28 januari 2022. Hij heeft daar nog iets vanaf gedaan, doordat hij de oorspronkelijk separaat in rekening gebrachte ramen behorende bij deze kozijnen, van de prijs heeft afgetrokken. Ter zitting heeft [geintimeerde] verklaard dat hij in totaal voor de vijf kozijnen € 4.500 in rekening gebracht, minder dan 10% van de offerte. Volgens [geintimeerde] is de in rekening gebrachte meerprijs dus redelijk. [appellant1] en [appellant2] hebben dit niet betwist. Zij hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat de prijs onredelijk is. Daarom zijn [appellant1] en [appellant2] op grond van artikel 7:752 lid 1 BW in beginsel dit bedrag aan [geintimeerde] verschuldigd.
3.13.
[appellant1] en [appellant2] hebben echter terecht opgemerkt dat omdat sprake is van een consumentenovereenkomst beoordeeld moet worden of de meerwerkovereenkomst voldoet aan de Richtlijn consumentenrechten, geïmplementeerd in artikel 6:230g e.v. BW. Een handelaar moet de consument duidelijke informatie over de prijs geven (zie hiervoor onder 3.4), zodat de consument op goed geïnformeerde wijze kan beslissen of hij de opdracht tot meerwerk wil verstrekken. Deze bepaling van consumentenbescherming is strenger dan, en gaat voor op artikel 7:755 BW. De Hoge Raad [2] heeft ten aanzien van de Richtlijn consumentenbescherming overwogen dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan (onder andere) essentiële informatieplichten is voldaan en voorts of hij ambtshalve een sanctie moet toepassen. Die sanctie moet doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De sanctie kan, in geval van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten bestaan uit de vernietiging van de overeenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW (strijd met een dwingende wetsbepaling die uitsluitend strekt ter bescherming van één van de partijen bij een meerzijdige rechtshandeling) of uit gedeeltelijke vernietiging met vermindering van de (betalings)verplichtingen van de consument. De in artikel 6:230 m lid 1 onder e BW (ten aanzien van overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte) vastgelegde plicht om informatie over de prijs te verstrekken, is zo’n essentiële informatieplicht. Uit een recent arrest van de Hoge Raad [3] leidt het hof af dat hetzelfde geldt voor de in artikel 6:230l aanhef en onder c BW – met betrekking tot overeenkomsten die binnen de verkoopruimte zijn gesloten – opgenomen gelijkluidende plicht om prijsinformatie te verschaffen. In de literatuur werd al aangenomen dat voor de essentiële informatieplichten in artikel 6:230l BW hetzelfde geldt. In de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton, naar aanleiding van voormeld arrest van de Hoge Raad, ontwikkelde ‘Richtlijn sanctiemodel informatieplichten’ wordt daar ook van uitgegaan.
3.14.
Het hof gaat er daarom van uit dat een schending van de plicht om informatie over de prijs te verschaffen (niet alleen genoemd in artikel 6:230l aanhef en onder c BW, maar ook in het eveneens ambtshalve toe te passen artikel 6:193e lid 1 sub c BW, zie hiervoor onder 3.4) ook (en op dezelfde wijde) moet worden gesanctioneerd in het geval de overeenkomst binnen de verkoopruimte is gesloten. Daarom kan in het midden blijven of ook ten aanzien van de (hier veronderstellenderwijze aangenomen) meerwerkovereenkomst al dan niet sprake is van een overeenkomst op afstand en buiten de verkoopruimte. Omdat vaststaat dat [geintimeerde] geen meerwerkprijs heeft genoemd, noch de manier waarop de prijs zou worden berekend, heeft hij de essentiële informatieplicht van artikel 6:230m lid 1
onder e dan wel 6:230l aanhef en onder c BW geschonden. Dat kan leiden tot gehele vernietiging van de meerwerkovereenkomst dan wel tot gedeeltelijke vernietiging van die overeenkomst en de toepassing van een korting volgens het (niet bindende) sanctiemodel. Vernietiging brengt mee dat geen van beide partijen recht heeft op de overeengekomen prestatie. Een ter uitvoering van de overeenkomst geleverd goed moet worden teruggegeven en een verrichte prestatie moet ongedaan worden gemaakt. De Hoge Raad [4] heeft bepaald dat als die ongedaanmaking niet meer mogelijk is, de handelaar recht kan hebben op een vergoeding op grond van artikel 6:203, 6:210 of 6:212 BW. In dit geval doet [geintimeerde] een beroep op artikel 6:212 BW, stellende dat [appellant1] en [appellant2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt door de levering van de – op maat gemaakte en inmiddels ingemetselde – dakkapelkozijnen. Vaststaat dat deze dakkapelkozijnen niet meer kunnen worden teruggegeven.
3.15.
Indien [appellant1] en [appellant2] het meerwerk hebben opgedragen, vormt de gehele vernietiging van de meerwerkovereenkomst naar het oordeel van het hof een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige sanctie. Dat heeft dan tot gevolg dat beide partijen met terugwerkende kracht niet aan de overeenkomst zijn gebonden (zie artikel 3:53 BW). Hieronder zal het hof ingaan op het door [geintimeerde] gedane beroep op ongerechtvaardigde verrijking.
-
uitgaand van het ontbreken van een meerwerkopdracht
3.16.
Ook in het scenario dat geen meerwerkopdracht is verstrekt, doet [geintimeerde] een beroep op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). De kantonrechter heeft aangenomen dat [appellant1] en [appellant2] tot het bedrag van de op de eindfactuur in rekening gebrachte meerwerkkosten voor de dakkapellen ongerechtvaardigd zijn verrijkt. [geintimeerde] neemt in hoger beroep dezelfde stelling in, waarmee in hoger beroep ook de vraag moet worden beantwoord of en in hoeverre [appellant1] en [appellant2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt doordat hun aannemer de door [geintimeerde] gemaakte dakkapelkozijnen in hun huis heeft ingebouwd. De vraag of de kantonrechter buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door zelfstandig ter zitting de ongerechtvaardigde verrijking op te werpen, is dus niet relevant voor de beoordeling van dit geschil, zodat het hof daarop niet verder zal ingaan.
3.17.
Voordat het hof in zal gaan op de vraag of en in hoeverre [appellant1] en [appellant2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt door de geplaatste dakkapelkozijnen, zal het eerst nog ingaan op het precieze bedrag dat in rekening is gebracht voor die kozijnen. Volgens de eindfactuur gaat dat om materiaalkosten van in totaal € 1.282,45 (‘5 st Dakkapel kozijnen’ tot en met ‘Kader’) en arbeidskosten van € 2.704, in totaal € 3.986,45 exclusief btw, dus een lager bedrag dan het door [geintimeerde] ter zitting genoemde bedrag van € 4.500. Voor de voor meerwerk aan de dakkapellen in rekening gebrachte werkzaamheden hebben [appellant1] en [appellant2] een bedrag van € 394,45 betaald (de posten € 31,20 + € 195 + € 100,75 + € 67,50). Vermeerderd met de erkende bedragen voor meerwerk aan de berging en zonwerend glas (€ 88,50, € 270, € 40 en € 523,82) kwam dat uit op € 1.316,77. Daar hebben [appellant1] en [appellant2] de btw van 21% bij opgeteld en het totaalbedrag van € 1.593,29 hebben zij op 17 maart 2023 aan [geintimeerde] betaald.
Ongerechtvaardigde verrijking ten aanzien van de dakkapelkozijnen
3.18.
Zowel in het geval dat een meerwerkovereenkomst is gesloten die is vernietigd als in het geval dat geen meerwerkovereenkomst is gesloten, geldt dat partijen niet aan de gestelde overeenkomst gebonden zijn. Op [appellant1] en [appellant2] rust dus geen betalingsverplichting en op [geintimeerde] geen verplichting tot levering van – op maat gemaakte – dakkapelkozijnen. Door die kozijnen wel aan [appellant1] en [appellant2] te leveren, heeft [geintimeerde] onverschuldigd gepresteerd. Vaststaat dat die prestatie niet meer ongedaan gemaakt kan worden omdat de dakkapelkozijnen niet meer kunnen worden teruggegeven. Naar het oordeel van het hof zijn [appellant1] en [appellant2] door de plaatsing van de vijf dakkapelkozijnen ongerechtvaardigd verrijkt. Het hof zal dat hieronder toelichten. Wat de hoogte van de op grond van de ongerechtvaardigde verrijking toe te wijzen schadevergoeding betreft, geldt dat op grond van artikel 6:212 lid 1 BW niet meer kan worden toegewezen dan het bedrag van de verrijking en ook niet meer dan het bedrag van de daarmee verband houdende verarming, en dat alleen schadevergoeding kan worden toegewezen voor zover dit redelijk is.
-
Verrijking van [appellant1] en [appellant2]
3.19.
[appellant1] en [appellant2] hebben, zonder dat daar een betalingsverplichting tegenover staat, vijf dakkapelkozijnen geleverd gekregen en geplaatst. De oorspronkelijke overeenkomst zag op zeven kozijnen. Uiteindelijk zijn er twaalf kozijnen gemaakt en ingebouwd. Als onbetwist staat vast dat de bestaande dakkapelkozijnen oud en rot waren, bekleed met stalen strips waardoor het hout daaronder niet zonder destructief onderzoek zichtbaar was. Ook staat vast dat de nieuwe kozijnen anders zijn ingedeeld dan de oude kozijnen, waardoor een volwassen persoon nu – anders dan tevoren – in de dakkapel kan staan. [appellant1] en [appellant2] beschikken nu dus over nieuwe kozijnen, waardoor zij kosten uitsparen om (op kortere of langere termijn) de rotte kozijnen te laten vervangen. Bovendien is hun woongenot vergroot doordat de nieuwe kozijnindeling maakt dat zij nu bij de dakkapellen kunnen staan. Het hof gaat ervan uit dat dit alles zich ook vertaalt in een hogere waarde van het huis. Zoals in 3.12 is overwogen, acht het hof het in rekening gebrachte bedrag, feitelijk geen € 4.500 maar bijna € 4.000, op zich een redelijke prijs. Dat betekent echter nog niet dat [appellant1] en [appellant2] tot dat bedrag verrijkt zijn. Die verrijking, die zich niet nauwkeurig laat vaststellen, schat het hof op € 3.500.
-
Verarming van [geintimeerde]
3.20.
De verarming van [geintimeerde] is de schade die hij heeft geleden. Daaronder valt zowel geleden verlies als gederfde winst, dus ook de door [geintimeerde] in rekening gebrachte winstmarge. Het hof gaat ervan uit dat de schade van [geintimeerde] gelijk is aan het door hem in rekening gebrachte bedrag van € 4.000, welk bedrag ook in relatie tot de offerte van 28 januari 2022 een redelijk bedrag was (zie 3.12). [geintimeerde] is dus voor € 4.000 verarmd. Voorts bestaat er gelet op het voorgaande voldoende verband tussen de verrijking en de verarming.
-
De verrijking is ongerechtvaardigd
3.21.
Wanneer ervan wordt uitgegaan dat [appellant1] en [appellant2] geen opdracht hebben verstrekt om vijf extra kozijnen te maken, is het hof op grond van de hierna te noemen feiten en omstandigheden van oordeel dat er geen redelijke grond aanwezig is voor hun verrijking. Vaststaat dat [appellant1] en [appellant2] de beoordeling van de staat van de kozijnen aan [geintimeerde] overlieten. Aan de hand daarvan zou hij een offerte opstellen voor een aantal te vervangen kozijnen. Waar dat niet nodig was, zou hij alleen nieuwe ramen leveren. Partijen zijn het er ook over eens dat er stalen strips over de houten kozijnen zaten, waardoor voor [geintimeerde] niet op het eerste gezicht duidelijk was dat het hout van de kozijnen in een slechte staat verkeerde. Nadat [geintimeerde] de offerte van 28 januari 2022 had afgegeven voor het maken van zeven kozijnen (op de begane grond en de eerste verdieping) is in maart 2022 nog gesproken over de kozijnen op zolder. [geintimeerde] heeft [appellant1] en [appellant2] op 14 maart 2022 tekeningen van de kozijnen op de zolderverdieping gestuurd, waarop [appellant2] op 15 maart 2022 heeft geantwoord: “
Dat ziet er goed uit. We gaan ermee akkoord!” Vervolgens heeft [geintimeerde] twaalf kozijnen gemaakt, die enige tijd in de tuin van [appellant1] en [appellant2] hebben gestaan voordat hun aannemer, klussenbedrijf [de aannemer] , ze in de woning heeft geplaatst. [appellant1] en [appellant2] hebben tegenover [geintimeerde] niet gevraagd waarom er twaalf in plaats van zeven kozijnen waren geleverd. Uit de stellingen van [appellant1] en [appellant2] begrijpt het hof dat dat is ingegeven door hun stelling dat zij het verschil tussen een raam en een kozijn niet kenden, waardoor zij zich – voorafgaand aan de ontvangst van de eindfactuur – ook nooit gerealiseerd hebben dat er twaalf kozijnen zijn vervangen. Uitgaand van de stelling van [appellant1] en [appellant2] dat zij geen opdracht tot het maken van dakkapelkozijnen hebben gegeven, duiden voormelde feiten en omstandigheden op miscommunicatie tussen partijen. Kennelijk heeft [geintimeerde] begrepen dat hem werd gevraagd ook de dakkapelkozijnen te maken, heeft hij daarvoor bevestiging gezien in de door [appellant2] op 15 maart 2022 gestuurde e-mail en hebben [appellant1] en [appellant2] , uit kennelijke onwetendheid over het verschil tussen een raam en een kozijn, een akkoord willen geven op de uitvoering van wat zij al hadden besteld. Uit niets blijkt in ieder geval dat [geintimeerde] (uit het motief om meer omzet te maken) moedwillig meer kozijnen heeft gemaakt dan [appellant1] en [appellant2] hebben gewild. Dat hebben [appellant1] en [appellant2] ook niet gesteld. Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk dat [appellant1] en [appellant2] de schade van [geintimeerde] , tot het bedrag waarmee zij zijn verrijkt (€ 3.500) vergoeden. Omdat [appellant1] en [appellant2] al een bedrag van € 394,45 ter zake van het meerwerk voor de dakkapelkozijnen hebben betaald (zie hierboven onder 3.17), leidt dit tot het oordeel dat [appellant1] en [appellant2] op dit punt nog een bedrag van € 3.105,55 aan schadevergoeding moeten betalen.
3.22.
Voor het geval wel sprake is van een meerwerkopdracht, waarvoor [geintimeerde] in strijd met zijn informatieplicht geen prijsopgave heeft gedaan, overweegt het hof dat het bedrag van zijn schade dat [geintimeerde] niet vergoed krijgt (€ 500) moet worden aangemerkt als een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie voor de overtreding van die informatieplicht.
-
Conclusie
3.23.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er óf geen meerwerkovereenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van de dakkapelkozijnen óf de wel gesloten overeenkomst is vernietigd, zodat [geintimeerde] in geen van deze twee gevallen aanspraak kan maken op de door hem in rekening gebrachte posten voor materiaal en arbeid ter zake van die kozijnen. Zijn conventionele vordering tot betaling van de daarmee samenhangende nog openstaande factuurbedragen zal daarom alsnog worden afgewezen. Wel zijn [appellant1] en [appellant2] , ongeacht of die meerwerkopdracht al dan niet is verstrekt, ten aanzien van die kozijnen een schadevergoeding aan [geintimeerde] verschuldigd zijn van € 3.500. In verband met de betaling van € 394,45 staat daar nog een bedrag van € 3.105,55 van open.
Meerwerk voor plaatsen van ramen en deuren
3.24.
Op de eindfactuur heeft [geintimeerde] ook een bedrag van € 1.742 (33,5 uur à € 52) in rekening gebracht voor het monteren van ramen en deuren. Niet betwist is dat [geintimeerde] [de aannemer] heeft geholpen bij het plaatsen van die bewegende delen, terwijl dit niet tot [geintimeerde] opdracht behoorde. Ook is niet betwist dat dit [geintimeerde] 33,5 uur heeft gekost, noch dat € 52 een redelijk uurtarief is.
3.25.
[appellant1] en [appellant2] voeren tegen deze post aan dat zij ervan uitgingen dat [geintimeerde] deze werkzaamheden verrichtte omdat de kozijnen niet goed pasten en hij zo hun schade die daaruit voortvloeide beperkte. Door deze schadebeperking heeft [de aannemer] voor haar extra werkzaamheden minder kosten in rekening gebracht aan [appellant1] en [appellant2] , dan hij anders had moeten doen. Volgens [appellant1] en [appellant2] heeft [geintimeerde] niet gezegd dat dit meerwerk betrof.
3.26.
[geintimeerde] betwist dat deze werkzaamheden te maken hebben met het niet passend zijn van de door hem gemaakte kozijnen. Volgens hem heeft hij slechts één kozijn op de bouwplaats passend moeten maken door het bij te schaven en af te werken, hetgeen hem ongeveer 20 minuten heeft gekost. Dat hij heeft geholpen bij het monteren van de kozijnen en het plaatsen van de draaiende delen, lag vooral aan het feit dat [de aannemer] dit niet op de juiste wijze kon uitvoeren. [geintimeerde] heeft aan de hand van foto’s onderbouwd gesteld dat [de aannemer] onvoldoende kennis en vaardigheden had om ramen en kozijnen te monteren: zo dacht [de aannemer] dat de nieuwe kozijnen in de bestaande kozijnen zouden moeten worden geplaatst, en heeft zij verschillende fouten gemaakt bij de door haar geplaatste kozijnen. Daarom is in oktober 2022 met [appellant1] en [appellant2] afgesproken dat [geintimeerde] aanvullende werkzaamheden zou verrichten. [geintimeerde] verwijst daarbij naar bij inleidende dagvaarding overgelegde correspondentie. In een e-mail van 26 oktober 2022 vroeg hij aan [appellant1] en [appellant2] wie een aantal specifiek benoemde ramen, die open kunnen en voorzien zijn van hang en sluitwerk, zou monteren, en wie de buitendeur bijkeuken en de delen daarop zou monteren. [appellant2] heeft daarop op 30 oktober 2022 gereageerd met het verzoek aan [geintimeerde] om te bellen om dit door te spreken. Het monteren van de draaiende delen had niets te maken met slechte of niet passende kozijnen, aldus [geintimeerde] .
3.27.
Het hof overweegt dat [geintimeerde] , onder verwijzing naar de in 3.26 genoemde correspondentie, gemotiveerd heeft gesteld dat hij het montagewerk, wat niet tot zijn opdracht behoorde, op een in oktober 2022 door [appellant1] en [appellant2] verstrekte opdracht heeft verricht, omdat [de aannemer] niet in staat bleek de bewegende delen te monteren. Vervolgens heeft [geintimeerde] dit uitgevoerd. Dit duidt op tussen partijen gemaakte afspraken. Doordat [appellant1] en [appellant2] hier niets feitelijks tegenover hebben gesteld en zij alleen ontkennen dat er afspraken zijn gemaakt, hebben zij [geintimeerde] onderbouwde stelling dat hij het montagewerk in hun opdracht heeft verricht niet voldoende gemotiveerd betwist. Daarmee is deze stelling van [geintimeerde] komen vast te staan. Volledigheidshalve overweegt het hof nog dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet valt in te zien waarom het monteren van draaiende delen verband houdt met het al dan niet passend zijn van de kozijnen. Hieronder zal, in het kader van de door [appellant1] en [appellant2] gevraagde schadevergoeding, nog nader op de stelling van de niet passende kozijnen worden ingegaan.
3.28.
Uitgaande van een opdracht waarbij geen prijs is afgesproken, zijn [appellant1] en [appellant2] op grond van artikel 7:752 lid 1 BW een redelijke prijs voor de door [geintimeerde] gewerkte uren verschuldigd. Omdat het in rekening gebrachte aantal uren noch de redelijkheid van de uurprijs is betwist, zijn [appellant1] en [appellant2] in beginsel het bedrag van € 1.742 verschuldigd.
3.29.
Ook in dit kader geldt echter dat [geintimeerde] op grond van artikel 6:230l aanhef en sub c of artikel 6:230 lid 1 sub e BW gehouden was om in ieder geval (op zijn minst) voldoende duidelijke informatie te verschaffen over de manier waarop de prijs zou worden berekend. Dat heeft hij niet gedaan. Ook wat betreft deze nadere opdracht acht het hof de gehele vernietiging van de meerwerkovereenkomst een passende sanctie. Door de vernietiging hoeven [appellant1] en [appellant2] het hiervoor gefactureerde bedrag niet meer te betalen. Omdat ook deze prestatie niet meer ongedaan kan worden gemaakt en [geintimeerde] een beroep doet op ongerechtvaardigde verrijking, zal het hof dat beroep beoordelen. De vraag of de kantonrechter buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door ter zitting de ongerechtvaardigde verrijking op te werpen, is net als ten aanzien van de dakkapelkozijnen niet relevant voor de beantwoording van die vraag. Ook wat dit meerwerk betreft, kan die vraag dus onbeantwoord blijven.
3.30.
Naar het oordeel van het hof zijn [appellant1] en [appellant2] , gelet op de redelijkheid van de in rekening gebrachte prijs, waardoor ervan uit moet worden gegaan dat zij een dergelijk bedrag ook aan een ander hadden moeten betalen, voor € 2.107,82 (1.742 + 21% btw) verrijkt. Aangenomen moet worden dat [geintimeerde] voor het (redelijke) bedrag van € 1.742 is verarmd, terwijl hij de btw daarover heeft moeten afdragen. Gezien de in 3.26 en 3.27 toegelichte achtergrond van dit meerwerk, bestaat er naar het oordeel van het hof geen redelijke grond voor de verrijking van [appellant1] en [appellant2] . Gelet op alle omstandigheden van het geval, en in aanmerking nemend dat een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie op de overtreding van die informatieplicht moet worden gesteld, acht het hof het redelijk dat [appellant1] en [appellant2] de schade van [geintimeerde] tot een bedrag van € 1.500 vergoeden.
Schadevergoedingsvordering van [appellant1] en [appellant2]
3.31.
[appellant1] en [appellant2] stellen dat [geintimeerde] tekortgeschoten is in de uitvoering van zijn opdracht tot het maken van kozijnen. Volgens hen paste geen enkel raam of kozijn, en moest er drastisch gezaagd worden. Ter zitting bij het hof hebben zij toegelicht dat [geintimeerde] zelf de herstelwerkzaamheden heeft verricht, maar dat het meermalen proberen te plaatsen van kozijnen [de aannemer] tijd heeft gekost. Die tijd heeft [de aannemer] bij [appellant1] en [appellant2] in rekening gebracht. In hoger beroep hebben [appellant1] en [appellant2] een factuur van [de aannemer] van 5 december 2022 overgelegd, waarin zij € 7.260 inclusief btw gerekend heeft voor ‘meerwerk plaatsen ramen’. [appellant1] en [appellant2] hebben hun oorspronkelijke schadevergoedingsvordering van € 4.000 in hoger beroep verhoogd tot € 7.260. Volgens hen is [geintimeerde] op grond van artikel 6:83 sub c BW in verzuim omdat zijn gemachtigde op 25 april 2023 heeft laten weten dat [geintimeerde] van mening was dat hij naar behoren had geleverd.
3.32.
[geintimeerde] betwist dat de ramen en kozijnen niet pasten. Slechts één kozijn heeft hij, in 20 minuten, moeten bijschaven, maar dat is gebruikelijk en heeft niet tot extra kosten aan de zijde van [appellant1] en [appellant2] geleid, aldus [geintimeerde] . Onder verwijzing naar overgelegde foto’s heeft [geintimeerde] aangevoerd dat de ontstane problemen slechts het gevolg waren van het feit dat klussenbedrijf [de aannemer] niet de kennis en vaardigheden had om de kozijnen goed te installeren. [de aannemer] wilde zelfs de nieuwe kozijnen binnen de oude kozijnen plaatsen. Verder betwist [geintimeerde] dat hij in gebreke is gesteld en in verzuim is geraakt.
3.33.
De kantonrechter heeft de reconventionele vordering van [appellant1] en [appellant2] tot schadevergoeding afgewezen. Zij oordeelde dat [appellant1] en [appellant2] hun stelling dat [geintimeerde] tekort is geschoten onvoldoende hebben onderbouwd, net als de schade en dat [geintimeerde] niet in verzuim is komen te verkeren.
3.34.
Ook het hof komt tot het oordeel dat deze vordering moet worden afgewezen. [appellant1] en [appellant2] hebben immers, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [geintimeerde] , onvoldoende onderbouwd gesteld dat [geintimeerde] slecht werk heeft geleverd en dat geen van de ramen en deuren pasten. Zij zijn niet ingegaan op de betwisting van [geintimeerde] en zijn onderbouwde opmerkingen dat [de aannemer] niet berekend was op de door haar aangenomen taak.
Geen bewijslevering
3.35.
Omdat [appellant1] en [appellant2] geen voldoende concrete stellingen hebben aangevoerd die kunnen leiden tot een ander oordeel, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het hof passeert daarom het door [appellant1] en [appellant2] gedane bewijsaanbod.
De conclusie
3.36.
De conclusie luidt dat [appellant1] en [appellant2] het door hen betaalde btw-bedrag van in totaal € 10.500 (in rekening gebracht bij de termijnfacturen van 21 maart 2022, 8 juli 2022 en 21 oktober 2022) niet onverschuldigd hebben betaald. [appellant1] en [appellant2] zijn ook de factuur van 15 mei 2023, waarbij [geintimeerde] de meerprijs voor de ramen in de erker in rekening heeft gebracht, inclusief btw (dus in totaal € 1.815) verschuldigd. Wat betreft de eindfactuur van 28 december 2022 geldt het volgende. Een bedrag van € 1.249,27 hebben [appellant1] en [appellant2] erkend en, vermeerderd met 21% btw, aan [geintimeerde] betaald (te weten de posten € 31,20, € 195, € 100,75, € 88,50, € 270, € 40 en € 523,82). De overige posten op de eindfactuur zijn [appellant1] en [appellant2] niet verschuldigd. Omdat [appellant1] en [appellant2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt doordat [geintimeerde] vijf dakkapelkozijnen heeft gemaakt en 33,5 uur heeft besteed aan het monteren van ramen en deuren, zijn zij wel gehouden de daardoor geleden schade van [geintimeerde] te vergoeden. Nog openstaat een schadevergoedingsvordering van € 4.605,55 (€ 3.105,55 en € 1.500).
3.37.
De kantonrechter heeft alleen wettelijke rente toegewezen over het op de eindfactuur in rekening gebrachte meerwerk over de periode 11 januari 2023 tot en met 11 april 2023. Geen van beide partijen is in hoger beroep opgekomen tegen de verschuldigdheid van wettelijke rente over die beperkte periode. Daarom zal ook het hof daarvan uitgaan, ook wat betreft de plicht tot vergoeding van de verarming van [geintimeerde] , en [appellant1] en [appellant2] veroordelen tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van € 4.605,55 over de periode van 11 januari 2023 tot en met 11 april 2023. Omdat [geintimeerde] geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen het niet toewijzen van wettelijke rente over de periode na 11 april 2023, noch tegen het niet toewijzen van wettelijke rente over het toegewezen bedrag van € 1.815, zal ook het hof verder geen wettelijke rente toewijzen.
3.38.
Partijen zijn het erover eens dat [appellant1] en [appellant2] op het verschuldigde bedrag op grond van door [geintimeerde] gelegd beslag en een betalingsregeling € 2.782,42 aan [geintimeerde] hebben afbetaald. Omdat niet valt uit te sluiten dat [appellant1] en [appellant2] op grond van het gelegde beslag inmiddels meer hebben voldaan aan [geintimeerde] , zal het hof bepalen dat de door [appellant1] en [appellant2] (onder het beslag) betaalde bedragen in mindering moeten worden gebracht op de door hen te betalen bedragen. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat daaronder niet valt het op 17 maart 2023 betaalde bedrag van € 1.593,99, omdat daarmee al rekening is gehouden bij het bepalen van de nog verschuldigde hoofdsom.
3.39.
Tegen de toewijzing van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten hebben [appellant1] en [appellant2] als bezwaar aangevoerd dat [geintimeerde] geen vordering op [appellant1] en [appellant2] heeft. Dat bezwaar is ongegrond. Daarom zal ook het hof die rente en kosten toewijzen. Omdat een lagere hoofdsom (in totaal € 6.420,55) wordt toegewezen, zal op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 696,03 worden toegewezen in plaats van € 853,65.
3.40.
Op grond van het voorgaande zal de conventionele veroordeling van [appellant1] en [appellant2] tot betaling van € 12.241,62 worden vernietigd en zal een kleiner bedrag worden toegewezen. Omdat [appellant1] en [appellant2] nog steeds als in eerste aanleg in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij hebben te gelden, zal het hof de proceskostenveroordeling in conventie bekrachtigen.
3.41.
De reconventionele vordering van [appellant1] en [appellant2] is, als overwogen, terecht afgewezen. Daarom zal de door de kantonrechter in reconventie gegeven beslissing worden bekrachtigd.
3.42.
Omdat [appellant1] en [appellant2] ook in hoger beroep grotendeels in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak (de nakosten zijn nog niet in de kostenbegroting begrepen) en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.43.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2014 voor zover [appellant1] en [appellant2] daarbij (onder 6.1) zijn veroordeeld tot betaling aan [geintimeerde] van € 12.241,61, en, opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant1] en [appellant2] hoofdelijk om aan [geintimeerde] te betalen een bedrag van € 1.815 (inclusief btw) en een bedrag van € 4.605,55 voor schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over dat laatste bedrag over 11 januari 2023 tot en met 11 april 2023, het totaalbedrag te verminderen met de door [appellant1] en [appellant2] op grond van beslag en een betalingsregeling na 17 maart 2023 betaalde bedragen;
4.2.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2024 voor het overige;
4.3.
veroordeelt [appellant1] en [appellant2] hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [geintimeerde] :
€ 349 aan griffierecht
€ 1.716 aan salaris van de advocaat van [geintimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I);
4.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, H.E. de Boer en M.F.J.N. van Osch en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Voetnoten

1.zie HvJ EG 16 juli 1998, ECLI:EU:C:1998:369 (Gut Springenheide) rechtsoverweging 37
2.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677
3.HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1856
4.HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1366