Uitspraak
1.[appellant1]
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 oktober 2025 is gehouden.
2.De kern van de zaak
Dit kunnen we aanbieden voor € 52.500,- excl. btw. Offerte is excl. plaatsen en aftimmerwerk.” Op 13 februari 2022 zijn [appellant1] en [appellant2] akkoord gegaan met de offerte. Zij hebben daarbij ook nog opdracht gegeven voor het vervangen van de ramen boven in de erker op de eerste verdieping, voor € 1.500. [geintimeerde] heeft uiteindelijk in plaats van zeven kozijnen, twaalf kozijnen voor [appellant1] en [appellant2] gemaakt. In zijn eindfactuur van 28 december 2022 heeft [geintimeerde] voor meerwerk van vijf dakkapelkozijnen € 1.282,45 aan materiaal en € 2.704 aan arbeid in rekening gebracht, vermeerderd met 21% btw. Op de eindfactuur is ook een meerwerkpost van € 1.742 (ook vermeerderd met 21% btw) voor 33,5 uur arbeid voor de montage van ramen en deuren in rekening gebracht. Deze post had te maken met de tijd die [geintimeerde] heeft gestoken in het helpen van de aannemer van [appellant1] en [appellant2] (klussenbedrijf [de aannemer] vof) bij de montage van de geleverde (draai)ramen en een deur. Volgens de eindfactuur moesten [appellant1] en [appellant2] nog € 12.292,95 inclusief btw betalen. Van dit bedrag hebben [appellant1] en [appellant2] € 10.699,96 onbetaald gelaten. Ook de daarna nog opgemaakte factuur voor het meerwerk van de erkerramen op de eerste verdieping (€ 1.500 exclusief en € 1.815 inclusief btw) hebben zij onbetaald gelaten.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
excl. btw”, maar ook was in de drie termijnfacturen (de eerste dateert van 21 maart 2022 en de laatste van 21 oktober 2022) telkens de btw van 21% vermeld en opgeteld bij de in rekening gebrachte (termijn)bedragen. Deze termijnfacturen hebben [appellant1] en [appellant2] steeds zonder klacht of vraag inclusief de berekende btw betaald. [geintimeerde] voert verder aan dat [appellant1] en [appellant2] op 17 maart 2023 een aantal niet betwiste posten van de eindfactuur aan [geintimeerde] hebben betaald, eveneens inclusief 21% btw, welk btw-bedrag zij zelf over die posten hadden uitgerekend. Ook daaruit blijkt volgens hem dat [appellant1] en [appellant2] wisten dat zij 21% btw zouden moeten betalen over de geoffreerde bedragen. Bovendien voert [geintimeerde] in dit verband nog aan dat [appellant2] partner is bij een groot advocatenkantoor, en dus ook ondernemer, en dat ook [appellant1] universitair geschoold is en een hoge functie in het maatschappelijk leven kende. Het feit dat zij meer kennis hadden dat de gemiddelde consument maakt volgens [geintimeerde] dat het in dit specifieke geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant1] en [appellant2] een beroep doen op deze consumentenbescherming, althans misbruik maken van het recht om dit te doen. Tot slot stelt [geintimeerde] dat als [appellant1] en [appellant2] al een beroep zou toekomen op de bedoelde consumentenbescherming, zij hun rechten op dit beroep hebben verwerkt door zich pas op 29 april 2024 voor het eerst op het standpunt te stellen dat zij geen btw verschuldigd waren.
En wij willen graag jouw advies opvolgen over de ramen boven in de erker op de 1e verdieping. (…) Als ik mij goed herinner kost dat een € 1.500 meer dan in de offerte.” Deze opdracht dateert dus van na de offerte van 28 januari 2022, waarin de prijs van € 52.500 exclusief btw was genoemd. Omdat daarmee voor [appellant1] en [appellant2] , zoals uit het voorgaande volgt, voldoende duidelijk was of had moeten zijn dat over dat bedrag nog 21% btw gerekend zou worden, geldt datzelfde in beginsel ook voor de opdracht ter zake van de ramen in de erker. [appellant1] en [appellant2] hebben niet aangevoerd waarom hun verwachtingen met betrekking tot deze meerwerkopdracht anders zouden zijn dan voor de opdracht die zij op basis van de offerte hebben verstrekt. Het hof is daarom van oordeel dat [appellant1] en [appellant2] ook over deze post van € 1.500 btw zijn verschuldigd.
Dat ziet er goed uit. We gaan ermee akkoord”. Ook daarmee hebben [appellant1] en [appellant2] volgens [geintimeerde] de opdracht verstrekt of bevestigd. [appellant1] en [appellant2] stellen zich echter op het standpunt dat zij daarmee alleen akkoord hebben gegeven op de nieuwe indeling van de zolderramen. Zij hadden niet in de gaten dat volgens de tekening extra kozijnen zouden worden geleverd. Dat [geintimeerde] twaalf kozijnen had gemaakt in plaats van zeven, werd hen pas duidelijk door toezending van de eindfactuur van 28 december 2022, aldus [appellant1] en [appellant2] .
uitgaand van een meerwerkopdracht
uitgaand van het ontbreken van een meerwerkopdracht
Verrijking van [appellant1] en [appellant2]
Verarming van [geintimeerde]
De verrijking is ongerechtvaardigd
Dat ziet er goed uit. We gaan ermee akkoord!” Vervolgens heeft [geintimeerde] twaalf kozijnen gemaakt, die enige tijd in de tuin van [appellant1] en [appellant2] hebben gestaan voordat hun aannemer, klussenbedrijf [de aannemer] , ze in de woning heeft geplaatst. [appellant1] en [appellant2] hebben tegenover [geintimeerde] niet gevraagd waarom er twaalf in plaats van zeven kozijnen waren geleverd. Uit de stellingen van [appellant1] en [appellant2] begrijpt het hof dat dat is ingegeven door hun stelling dat zij het verschil tussen een raam en een kozijn niet kenden, waardoor zij zich – voorafgaand aan de ontvangst van de eindfactuur – ook nooit gerealiseerd hebben dat er twaalf kozijnen zijn vervangen. Uitgaand van de stelling van [appellant1] en [appellant2] dat zij geen opdracht tot het maken van dakkapelkozijnen hebben gegeven, duiden voormelde feiten en omstandigheden op miscommunicatie tussen partijen. Kennelijk heeft [geintimeerde] begrepen dat hem werd gevraagd ook de dakkapelkozijnen te maken, heeft hij daarvoor bevestiging gezien in de door [appellant2] op 15 maart 2022 gestuurde e-mail en hebben [appellant1] en [appellant2] , uit kennelijke onwetendheid over het verschil tussen een raam en een kozijn, een akkoord willen geven op de uitvoering van wat zij al hadden besteld. Uit niets blijkt in ieder geval dat [geintimeerde] (uit het motief om meer omzet te maken) moedwillig meer kozijnen heeft gemaakt dan [appellant1] en [appellant2] hebben gewild. Dat hebben [appellant1] en [appellant2] ook niet gesteld. Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk dat [appellant1] en [appellant2] de schade van [geintimeerde] , tot het bedrag waarmee zij zijn verrijkt (€ 3.500) vergoeden. Omdat [appellant1] en [appellant2] al een bedrag van € 394,45 ter zake van het meerwerk voor de dakkapelkozijnen hebben betaald (zie hierboven onder 3.17), leidt dit tot het oordeel dat [appellant1] en [appellant2] op dit punt nog een bedrag van € 3.105,55 aan schadevergoeding moeten betalen.
Conclusie