ECLI:NL:GHARL:2026:1657

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/1471 en 24/1472
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wet IB 2001Art. 6.2a Wet IB 2001Art. 6.31 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aftrekbare onderhoudskosten voor monumentenpanden in inkomstenbelasting 2017 en 2018

Belanghebbende en zijn echtgenote bezitten een monumentale villa waarvoor zij aanzienlijke verbouwingskosten hebben gemaakt. De Inspecteur heeft bij de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 de aftrekbare onderhoudskosten beperkt vastgesteld. Belanghebbende stelde dat een groter deel van de kosten als onderhoudskosten aftrekbaar is.

Het Hof heeft de diverse kostenposten beoordeeld, waaronder kosten voor keuken, sanitaire ruimten, beglazing, loodgieterswerkzaamheden, elektrische installaties, schilderwerk, vloeren, stukadoorswerk, stut- en sloopwerk en overige aannemerskosten. Het Hof oordeelde dat een aanzienlijk deel van de kosten als onderhoudskosten kan worden aangemerkt, waarbij soms een splitsing tussen onderhoud en verbetering noodzakelijk was.

Op basis van deze beoordeling stelde het Hof de aftrekbare onderhoudskosten vast op circa €231.452, wat leidt tot een aanzienlijke vermindering van de aanslagen. Tevens werd belanghebbende een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskostenvergoeding. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de aanslagen en belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 worden verminderd op basis van een hogere aftrek van onderhoudskosten voor monumentenpanden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1471 en 24/1472
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 juli 2024, nummers ARN 22/4417 en 23/3240, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Den Haag(hierna: de Inspecteur)
alsmede de
Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

Zaaknummer 24/1471
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.373. Bij beschikking is belastingrente berekend van € 576.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot een bedrag van € 12.982 en de beschikking belastingrente overeenkomstig verminderd tot € 500.
Zaaknummer 24/1472
1.3.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.803. Bij beschikking is belastingrente berekend van € 3.021.
1.4.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 8 juli 2024 ongegrond verklaard.
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. S. Dorrestein, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. De zaken zijn gezamenlijk behandeld met het hoger beroep van [naam3] , de echtgenote van belanghebbende (hierna: de echtgenote), met het zaaknummer BK-ARN 24/1473 tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 8 juli 2024, nummer ARN 22/4420.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende en zijn echtgenote hebben op 31 maart 2017 een villa uit 1905 aan de [woonadres] in [woonplaats] verkregen (hierna: de woning). De woning staat ingeschreven in het monumentenregister. In juni 2017 is een start gemaakt met diverse bouwwerkzaamheden aan de woning.
2.2.
Belanghebbende heeft het Bureau Monumentenpanden van de Belastingdienst (het Bureau Monumentenpanden) verzocht vast te stellen in hoeverre de kosten van de diverse werkzaamheden aan de woning zijn aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten voor monumentenpanden. Dit verzoek is door het Bureau Monumentenpanden op 12 juli 2017 ontvangen. In het verzoek zijn de kosten voor de totale werkzaamheden aan de woning begroot op € 444.580 (inclusief omzetbelasting) waarvan € 218.448 is aangemerkt als ‘onderhoudskosten voor het privedeel’ en € 226.132 als ‘verbeteringskosten’.
2.3.
Op 25 september 2017 heeft een medewerker van het Bureau Monumentenpanden de woning opgenomen. Het resultaat van dit waarde-onderzoek is vastgelegd in een overzicht van 26 september 2017. Uit dit overzicht volgt dat volgens het Bureau Monumentenpanden € 55.186 (inclusief omzetbelasting) als onderhoudskosten is aan te merken.
2.4.
Belanghebbende heeft op 12 juli 2019 een (tweede) aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Daarin heeft hij € 370.591 aan onderhoudskosten voor de woning opgenomen, waarvan € 296.473 (€ 370.591 x 80%) als aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden in aanmerking is genomen. Bij de onderlinge verdeling van deze aftrekpost is € 94.223 aan belanghebbende toebedeeld en € 202.250 aan zijn echtgenote.
2.5.
Belanghebbende heeft op 19 juli 2019 een aangifte IB/PVV 2018 ingediend. Daarin heeft hij € 92.963 aan onderhoudskosten voor de woning opgenomen, waarvan € 74.371 (€ 92.963 x 80%) als aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden in aanmerking is genomen. Bij de onderlinge verdeling van deze aftrekpost is € 73.871 aan belanghebbende toebedeeld en het restant van € 500 aan zijn echtgenote.
2.6.
De Inspecteur heeft bij brief van 14 april 2020 belanghebbende verzocht nadere informatie te verstrekken ten aanzien van de in de aangiften IB/PVV 2017 en 2018 opgenomen aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden.
2.7.
De Inspecteur heeft bij brief van 24 februari 2021 aangekondigd van de aangifte IB/PVV 2017 af te wijken en de onderhoudskosten van de woning voor dat jaar vast te stellen op € 60.177, waarvan € 48.142 (€ 60.177 x 80%) als aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden in aanmerking worden genomen. Dit bedrag aan onderhoudskosten volgt uit een nieuwe beoordeling door medewerkers van het Bureau Monumentenpanden. De Inspecteur heeft verder aangekondigd de helft van het bedrag aan aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden (€ 24.071) toe te delen aan belanghebbende en de andere helft aan zijn echtgenote.
2.8.
De Inspecteur heeft met dagtekening 8 april 2021 de aanslag IB/PVV 2017 overeenkomstig de vooraankondiging vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van € 15.373.
2.9.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2017. Tijdens de afhandeling van dit bezwaar hebben dezelfde medewerkers van het Bureau Monumentenpanden een herbeoordelingsonderzoek uitgevoerd. Hun bevindingen zijn vastgelegd in een onderzoeksrapport van 5 augustus 2021. In dit onderzoeksrapport is geadviseerd om de aftrekbare onderhoudskosten voor de jaren 2017 en 2018 vast te stellen op € 73.312,33.
2.10.
De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2022 gegrond verklaard en het bedrag aan onderhoudskosten voor dat jaar vastgesteld op € 66.155. Het aftrekbare bedrag aan uitgaven voor monumentenpanden van € 52.924 (€ 66.154 x 80%) is voor de ene helft aan belanghebbende toebedeeld en de andere helft aan zijn echtgenote (€ 26.462). Het belastbaar inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 12.982. De Inspecteur heeft aan belanghebbende en zijn echtgenote een vergoeding voor de kosten voor de behandeling van het bezwaar toegekend van in totaal € 538 en deze evenredig verdeeld, zodat aan ieder een kostenvergoeding van € 269 is toegekend.
2.11.
De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2018 afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte op het punt van de aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag een bedrag aan onderhoudskosten in aanmerking genomen van € 7.159 (€ 73.312,33 -/- € 66.154). De aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden heeft hij vervolgens vastgesteld op € 5.728 (€ 7.159 x 80%), waarvan aan belanghebbende € 5.228 is toegerekend en aan zijn echtgenote € 500.
2.12.
De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 ongegrond verklaard.
2.13.
Tot het dossier behoort een door de Inspecteur overgelegd overzicht van de totale kosten van de werkzaamheden aan de woning. Dit overzicht bevat een uitsplitsing van de verbouwingskosten dat onder andere is gebaseerd op verschillende door belanghebbende overgelegde (meer gedetailleerde) kostenoverzichten en de beoordeling door de medewerkers van het Bureau Monumentenpanden (zie 2.8.). Dit overzicht luidt als volgt:
Post
Bedrag
Waarvan volgens belangheb bende fiscaal aftrekbaar onderhoud
In aanmerking genomen door de inspecteur
Toebedeeld aan 2017
Toebedeeld aan 2018
Nog in geschil
Aannemer/contract
algemeen
€ 4.263,81
€ 2.131,91
€ 554,30
92%
8%
€ 1.577,61
korting
-€ 5.642,25
-
-
stut- en sloopwerken
€ 18.478,40
€ 16.392,11
€ 7.686,89
92%
8%
€ 8.705,22
metselwerk
€ 1.592,72
-
-
systeemvloeren
€ 3.136,13
€ 1.378,74
€ 0,00
€ 1.378,74
ruwbouwtimmerwerk
€ 61.399,29
€ 26.969,18
€ 2.000,00
92%
8%
€ 24.969,18
kapconstructies intern isoleren
€ 22.800,63
-
-
buitenkozijnen/ramen/ deuren
€ 18.976,76
€ 10.671,02
€ 6.178,44
92%
8%
€ 4.492,58
beglazing
€ 26.418,80
€ 16.775,45
€ 0,00
€ 16.775,45
stukadoorswerkzaam heden
€ 21.529,80
€ 21.529,80
€ 2.205,00
92%
8%
€ 19.324,80
tegelwerk
€ 10.358,80
€ 9.622,77
€ 0,00
€ 9.622,77
dekvloeren/vloeraf werking
€ 668,16
€ 668,16
€ 0,00
€ 668,16
schilderwerk
€ 86.858,85
€ 86.858,85
€ 25.610,84
92%
8%
€ 61.248,01
loodgieterswerkzaam heden
€ 74.141,48
€ 47.116,82
€ 6.000,00
92%
8%
€ 41.116,82
elektronische installaties
€ 33.098,87
€ 16.549,44
€ 0,00
€ 16.549,44
btw 21%
€ 55.294,07
€ 32.136,28
€ 4.708,12
92%
8%
€ 27.428,16
btw laag
€ 6.871,75
€ 6.218,06
€ 1.668,95
92%
8%
€ 4.549,11
totaal inclusief btw
€ 440.246,07
€ 295.018,59
€ 56.612,54
€ 52.083,54
€ 4.529,00
€ 238.406,05
Aannemer/meerwerk
aanpassingen elektrische installatie
€ 10.888,28
€ 5.444,14
€ 0,00
€ 5.444,14
schoorsteeninspectie
€ 601,90
€ 601,90
€ 601,90
€ 256,95 (42,69%)
€344,95 (57,31%)
€ 0,00
trekbel voordeur
€ 318,08
€ 318,08
€ 0,00
€ 318,08
montage sanitair
€ 10.558,06
€ 10.558,06
€ 0,00
€ 10.558,06
ronday bull eyes 03 kelder
€ 248,49
€ 248,49
€ 0,00
€ 248,49
radiatoren
€ 7.300,08
€ 7.300,08
€ 0,00
€ 7.300,08
wastafelblad
€ 3.044,83
€ 1.522,42
€ 0,00
€ 1.522,42
meubelfabricage werkplaats
€ 1.475,66
€ 737,83
€ 0,00
€ 737,83
plaatsing wastafelblad
€ 818,43
€ 409,22
€ 0,00
€ 409,22
plaatsing spiegel
€ 363,29
€ 181,65
€ 0,00
€ 181,65
vloeren underlayment
€ 8.456,93
€ 8.456,93
€ 0,00
€ 8.456,93
hang- en sluitwerk ramen
€ 7.809,15
€ 7.809,15
€ 0,00
€ 7.809,15
schoonmaken serre/plaatsen tegels
€ 667,48
€ 667,48
€ 0,00
€ 667,48
ronday verlichting keuken
€ 1.634,51
€ 1.634,51
€ 0,00
€ 1.634,51
ronday WCD's keukenlade
€ 287,14
€ 287,14
€ 0,00
€ 287,14
ronday badkamer aanpassingen
€ 1.671,84
€ 1.671,84
€ 0,00
€ 1.671,84
voegwerk tegelwerk in expoxy
€ 2.264,02
€ 1.132,01
€ 0,00
€ 1.132,01
servieskast in keuken
€ 678,49
€ 678,49
€ 0,00
€ 678,49
steigerwerk
€ 3.219,33
€ 3.219,33
€ 3.219,33
€ 3.219,33 (100%)
€ 0,00
herstel koperlassen
€ 7.051,26
€ 7.051,26
€ 7.051,26
€ 7.051,26 (100%)
€ 0,00
vervangen kolom veranda
€ 159,33
€ 159,33
€ 0,00
€ 159,33
nieuw kolom veranda
€ 489,17
€ 489,17
€ 0,00
€ 489,17
plaatsen nieuwe kolom veranda
€ 841,94
€ 841,94
€ 0,00
€ 841,94
nieuw regelwerk/leuningwerk
€ 1.358,16
€ 1.358,16
€ 0,00
€ 1.358,16
nieuwe spijlen
€ 1.055,85
€ 1.055,85
€ 0,00
€ 1.055,85
nieuwe hekken
€ 1.321,71
€ 1.321,71
€ 0,00
€ 1.321,71
vernieuwen hekwerken voorzijde
€ 1.358,16
€ 1.358,16
€ 0,00
€ 1.358,16
plaatsen hekken
€ 841,94
€ 841,94
€ 0,00
€ 841,94
verrekenpost
-€ 717,86
-
-
totaal
€ 76.065,65
€ 67.356,27
€ 10.872,49
€ 10.527,54
€ 344,95
€ 56.483,78
Sanitair
totaal
€ 42.500,00
€ 33.794,47
€ 0,00
€ 33.794,47
Keuken
totaal
€ 45.000,00
€ 28.883,44
€ 0,00
€ 28.883,44
Bestaande vloer herstel
totaal
€ 2.284,30
€ 2.284,30
€ 2.284,30
€ 2.284,30 (100%)
€ 0,00
Architect
totaal
€ 34.398,38
€ 18.145,00
€ 3.543,03
€ 3,543,03
(100%)
€ 14.601,97
Kleurhistoricus en tegelvloer keuken
totaal
€ 3.054,67
€ 3.054,67
€ 0,00
€ 3.054,67
Houten vloeren en parket
totaal
€ 18.350,00
€ 18.350,00
€ 0,00
€ 18.350,00
Schilder
totaal
€ 4.436,63
€ 4.436,33
€ 0,00
€ 4.436,33
Dit overzicht leidt dan tot de volgende totaaltellingen:
Totale verbouwingskosten
Totaal volgens belangheb-bende aftrekbare onderhouds-kosten
Totaal door de Inspecteur in aanmerking genomen aftrekbare onderhouds-kosten
Totaal bedrag nog in geschil zijnde kosten
€ 666.335,70
€ 471.323,07
€ 73.312,36
€ 398.010,71
2.14.
Belanghebbende heeft een prijsopgave overgelegd van [bedrijfsnaam1] van 28 februari 2017. Daarin staat onder meer het volgende:

Betreft: [woonadres] te [woonplaats]
(…)
Hierbij doen wij u een prijsopgave toekomen voor het vervangen van de cv-installatie in bovengenoemd perceel, zoals hieronder is omschreven.
De radiatoren van de bestaande cv-installatie voldoen niet aan de huidige eisen. Dit komt doordat de bestaande HR cv-ketel op lagere temperaturen stookt dan de oude cv-ketels, waardoor de radiatoren te weinig vermogen afgeven. Tevens zien wij bij verschillende radiatoren en de reeds eerder vervangen cv-leidingen (druk)lekkages. Wij adviseren U de radiatoren te vervangen conform de huidige voorschriften en de nieuwe cv-leidingen netjes in de vloeren weg te werken. Dit zal van bovenaf moeten gebeuren, omdat de monumentale plafonds gehandhaafd blijven.
2.15.
Belanghebbende heeft een prijsopgave van [bedrijfsnaam2] overgelegd van 21 april 2017 ten behoeve van de aanpassingen van de elektrotechnische installatie in de woning. In deze prijsopgave staat, voor zover hier van belang, onder meer:

Demonteren bestaande installatie. Deze voldoet niet aan de huidige eisen (NEN 1010:2017) doordat leidingen niet adequaat beschermd en geïnstalleerd zijn om beschadiging en kortsluiting te voorkomen. Hierdoor is de brandveiligheid niet gegarandeerd en wordt niet aan toepasselijke aardingsvereisten voldaan. Alle leidingen welke benodigd zijn voor de nieuwe installatie zullen in kunststof worden uitgevoerd.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 recht heeft op een hogere aftrek van uitgaven voor monumentenpanden dan de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar heeft toegestaan.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een hogere aftrek van uitgaven voor monumentenpanden. Volgens de Inspecteur is het bedrag aan aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden niet te laag vastgesteld.

4.Beoordeling van het geschil

Aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden
4.1.
Als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand worden in aanmerking genomen 80% van de drukkende onderhoudskosten (artikel 6.31, lid 1, Wet IB 2001 tekst 2017 en 2018). Uit artikel 6.31, lid 4, Wet IB 2001 (tekst 2017 en 2018) volgt dat onderhoudskosten van een monumentenpand zijn de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden en in redelijkheid zijn gemaakt. Dit betekent dat zowel kosten voor achterstallig onderhoud, dat wil zeggen kosten voor herstel in bruikbare staat, als kosten voor regulier onderhoud, dat wil zeggen kosten voor het in standhouden van een monumentenpand, aftrekbaar zijn. Kosten voor vernieuwing en verbetering van een monumentenpand zijn niet aftrekbaar. Indien bij verbouwingswerkzaamheden zowel herstel als vernieuwing plaatsvindt, moeten de verbouwingskosten in de regel worden gesplitst in onderhoudskosten en kosten van verbetering. [1] Tot deze onderhoudskosten behoren niet de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen, zoals tuinonderhoud, behangen, binnenverf- en witwerk en kleinere reparaties. [2]
4.2.
Belanghebbende maakt aanspraak op aftrek van uitgaven voor monumentenpanden. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat hij stelt welke kosten aftrekbaar zijn en, bij betwisting door de Inspecteur, zijn stellingen aannemelijk maakt.
4.3.
Partijen hebben ter zitting bevestigd dat het in 2.13. opgenomen overzicht een juiste (cijfermatige) weergave van de standpunten van partijen is, in die zin dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de bedragen in de derde kolom de aftrekbare onderhoudskosten zijn en de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat alleen de in de vierde kolom opgenomen kosten, aftrekbare onderhoudskosten vormen. Het Hof zal hierna voor de verschillende in het overzicht opgenomen kostenposten een oordeel geven over de vraag in hoeverre deze kosten zijn aan te merken als onderhoudskosten.
Kosten voor keuken en sanitaire ruimten
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de keuken, de badkamers en toiletruimten waren vervallen, beschadigd en niet functioneerden en dat plaatselijk herstel niet meer mogelijk en ondoenlijk was. Volledige renovatie van de keuken, de badkamers en de toiletruimten was daarom noodzakelijk. De kosten van deze renovatie zijn daarom in beginsel volledig aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten. Belanghebbende heeft wel een deel van de totale kosten voor de nieuwe inbouwapparatuur in de keuken en enkele posten voor het sanitair in de badkamers niet aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten.
4.5.
Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er met betrekking tot de keuken en de sanitaire ruimten sprake is van aftrekbare onderhoudskosten. Als fiscaal aftrekbare onderhoudskosten zijn enkel aan te merken de kosten voor het noodzakelijk herstel aan de bestaande keuken en het bestaande sanitair. Renovatie in verband met ouderdom is geen reden voor het in aanmerking nemen van aftrekbare onderhoudskosten. De onderhoudskosten kunnen verder hooguit op basis van de bestaande situatie in aanmerking genomen worden. Zo is volgens de Inspecteur bijvoorbeeld het vervangen van een kapotte douchekraan in een van de bestaande badkamers niet aan te merken als onderhoud, omdat uit foto’s blijkt dat in de situatie vóór de verbouwing de slang van de douchekop op de wastafelkraan was gemonteerd. Het opnieuw aanbrengen van een douchekraan ter vervanging van de op de wastafelkraan gemonteerde doucheslang betreft dan het herstellen van een eerdere wijziging en kwalificeert niet als fiscaal aftrekbaar onderhoud.
4.6.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, aan de hand van de overgelegde foto’s en verklaringen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de keuken en de sanitaire ruimten dusdanig waren versleten dat deze aan het einde van hun economische levensduur waren gekomen en dat volledige renovatie van deze ruimten aangewezen was om deze delen van de woning in bruikbare staat te herstellen, zodat kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten in beginsel kunnen worden aangemerkt als onderhoudskosten. De volledige renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten heeft er echter niet alleen toe geleid dat de keuken en de sanitaire ruimten in bruikbare staat zijn hersteld, maar heeft ook tot verbetering van deze ruimten geleid. Uit de foto’s volgt namelijk dat deze ruimten in de bestaande situatie sober waren ingericht, terwijl uit de aanzienlijke omvang van de kosten voor de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten en de nadere specificaties van deze renovatiekosten die belanghebbende heeft overgelegd, valt af te leiden dat de gerenoveerde keuken en sanitaire ruimten luxe(r) zijn uitgevoerd. Het Hof is daarom van oordeel dat de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten moeten worden gesplitst in onderhoudskosten en verbeteringskosten. Bij deze splitsing volgt het Hof belanghebbende niet in zijn standpunt dat ten aanzien van de keuken alleen de kosten van een deel van de nieuwe inbouwapparatuur als verbeteringskosten moeten worden aangemerkt, omdat ook ten aanzien van de overige onderdelen van de keuken moet worden aangenomen dat sprake is van verbetering. Ten aanzien van de kosten van de sanitaire ruimten heeft belanghebbende de wijze waarop hij het bedrag aan aftrekbare kosten (€ 33.794,47) heeft afgeleid uit het totale bedrag aan kosten voor deze post (€ 42.500,00) niet nader toegelicht. Voor zover belanghebbende met deze verdeling heeft bedoeld een onderscheid te maken tussen onderhoudskosten en verbeteringskosten, volgt het Hof belanghebbende daarin dan ook niet. Met inachtneming van de omstandigheid dat sprake is van renovatie tot een luxe(re) uitgevoerde keuken en luxe(re) uitgevoerde sanitaire ruimten, acht het Hof aannemelijk dat de helft van de door belanghebbende voorgestane aftrekbare onderhoudskosten voor de keuken en de sanitaire ruimten kan worden aangemerkt als verbeteringskosten en aldus de helft van de kosten kan worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten.
4.7.
Tot die aftrekbare onderhoudskosten van de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten moeten naar het oordeel van het Hof niet alleen de kosten die in het in 2.13. genoemde overzicht zijn genoemd onder de kopjes ‘Keuken’ en ‘Sanitair’ worden gerekend, maar ook andere kostenposten uit genoemd overzicht die betrekking hebben op de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten. Dit betreft dan onder het kopje ‘Aannemer/contract’ de posten ‘systeemvloeren’, ‘tegelwerk’ en ‘dekvloeren/vloerafwerking’, nu ter zitting is vastgesteld dat deze posten enkel betrekking hebben op onderdelen van de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten. Ook voor deze posten geldt dat voor zover belanghebbende de kosten als fiscaal aftrekbare onderhoudskosten heeft aangemerkt deze kosten voor 50% zijn aan te merken als onderhoudskosten. Verder acht het Hof voldoende aannemelijk dat van de onder het kopje ‘Aannemer/meerwerk’ genoemde posten, de volgende posten betrekking hebben op de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten en ook voor 50% in aanmerking kunnen worden genomen als aftrekbare onderhoudskosten:
  • de post ‘montage sanitair’;
  • de post ‘wastafelblad’;
  • de post ‘plaatsing wastafelblad’;
  • de post ‘plaatsing spiegel’;
  • de post ‘ronday WCD’s keukenlade’;
  • de post ‘ronday badkamer aanpassingen’; en
  • de post ‘voegwerk tegelwerk in expoxy’.
4.8.
Uit hetgeen het Hof hiervoor in 4.6. en 4.7. heeft overwogen, volgt dat ten aanzien van de renovatie van de keuken en de badkamer de onderhoudskosten kunnen worden vastgesteld op een totaalbedrag van € 46.677,60. [3]
Kosten voor buitenkozijnen, ramen en deuren en kosten voor ruwbouwtimmerwerk
4.9.
Ten aanzien van de kosten die vallen onder de kostenpost ‘buitenkozijnen/ramen/deuren’ stelt belanghebbende dat dit een gespecificeerd bedrag betreft van kosten die nooit zouden zijn gemaakt als deze niet noodzakelijk geweest waren. Gezien de algehele staat van verval en benodigde renovatie komen deze kosten volgens belanghebbende gewoon voor aftrek in aanmerking. Hetzelfde geldt volgens belanghebbende voor kosten die vallen onder de kostenpost ‘kosten voor ruwbouwtimmerwerk’. Ook die kosten waren noodzakelijk om de woning in stand te houden.
4.10.
De Inspecteur stelt zich ten aanzien van de kostenpost ‘buitenkozijnen/ramen/deuren’ op het standpunt dat terecht alleen die kosten waarvan duidelijk is geworden dat deze zien op onderhoudswerkzaamheden, waaronder de kosten inzake houtrotherstel, het herstel van een hardstenen dorpel, het herstel van het kozijn aan de achtergevel en het gangbaar maken van schuiframen, als onderhoudskosten in aftrek zijn toegelaten. Voor het overige bedrag aan kosten heeft belanghebbende volgens de Inspecteur onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van onderhoudskosten. Dit geldt ook voor de kosten die onder de post ‘kosten voor ruwbouwtimmerwerk’ zijn begrepen. Ten aanzien van deze kostenpost ziet de Inspecteur dan ook geen aanleiding voor het in aanmerking nemen van een hoger bedrag aan onderhoudskosten dan het bedrag van € 2.000,00 dat reeds in aanmerking is genomen.
4.11.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kostenposten niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag aan kosten dat de Inspecteur niet reeds in aanmerking heeft genomen ziet op onderhoudswerkzaamheden. Zonder nadere toelichting of onderbouwing, die belanghebbende niet dan wel onvoldoende heeft gegeven, is uit de door belanghebbende overgelegde specificaties niet op te maken dat deze kosten betrekking hebben op noodzakelijke onderhoudskosten en de kosten niet zijn gemaakt voor verbetering of vernieuwing van de woning. Dit maakt dat het totale bedrag aan aftrekbare onderhoudskosten voor deze kostenposten uitkomt op het bedrag dat de Inspecteur reeds in aanmerking heeft genomen van € 8.178,44 [4] .
Kosten voor beglazing
4.12.
Volgens belanghebbende kunnen de kosten die zijn gemaakt voor het vervangen van de bestaande beglazing door monumentenglas en die zijn opgenomen in de kostenpost ‘beglazing’ gedeeltelijk, voor een bedrag van € 16.775,45, worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten. Belanghebbende voert daartoe aan dat de woning was uitgerust met dubbele beglazing in de vorm van enkele ramen met voorzetramen. Deze voorzetramen functioneerden niet goed en gaven ook aanleiding tot rot- en vochtproblemen. Bovendien voldeden volgens belanghebbende de enkele ramen niet meer, omdat deze ingebrand waren (kalkbrand) en daardoor geen volledige doorkijk meer gaven.
4.13.
De Inspecteur is van mening dat de kosten voor het vervangen van de beglazing niet in aftrek kunnen worden gebracht, aangezien enkel de kosten voor het herstel van kapot glas en vervanging van bestaand materiaal kunnen worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake van is, nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van breukschade in de beglazing. Ter zitting heeft de Inspecteur daarbij uitgelegd dat de omstandigheid dat de beglazing was ingebrand en daardoor geen volledige doorkijk meer gaf, niet maakt dat de beglazing zou moeten worden vervangen, omdat de beglazing dan nog steeds (deels) functioneel is.
4.14.
Het Hof is van oordeel dat de kosten van de vervanging van de beglazing in dit geval kunnen worden aangemerkt als onderhoudskosten. Het Hof overweegt daartoe dat de Inspecteur niet heeft weersproken dat de voorzetramen aanleiding gaven tot houtrot- en vochtproblemen. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat vervanging van de beglazing noodzakelijk was om de woning in stand te houden. Het Hof volgt Inspecteur dus ook niet in zijn stelling dat alleen in geval van breukschade de kosten van de vervanging van beglazing kunnen worden aangemerkt als onderhoudskosten. Ook indien een raam, zoals in dit geval door bijvoorbeeld kalkbrand, niet meer een volledige doorkijk geeft, kunnen de kosten van de vervanging van dat raam worden aangemerkt als onderhoudskosten. In dergelijk geval is het raam niet meer volledig functioneel en bruikbaar en is de vervanging het raam aan te merken als onderhoud.
4.15.
De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende dat in dit geval de kosten van de vervanging van de enkele beglazing met voorzetramen door monumentenglas gedeeltelijk voor een bedrag van € 16.755,45 kunnen worden aangemerkt als onderhoudskosten niet bestreden, zodat het Hof hiervan zal uitgaan. Dit betekent dat ten aanzien van de post ‘beglazing’ een bedrag van € 16.775,45 is aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten.
Kosten voor loodgieterswerkzaamheden
4.16.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten voor de loodgieterswerkzaamheden tot een bedrag van € 47,116,82 als aftrekbare onderhoudskosten moeten worden aangemerkt. Deze kosten betreffen onder andere de kosten van de installateur voor de noodzakelijke vervanging van de bestaande cv-installatie (€ 25.989,65) en de waterleiding (€ 10.993,56). De vervanging van de cv-installatie was noodzakelijk omdat deze niet voldeed, onder meer omdat de cv-ketel niet het juiste vermogen had. Bovendien was sprake van verschillende druklekkages. Ook de waterleidingen werkten volgens belanghebbende niet goed, waardoor ook die vervangen moesten worden.
4.17.
De Inspecteur is van mening dat ten aanzien van de loodgieterswerkzaamheden terecht alleen een bedrag van € 6.000 in aftrek is toegelaten. Dit bedrag betreft een aanname van het herstel van de bestaande toestand van de cv-installatie. De Inspecteur is van mening dat de overige kosten voor de loodgieterswerkzaamheden niet zijn aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten, omdat belanghebbende verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van defecte leidingen en/of installaties. Dat de bestaande cv-ketel onvoldoende vermogen had om het gehele huis te verwarmen, maakt volgens de Inspecteur niet dat kosten van vervanging van de cv-ketel en het aanpassen van installatie als fiscaal aftrekbare onderhoudskosten kunnen kwalificeren, omdat dan geen sprake is van noodzakelijk herstel van een defect aan de installatie.
4.18.
Uit de door belanghebbende overgelegde offerte van installateursbedrijf [bedrijfsnaam1] , volgt dat deze installateur, die de loodgieterswerkzaamheden niet heeft uitgevoerd, heeft geconstateerd dat de cv-installatie niet voldeed aan de huidige eisen en dat sprake was van verschillende druklekkages in de cv-leidingen en radiatoren. De installateur heeft geadviseerd de gehele cv-installatie te verwijderen (zie 2.14.). Het Hof is van oordeel dat mede gezien deze offerte voldoende aannemelijk is geworden dat herstel en gedeeltelijke vervanging van de bestaande cv-installatie en radiatoren niet alleen noodzakelijk was om lekkages te verhelpen, maar ook noodzakelijk was om met deze cv-installatie de woning voldoende te kunnen verwarmen. Het Hof acht een cv-installatie in een woning in beginsel alleen dan in bruikbare staat als met deze installatie de woning voldoende aangenaam kan worden verwarmd. Dit maakt dat, anders dan de Inspecteur betoogt, de kosten die gemaakt zijn aan de cv-installatie om ervoor te zorgen dat met deze installatie de woning aangenaam kon worden verwarmd, zijn aan te merken als onderhoudskosten.
4.19.
De kosten van het volledig vervangen van een cv-installatie inclusief alle radiatoren kunnen niet zonder meer volledig kwalificeren als onderhoudskosten, omdat bij een volledige vervanging van een oudere cv-installatie door een die voldoet aan de huidige normen ook sprake is van verbetering. Van verbetering is verder sprake in een situatie waarbij als onderdeel van de vervanging van de volledige installatie de nieuwe cv-leidingen worden weggewerkt, waar dit eerder niet het geval was en er geen noodzaak toe was om de oude leidingen te vervangen en/of te verplaatsen. Het Hof acht daarom niet aannemelijk dat alle kosten voor het vervangen van de cv-installatie in de woning zijn aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten, maar wel aannemelijk dat de helft van deze kosten onderhoudskosten betreffen.
4.20.
Het Hof begrijpt dat de overige kosten voor de loodgieterswerkzaamheden betrekking hebben op andere installatiewerkzaamheden, waaronder het vervangen van de water- en gasleidingen, in verband met de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten. Het Hof acht het, gelet op de algehele staat van de woning op het moment dat belanghebbende deze verkreeg, aannemelijk dat al het overige installatiewerk in de woning verouderd was en dat het in het licht van de noodzakelijke renovatie van de keuken en sanitaire ruimten aangewezen was om deze installaties gelijktijdig met deze renovaties volledig vervangen. Dit maakt dat ook deze kosten voor de helft kunnen worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten. Dat de vervangen leidingen niet defect waren, maakt dat niet anders. Met zijn opvatting dat alleen de kosten van het vervangen van defecte leidingen kunnen worden aangemerkt als onderhoudskosten geeft de Inspecteur een te beperkte uitleg aan het begrip onderhoud.
4.21.
Uit het voorgaande volgt dat de helft van de door belanghebbende als fiscaal aftrekbare onderhoudskosten van het loodgieterswerk van in totaal € 54.416,90 (€ 47.116,82 ‘loodgieterswerkzaamheden’ en € 7.300,08 ‘radiatoren’), zijnde € 27.208,45, als aftrekbare onderhoudskosten in aanmerking kan worden genomen.
Kosten voor elektrische installaties
4.22.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten voor de ‘elektronische installaties’ (het Hof begrijpt: elektrische installaties), die betrekking hebben op de vervanging van de gehele elektrische installatie van de woning voor de helft aftrekbaar zijn. Belanghebbende voert hiertoe aan dat de elektrische installatie niet voldeed aan de huidige normen en bovendien brandgevaarlijk was en kans gaf op kortsluiting.
4.23.
Volgens de Inspecteur zijn de kosten voor de vervanging van de elektrische installatie niet aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vervangen van de elektrische installatie noodzakelijk was. De Inspecteur heeft ter zitting toegelicht dat de huidige veiligheidsnormen heel streng zijn en dat uit de omstandigheid dat de elektrische installatie niet voldeed aan de huidige veiligheidsnormen niet mag worden afgeleid dat de installatie onveilig of brandgevaarlijk was en daarom vervanging noodzakelijk was.
4.24.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de elektrische installatie in ieder geval deels onveilig was en niet voldeed aan de huidige eisen en dat het noodzakelijk was om deze te vervangen om de woning in bruikbare staat te brengen. Dat sprake was van een onveilige situatie wordt niet alleen benoemd in de door belanghebbende overgelegde prijsopgave van [bedrijfsnaam2] (zie 2.15.), maar volgt ook uit verschillende foto’s in het dossier waarop onder meer te zien is dat in sommige ruimten in de woning ‘stopcontacten’ zijn aangelegd met behulp van doorverbonden stekkerdozen. De kosten die zijn gemaakt voor de vervanging van de elektrische installatie teneinde deze te laten voldoen aan de huidige eisen, zijn daarom deels aan te merken als onderhoudskosten. In deze kosten zijn echter ook kosten voor vernieuwing en verbetering te onderkennen, nu de installatie bijvoorbeeld is aangepast en uitgebreid in verband met de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten en is voorzien van nieuw schakelmateriaal. Nu de Inspecteur het standpunt van belanghebbende dat de helft van de totale kosten voor de werkzaamheden aan de elektrische installaties is toe te rekenen aan onderhoud verder niet heeft bestreden, zal het Hof hiervan uitgaan. Dit maakt dat met betrekking tot de werkzaamheden aan de elektrische installaties een bedrag van in totaal (‘elektrische installatie’ € 16.549,44 + ‘aanpassingen elektrische installatie’ € 5.444,14=) € 21.993,58 kan worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten.
Kosten voor schilderwerk en kosten kleurhistoricus
4.25.
Wat betreft de kosten voor het schilderwerk is tussen partijen enkel in geschil of de kosten voor het binnenschilderwerk kunnen worden aangemerkt als onderhoudskosten. De kosten voor het buitenschilderwerk (€ 16.842,10) zijn door de Inspecteur reeds in aftrek toegelaten. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten voor het binnenschilderwerk geheel zijn aan te merken als onderhoudskosten. Belanghebbende voert daartoe aan dat de schilderwerkzaamheden binnenshuis betrekking hebben op het noodzakelijk herstel van beschadigingen aan muren, kozijnen en deuren. De kosten voor al deze noodzakelijke werkzaamheden zijn dusdanig groot dat deze niet zijn aan te merken huurderslasten. Een deel van schilderwerkzaamheden betrof daarnaast herstelwerkzaamheden na de renovatie van de elektra- en watervoorzieningen. Verder hangen volgens belanghebbende de kosten van de kleurhistoricus samen het met schilderwerk en zijn deze daarom ook aan te merken als onderhoudskosten.
4.26.
De Inspecteur is van mening dat de kosten van het binnenschilderwerk in beginsel een huurderslast vormen en daarom niet aftrekbaar zijn. De kosten voor het binnenschilderwerk kunnen volgens de Inspecteur enkel in aanmerking worden genomen indien er een noodzakelijk verband ligt met onderhoudswerkzaamheden. Belanghebbende heeft onvoldoende inzicht geboden in hoeverre het binnenschilderwerk samenhangt met onderhoudswerkzaamheden, zoals bijvoorbeeld houtrotherstel. De Inspecteur acht wel aannemelijk dat er herstel is uitgevoerd aan het kozijnwerk binnen waardoor een bedrag van € 6.559 (de Inspecteur gaat er abusievelijk vanuit dat dit bedrag 10% van de totale kosten van het binnenschilderwerk van € 65.699,15 vormt) kan worden aangemerkt aftrekbare onderhoudskosten. Daarnaast kan de helft van de stelpost voor het herstel van het decoratiewerk van in totaal € 4.417,60 volgens de Inspecteur aangemerkt worden als aftrekbare onderhoudskosten. Deze bedragen zijn echter al in aanmerking genomen, zodat er geen aanleiding bestaat om een groter deel van de kosten voor het schilderwerk in aanmerking te nemen als onderhoudskosten.
4.27.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het houtwerk binnen in de woning op meerdere plaatsen dusdanig beschadigd en in slechte staat was dat herstel daarvan noodzakelijk was om de woning in stand te houden. Dit volgt onder meer uit de door belanghebbende overgelegde verklaring van de schilder alsmede uit de door belanghebbende overgelegde foto’s van onder andere de lambrisering van de trap en enkele houten plafonds. De kosten voor het herstel van het beschadigde houtwerk binnen in de woning zijn daarom aan te merken als onderhoudskosten. Deze kosten vormen geen huurderslasten, nu deze herstelwerkzaamheden en de daarmee gepaard gaande kosten zo omvangrijk zijn dat deze in huurverhoudingen niet door de huurder plegen te worden gedaan en gedragen. Daarnaast acht het Hof het aannemelijk dat in ieder geval een deel van het binnenschilderwerk samenhangt met de deels als onderhoudswerkzaamheden aangemerkte vervanging van de elektrische installatie en de cv-installatie (zie 4.16. tot en met 4.24.). Voor zover het binnenschilderwerk samenhangt met verbeteringen en vernieuwing van de woning, kunnen deze kosten niet als onderhoudskosten worden genomen. Belanghebbende heeft geen nadere specificatie van het binnenschilderwerk overgelegd. Het Hof acht evenwel aannemelijk dat ten minste de helft van de totale kosten van het binnenschilderwerk, zijnde € 37.226,35 (=50% x (€ 86.858,16 - 16.842,10) + 50% x € 4.436,63), zijn aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten. Daarmee komen de totaal aftrekbare kosten voor het schilderwerk uit op € 54.068,45 [5] .
4.28.
De kosten van de kleurhistoricus zijn naar het oordeel van het Hof niet aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten. De kleurhistoricus heeft onderzoek gedaan naar de originele kleuren waarin de woning was geschilderd. Het is echter niet noodzakelijk voor het in bruikbare staat brengen of houden van de woning als monument, dat de woning opnieuw is geschilderd in de originele kleuren.
Kosten voor vloer(herstel)
4.29.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten voor het plaatsen van een nieuwe ondervloer en de nieuwe parketvloer op de benedenverdieping aftrekbaar zijn, omdat de bestaande houten plankenvloer niet meer volledig te herstellen was. Belanghebbende wijst er daarbij op dat eerst getracht is de vloer te herstellen en dat vervolgens bleek dat de planken vloerdelen niet volledig afsloten, waardoor er (veel) tocht tussen de kieren van de planken doorkwam. Daarop is besloten om alsnog een nieuwe houten ondervloer aan te brengen met daarop een nieuwe parketvloer.
4.30.
De Inspecteur meent dat het aanbrengen van een nieuwe ondervloer louter diende om het wooncomfort te verhogen en de nieuwe parketvloer een nieuwe voorziening betreft. De kosten voor het aanbrengen hiervan kunnen daarom niet worden aangemerkt worden als aftrekbare onderhoudskosten.
4.31.
Het Hof is van oordeel dat de kosten voor het plaatsen van de nieuwe ondervloer met daarop de nieuwe parketvloer niet zijn aan te merken als onderhoudskosten. Het Hof overweegt daartoe dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de houten vloer, nadat deze was hersteld, niet meer bruikbaar was. Het Hof acht het daarom niet aannemelijk dat het plaatsen van een nieuwe parketvloer noodzakelijk was voor het in bruikbare staat brengen of houden van de woning als monument. Belanghebbende heeft ten aanzien van redenen voor de plaatsing van de nieuwe ondervloer en de nieuwe parketvloer verder gesteld dat deze in feite dient als extra isolatielaag. Dat deze extra isolatie noodzakelijk was voor het in bruikbare staat brengen of houden van de woning als monument, is door belanghebbende echter niet aannemelijk gemaakt. De kosten voor de plaatsing van de nieuwe ondervloer en de nieuwe parketvloer zijn niet aan te merken als aftrekbare onderhoudskosten.
Kosten voor stukadoorswerk
4.32.
Wat betreft de kosten voor stukadoorswerk stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de staat van de muren slecht was en dat gelet op de algehele staat van de woning bij aanvang van de werkzaamheden het stucwerk noodzakelijk was ter behoud van de woning.
4.33.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat al het stucwerk volledig herstel nodig had. Volgens de Inspecteur was er slechts ten dele sprake van noodzakelijk herstel van het stucwerk. Er bestaat daarom geen aanleiding om ten aanzien van kosten van het stukadoorwerk de onderhoudskosten op een hoger bedrag te stellen dan het bedrag van € 2.205,00 dat reeds in aanmerking is genomen.
4.34.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten voor het stukadoorswerk voor meer dan € 2.205,00 als onderhoudskosten kunnen worden aangemerkt. Het Hof overweegt daartoe dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat stucwerkzaamheden voornamelijk betrekking hebben op het herstel van beschadigd stucwerk in de hal en op nieuw stucwerk in de woonkamer na het verwijderen van de voorzetwanden aldaar. Hoewel belanghebbende foto’s heeft overgelegd waarop gaten in het bestaande stucwerk zijn te zien, heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat plaatselijk herstel van het beschadigde stucwerk niet mogelijk was en het volledig opnieuw stuken van de muren in de hal noodzakelijk was. Daarnaast heeft belanghebbende niet aannemelijk dat het verwijderen en vervangen van de voorzetwanden in de woonkamer noodzakelijk was om de woning in bruikbare staat te houden, zodat ook kosten voor het stuken van de nieuwe voorzetwanden geen aftrekbare onderhoudskosten zijn.
Kosten stut- en sloopwerken
4.35.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur het deel van de onderhoudskosten in de post ‘stut- en sloopwerken’ voor een te laag bedrag in aanmerking heeft genomen. Het in het overzicht opgenomen bedrag aan onderhoudskosten voor stut- en sloopwerk hangt volgens belanghebbende volledig samen met noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, waaronder het binnenschilderwerk en de renovatie van de keuken en de badkamers.
4.36.
Volgens de Inspecteur bestaat er geen aanleiding om een groter deel van de kosten voor de stut- en sloopwerken tot de aftrekbare onderhoudskosten te rekenen, omdat niet aannemelijk is geworden dat deze kosten samenhangen met uitgevoerd onderhoud.
4.37.
Het Hof is van oordeel dat voor zover de stut- en sloopwerkzaamheden betrekking hebben op het binnenschilderwerk en de renovatie van de keuken en de sanitaire ruimten, de kosten hiervoor voor de helft kunnen worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten, nu ook de kosten voor het binnenschilderwerk en de renovatie van de keuken en sanitaire ruimten voor de helft aftrekbare onderhoudskosten zijn (zie 4.4. – 4.8. en 4.25. – 4.28.). Het Hof kan echter uit de door belanghebbende overgelegde specificaties met de omschrijvingen van de stut- en sloopwerkzaamheden onvoldoende duidelijk afleiden welk deel van de door Inspecteur niet in aanmerking genomen kosten voor stut- en sloopwerkzaamheden van € 8.705,22 daadwerkelijk betrekking heeft op de hiervoor genoemde (onderhouds)werkzaamheden. Belanghebbende is er naar het oordeel van het Hof dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat ten aanzien van de post ‘stut- en sloopwerken’ een extra bedrag kan worden aangemerkt als onderhoudskosten. Dit maakt dat het totale bedrag aan aftrekbare onderhoudskosten voor stut- en sloopwerk uitkomt op het bedrag dat de Inspecteur reeds in aanmerking heeft genomen van € 7.686,89.
Overige posten Aannemer/meerwerk
4.38.
Ten aanzien van de hiervoor niet reeds genoemde kostenposten die zijn genoemd onder het kopje ‘Aannemer/meerwerk’ stelt belanghebbende zich op het standpunt dat deze kosten aftrekbare onderhoudskosten zijn, omdat voldoende aannemelijk is dat deze kosten noodzakelijk waren en deze werkzaamheden geen wezenlijke verbeteringen en veranderingen aan de woning hebben opgeleverd.
4.39.
De Inspecteur betwist dat deze posten aftrekbare onderhoudskosten zijn. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat deze posten zien op noodzakelijk onderhoud.
4.40.
Voor wat betreft de posten die samenhangen met de gedeeltelijke renovatie van de veranda/serre, de renovatie van de balustrade en de hekwerken buiten, acht het Hof aannemelijk dat deze werkzaamheden in beginsel noodzakelijk waren voor het herstel van deze onderdelen van de woning. Het Hof overweegt daartoe dat belanghebbende ter zitting bij de Rechtbank heeft verklaard dat de balustrade was weggewaaid en de veranda als gevolg van houtrot moest worden hersteld. De Inspecteur heeft dit niet weersproken en verder niet gesteld dat deze werkzaamheden hebben geleid tot verbeteringen of veranderingen aan deze onderdelen van de woning. De kosten die samenhangen met deze werkzaamheden kunnen daarom volledig worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten. Dit betreft dan de posten ‘vervangen kolom veranda’ (€ 159,33), ‘nieuwe kolom veranda’ (€ 489,17), ‘plaatsen nieuwe kolom veranda’ (€ 841,94), ‘nieuw regelwerk/leuningwerk’ (€ 1.358,16), ‘nieuwe spijlen’ (€ 1.055,85), ‘nieuwe hekken’ (€ 1.321,71), ‘vernieuwen hekken voorzijde’ (€ 1.358,16) en ‘plaatsen hekken’ (€ 841,94) alsmede de daarbij behorende ‘verrekenpost’ van -/- € 717,86.
4.41.
Voor wat betreft de overige posten heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat dit onderhoudskosten betreffen. Belanghebbende heeft daartoe onvoldoende nader bewijs geleverd. Zo heeft belanghebbende bijvoorbeeld niet aannemelijk gemaakt dat het vervangen van het hang- en sluitwerk van de (buiten)ramen noodzakelijk onderhoud betrof of dat vervanging heeft plaatsgevonden om de woning beter inbraakwerend te maken. Verder is ten aanzien van de post ‘servieskast in keuken’ niet vast komen te staan of hier sprake is van een vaste inbouwkast die onderdeel uitmaakt van de keukenopstelling of van een vrijstaande kast. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat die servieskast in het kader van onderhoud is vervangen.
4.42.
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.40. is overwogen, kan ten aanzien van de overige posten onder het kopje ‘Aannemer/meerwerk’ een bedrag van € 6.708,40 [6] worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudskosten.
Omzetbelasting
4.43.
In het in 2.13. genoemde overzicht zijn onder het kopje ‘Aannemer/contract’ de bedragen exclusief omzetbelasting opgenomen en is de omzetbelasting afzonderlijk opgenomen. Bij het bepalen van de aftrekbare onderhoudskosten komt de betaalde omzetbelasting eveneens in mindering. Dit betekent dat ten aanzien van de kostenposten onder het kopje ‘Aannemer/contract’ de aftrekbare onderhoudskosten nog moeten worden vermeerderd met omzetbelasting. Wat betreft de posten ‘schilderwerk’ en ‘stukadoorswerk’ geldt het verlaagde omzetbelastingtarief van (destijds) 6%, hetgeen leidt tot aftrekbare omzetbelasting van € 3.243,31. [7] Voor de overige werkzaamheden geldt het algemene omzetbelastingtarief van 21%, hetgeen leidt tot een bedrag aan aftrekbare omzetbelasting van € 16.502,53 [8] . Het totaalbedrag aan aftrekbare omzetbelasting komt daarmee uit op € 19.745,84.
Algemeen, korting en kosten architect
4.44.
Ten aanzien van de post ‘kosten architect’ hebben partijen ter zitting verklaard dat de kosten van de architect voor de bouwbegeleiding van in totaal € 18.145,00 (€ 21.955,45 inclusief omzetbelasting), pro rata in aanmerking kunnen worden genomen in de verhouding tussen het bedrag aan aftrekbare onderhoudskosten en de totale kosten van de verbouwing exclusief omzetbelasting. Ditzelfde heeft naar het oordeel van het Hof te gelden voor de kostenpost ‘algemeen’ van € 4.263,81, alsmede de kostenpost ‘korting’ van -/- € 5.642,25, gezamenlijk -/- € 1.378,44 (-/- € 1.667,91 inclusief omzetbelasting). De totale renovatiekosten bedragen exclusief de nog de hiervoor genoemde pro rata te verdelen posten € 646.048,16 [9] . Uit hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen volgt dat van de totale kosten een bedrag van € 224.404,88 [10] aftrekbare onderhoudskosten betreft – exclusief de hiervoor genoemde nog pro rata te verdelen kostenposten. Dit maakt dat van het totaal van de posten ‘algemeen’, ‘korting’ en ‘kosten architect’ inclusief omzetbelasting van € 20.287,54 [11] een pro rata bedrag van € 7.046,88 [12] kan worden aangemerkt als onderhoudskosten.
Gevolgen voor de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018
4.45.
Uit hetgeen het Hof hiervoor in 4.4. tot en met 4.44. heeft overwogen, volgt dat van de totale verbouwingskosten een bedrag van afgerond € 231.452 [13] kan worden aangemerkt als onderhoudskosten. Voor wat betreft de verdeling van dit totale bedrag aan onderhoudskosten zal het Hof de uitgangspunten zoals weergegeven in het in 2.13. genoemde overzicht hanteren. Dit betekent dat, tenzij in het overzicht reeds anders vermeld, 92% van de onderhoudskosten toerekenbaar is aan 2017 en 8% aan 2018. Dit leidt er dan toe dat een bedrag van € 211.969 toerekenbaar is aan 2017 en een bedrag van € 19.483 toerekenbaar is aan 2018, zoals volgt uit onderstaande tabel:
Post
Bedrag
Aftrekbaar
Toebedeeld aan 2017
Toebedeeld aan 2018
Aannemer/contract
algemeen
€ 4.263,81
€ 1.792,05
€ 1.648,69
€ 143,36
korting
-€ 5.642,25
-€ 2.371,40
-€ 2.181,69
-€ 189,71
stut- en sloopwerken
€ 18.478,40
€ 7.686,89
€ 7.701,94
€ 614,95
metselwerk
€ 1.592,72
systeemvloeren
€ 3.136,13
€ 689,37
€ 634,22
€ 55,15
ruwbouwtimmerwerk
€ 61.399,29
€ 2.000,00
€ 1.840,00
€ 160,00
kapconstructies intern isoleren
€ 22.800,63
buitenkozijnen/ramen/deuren
€ 18.976,76
€ 6.178,44
€ 5.684,16
€ 494,28
beglazing
€ 26.418,80
€ 16.775,45
€ 15.433,41
€ 1.342,04
stukadoorswerkzaamheden
€ 21.529,80
€ 2.205,00
€ 2.028,60
€ 176,40
tegelwerk
€ 10.358,80
€ 4.811,39
€ 4.426,47
€ 384,91
dekvloeren/vloerafwerking
€ 668,16
€ 334,08
€ 307,35
€ 26,73
schilderwerk
€ 86.858,85
€ 51.850,13
€ 47.702,12
€ 4.148,01
loodgieterswerkzaamheden
€ 74.141,48
€ 23.558,41
€ 21.673,74
€ 1.884,67
elektrische installaties
€ 33.098,87
€ 16.549,44
€ 15.225,48
€ 1.323,96
btw 21%
€ 55.294,07
€ 16.502,53
€ 15.182,33
€ 1.320,20
btw laag
€ 6.871,75
€ 3.243,31
€ 2.983,84
€ 259,46
Aannemer/meerwerk
aanpassingen elektrische installatie
€ 10.888,28
€ 5.444,14
€ 5.008,61
€ 435,53
schoorsteeninspectie
€ 601,90
€ 601,90
€ 256,95
€ 344,95
trekbel voordeur
€ 318,08
montage sanitair
€ 10.558,06
€ 5.279,03
€ 4.856,71
€ 422,32
ronday bull eyes 03 kelder
€ 248,49
radiatoren
€ 7.300,08
€ 3.650,04
€ 3.358,04
€ 292,00
wastafelblad
€ 3.044,83
€ 1.522,42
€ 1.400,62
€ 121,79
meubelfabricage werkplaats
€ 1.475,66
plaatsing wastafelblad
€ 818,43
€ 409,22
€ 376,48
€ 32,74
plaatsing spiegel
€ 363,29
€ 181,65
€ 167,11
€ 14,53
vloeren underlayment
€ 8.456,93
hang- en sluitwerk ramen
€ 7.809,15
schoonmaken serre/plaatsen tegels
€ 667,48
ronday verlichting keuken
€ 1.634,51
ronday WCD's keukenlade
€ 287,14
€ 143,57
€ 132,08
€ 11,49
ronday badkamer aanpassingen
€ 1.671,84
€ 835,92
€ 769,05
€ 66,87
voegwerk tegelwerk in expoxy
€ 2.264,02
€ 1.132,01
€ 1.041,45
€ 90,56
servieskast in keuken
€ 678,49
steigerwerk
€ 3.219,33
€ 3.219,33
€ 3.219,33
herstel koperlassen
€ 7.051,26
€ 7.051,26
€ 7.051,26
vervangen kolom veranda
€ 159,33
€ 159,33
€ 146,58
€ 12,75
nieuw kolom veranda
€ 489,17
€ 450,04
€ 39,13
€ 450,04
plaatsen nieuwe kolom veranda
€ 841,94
€ 774,58
€ 67,36
€ 774,58
nieuw regelwerk/leuningwerk
€ 1.358,16
€ 1.249,51
€ 108,65
€ 1.249,51
nieuwe spijlen
€ 1.055,85
€ 971,38
€ 84,47
€ 971,38
nieuwe hekken
€ 1.321,71
€ 1.215,97
€ 105,74
€ 1.215,97
vernieuwen hekwerken voorzijde
€ 1.358,16
€ 1.249,51
€ 108,65
€ 1.249,51
plaatsen hekken
€ 841,94
€ 774,58
€ 67,36
€ 774,58
verrekenpost
-€ 717,86
-€ 660,43
-€ 57,43
-€ 660,43
Sanitair
totaal
€ 42.500,00
€ 16.897,24
€ 15.545,46
€ 1.351,78
Keuken
totaal
€ 45.000,00
€ 14.441,72
€ 13.286,38
€ 1.155,34
Bestaande vloer herstel
totaal
€ 2.284,30
€ 2.284,30
€ 2.284,30
Architect
totaal
€ 34.398,38
€ 7.626,23
€ 7.626,23
Kleurhistoricus en tegelvloer keuken
totaal
€ 3.054,67
Houten vloeren en parket
totaal
€ 18.350,00
Schilder
totaal
€ 4.436,63
€ 2.218,17
€ 2.040,71
€ 177,45
Totaal
€ 231.451,75
€ 211.969,00
€ 19.482,75
€ 231.451,75
4.46.
De als persoonsgebonden aftrek in de zin van artikel 6.1, lid 1 en 2, Wet IB 2001 in aanmerking te nemen uitgaven voor monumentenpanden in de zin van artikel 6.31, lid 1, Wet IB 2001 (tekst 2017 en 2018) bedragen dan voor het jaar 2017 80% x € 211.969 = € 169.576 (afgerond naar boven). Partijen zijn het erover eens dat van dit bedrag in een verhouding 50/50 moet worden verdeeld tussen belanghebbende en zijn echtgenote, zodat de persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven voor monumentenpanden voor belanghebbende voor het jaar 2017 uitkomt op € 84.788. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2017, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, rekening gehouden met een bedrag aan persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven voor monumentenpanden van € 26.462. Dit betekent dat belanghebbende voor het jaar 2017 recht heeft op een extra bedrag aan persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven voor monumentenpanden van € 58.326 [14] . Dit leidt ertoe dat de aanslag IB/PVV 2017, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, moet worden verminderd naar nihil en er na het jaar 2017 een restant persoonsgebonden aftrek resteert van € 45.344 [15] . Dit bedrag aan niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek kan in 2018 in aanmerking worden genomen als persoonsgebonden aftrek (artikel 6.1, lid 1, aanhef en onder b, Wet IB 2001). [16]
4.47.
De als persoonsgebonden aftrek in aanmerking te nemen uitgaven voor monumentenpanden in de zin van artikel 6.31, lid 1, Wet IB 2001 (tekst 2017 en 2018) bedragen voor het jaar 2018 80% x € 19.482,75 = € 15.586,20. Van dit bedrag moet volgens de gekozen verdeling € 500 worden toegerekend aan de echtgenote, zodat een bedrag van € 15.086 resteert. Tezamen met het restant van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek voor het jaar 2017 van € 45.344 (zie 4.46) heeft belanghebbende dan in 2018 recht op een totaal bedrag aan persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven voor monumentenpanden van € 60.430. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2018 rekening gehouden met een bedrag aan persoonsgebonden aftrek van in verband met uitgaven voor monumentenpanden van € 5.228. Dit betekent dat belanghebbende voor het jaar 2018 recht heeft op een extra bedrag aan persoonsgebonden aftrek van € 55.202 en het bij de aanslag IB/PVV 2018 vastgestelde verzamelinkomen van € 61.803 met dat bedrag moet worden verminderd tot € 6.601.
Belastingrente
4.48.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre gegrond voor zover het de hier voor genoemde verminderingen van de aanslagen betreft.
Vergoeding van immateriële schade
4.49.
Belanghebbende heeft bij brief van 16 januari 2024, door de Rechtbank ontvangen op 19 januari 2024, de Rechtbank verzocht een vergoeding van immateriële schade toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende beklaagt zich er in hoger beroep terecht over dat de Rechtbank in haar uitspraak geen beslissing heeft genomen op dit verzoek.
4.50.
Voor de toekenning van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat onderhavige zaken samenhangen. Dit brengt mee dat voor beide zaken bij de overschrijding van de redelijke termijn belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2017 ontvangen op 16 april 2021. De Rechtbank heeft op 8 juli 2024 uitspraak gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg van twee jaar met afgerond 15 maanden is overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.500. In de omstandigheid dat belanghebbende en zijn echtgenote in wezen gezamenlijk een procedure voeren over de aftrekbaarheid van de verbouwingskosten, ziet het Hof aanleiding de schadevergoeding met 50% te matigen. Belanghebbende heeft dus recht op een vergoeding van immateriële schade van € 750.
4.51.
De Inspecteur heeft op 7 april 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 6 maanden is toe te rekenen aan de Inspecteur en voor 9 maanden aan de Rechtbank. Het Hof zal daarom de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 250 en de Staat tot een bedrag van € 500. Nu de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof merkt hierbij op dat de bezwaren tegen de aanslag IB/PVV 2017 en 2018 afzonderlijk zijn behandeld. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar al een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 toegekend. Belanghebbende heeft bij de Rechtbank over die beslissing niet geklaagd, zodat deze beslissing onherroepelijk vaststaat. [17]
5.3.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 666 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt voor het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2018  wegingsfactor 1  € 666), € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934). Omdat in eerste aanleg en in hoger beroep samenhang bestaat met de procedure van de echtgenote van belanghebbende inzake de aan haar opgelegde aanslag IB/PVV 2017, zal het Hof de vergoeding voor de kosten in eerste aanleg en de kosten in hoger beroep voor de helft aan belanghebbende toekennen. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding van in totaal € 2.534. Belanghebbende heeft in beroep verzocht om een vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid ter zitting bij de Rechtbank van de heer [naam4] , die belanghebbende als deskundige wilde laten horen. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank volgt dat de Rechtbank de heer [naam4] tijdens het onderzoek ter zitting niet als deskundige heeft gehoord. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof bevestigd zich neer te leggen bij de beslissing van de Rechtbank om [naam4] niet als deskundige te horen. Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid van de heer [naam4] ter zitting van de Rechtbank. [18]

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,
– vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil,
– vermindert de beschikking belastingrente behorende bij de aanslag IB/PVV 2017 dienovereenkomstig,
– vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.601;
– vermindert de beschikking belastingrente behorende bij de aanslag IB/PVV 2018 dienovereenkomstig,
– veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 250,
– veroordeelt de Staat in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.534, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2817, r.o. 3.2.
2.Hoge Raad 5 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3909, r.o. 4.2.
3.€ 33.794,47 + € 28.883,44 + € 1.378,74 + € 9.622,77 + € 668,16 + € 10.558,06 + € 3.044,83 + € 818,43 + € 363,29 + € 287,14 + € 1.671,84 + € 2.264,02 = € 93.355,19 x 50% = € 46.677,60
4.€ 6.178,44 + € 2.000,00 = € 8.178,44.
5.€ 37.226,35 + € 16.842,10 = € 54.068,45.
6.€ 159,33 + € 489,17 + € 841,94 + € 1.358,16 + € 1.055,85 + € 1.321,71 + € 1.358,16 + € 841,94 - € 717,86 = € 6.708,40
7.Zie 4.27 en 4.34. Van de bedragen genoemd in 4.27 is het bedrag van € 4.436,63 al inclusief omzetbelasting. Dat maakt de berekening van de in aftrek te brengen omzetbelasting laag tarief als volgt: € 51.850,14 (=50% x (€ 86.858,16 - € 16.842,10)+ € 16.842,10) + € 2.205,00 (zie 4.34.)) x 6% = 3.243,31.
8.(€ 7.686,89 + € 689,37 + € 2.000,00 + € 6.178,44 + € 16.775,45 + € 4.811,39 + € 334,08 + € 23.558,41 + € 16.549,44) x 21% = € 16.502,53.
9.€ 666.335,70 - € 21.955,45 + 1.667,91 = € 646.048,16.
10.€ 46.677,60 (zie 4.8.) + € 8.178,44 (zie 4.11.) + € 16.775,45 (zie 4.15) + € 27.208,45 (zie 4.21.) + € 21.993,58 (zie 4.24.) + € 54.068,45 (zie 4.27.) + € 2.284,30 (‘bestaande vloer herstel’) + € 2.205,00 (zie 4.34.) + € 7.686,89 (zie 4.37.) + € 6.708,40 (zie 4.42) + € 19.745,84 (zie 4.43.) + € 601,90 (‘schoorsteeninspectie’) + € 3.219,33 (‘steigerwerk’) + € 7.051,26 (‘herstel koperlassen’) = € 224.404,88.
11.‘algemeen’ € 4.263,81 + ‘korting’ -/- € 5.642,25 + ‘architect’ € 18.145 = € 16.766,56 vermeerderd met 21% omzetbelasting is € 20.287,54.
12.(€ 224.404,88/€ 646.048,16)*€ 20.287,54 = € 7.046,88.
13.€ 224.404,88 (zie 4.44.) + € 7.046,88 = € 231.452.
14.€ 84.788 - € 26.462 = € 58.326.
15.€ 58.326 - € 12.982 = € 45.344.
16.Dit bedrag zou dan in beginsel eerst op grond van artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001 bij beschikking vastgesteld moeten worden.
17.Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:673.
18.Zie Hoge Raad 29 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1407, r.o. 2.5.3.