In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een voorlopige voorziening waarbij een bestuurder van twee stichtingen is geschorst gedurende een onderzoek naar een ontslagverzoek. De rechtbank had de bestuurder geschorst en een onderzoek bevolen naar het bestuur en beleid van de stichtingen. De bestuurder stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de schorsing onterecht was, terwijl de medebestuurder incidenteel hoger beroep instelde om het ontslagverzoek alsnog toegewezen te krijgen.
Het hof oordeelt dat het principaal hoger beroep van de geschorste bestuurder niet slaagt omdat er voldoende vrees bestaat voor de aanwezigheid van ontslaggronden zoals taakverwaarlozing en andere gewichtige redenen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de bestuurder de medebestuurder niet heeft betrokken bij bestuursvergaderingen, in strijd met de statuten heeft gehandeld en onduidelijkheid bestaat over de bestemming van aanzienlijke familiebezittingen. Het hof verklaart het incidenteel hoger beroep van de medebestuurder niet-ontvankelijk omdat de rechtbank nog niet definitief op het ontslagverzoek heeft beslist en geen toestemming voor tussentijds hoger beroep is verleend.
De schorsing blijft daarmee in stand zolang het onderzoek bij de rechtbank loopt. Beide partijen worden veroordeeld tot betaling van elkaars proceskosten in het hoger beroep. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige bestuursvoering en het respecteren van statutaire bepalingen binnen familiebedrijven en stichtingen.