ECLI:NL:GHARL:2026:1878

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.351.716/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 lid 4 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens tekortschieten interim-CEO als persoonlijk adviseur bij investeringstransactie

Appellant1 was tot november 2015 aan het hoofd van een afvalverwerkingsonderneming en verleende geïntimeerde een volmacht als interim-CEO. Appellanten stelden dat geïntimeerde hen persoonlijk had moeten adviseren bij een investeringstransactie, maar dat hij daarin tekort was geschoten, wat leidde tot een slechter onderhandelingsresultaat.

Het hof oordeelde dat geïntimeerde contractueel was verbonden aan de onderneming en niet persoonlijk aan appellant1. De opdrachtbevestiging en facturering waren gericht aan de onderneming, en niet aan appellant1 persoonlijk. Ook was appellant1 voldoende in staat om zijn belangen te behartigen en had hij professionele adviseurs.

De stelling dat geïntimeerde als persoonlijk adviseur optrad, werd onvoldoende onderbouwd. Er was geen sprake van misbruik van omstandigheden of onrechtmatig handelen. Het hoger beroep faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd, met veroordeling van appellanten tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarbij alle vorderingen van appellanten worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.716
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 222186
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van

1.[appelant1]

die woont in [woonplaats1]
2. Bisbeez B.V.
die is gevestigd in Appingedam
appellanten
die bij de rechtbank optraden als eisende partijen
hierna afzonderlijk:
[appelant1]en
Bisbeezen gezamenlijk:
[appellanten] c.s.
advocaten: mrs. D.M. de Knijff en A.M. Dumoulin-Siemens
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
geïntimeerde
die bij de rechtbank optrad als gedaagde partij
hierna:
[geïntimeerde]
advocaat: mrs. R.Q. Potter

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellanten] c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) op 11 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de akte van [appellanten] c.s. van 24 juni 2025 waarbij opnieuw is overgelegd productie 75, met intrekking van de eerder ingediende productie 75
  • de memorie van antwoord
  • de e-mail van 31 december 2025 van de zijde van [geïntimeerde] waarbij zijn overgelegd producties 100 en 101
  • het H-12 formulier van 5 januari 2025 van [appellanten] c.s. waarbij zijn overgelegd producties 76-81
  • het H-12 formulier van 12 januari 2025 van [appellanten] c.s. waarbij is overgelegd productie 82
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 15 januari 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appelant1] stond tot en met 16 november 2015 aan het hoofd van de [appelant1] -onderneming, welke onderneming kort gezegd is gespecialiseerd in afvalverwerking. Bizbeez is [appelant1] persoonlijke holdingvennootschap. Toen omstreeks 2014 de continuïteit van de onderneming in gevaar kwam, is [appelant1] op zoek gegaan naar externe financiers en een interim-manager teneinde het bedrijf weer winstgevend te maken. In het najaar van 2015 heeft [appelant1] [geïntimeerde] een volmacht verleend als algemeen directeur van [naam1] . Op 17 november 2015 heeft een investeringstransactie plaatsgevonden tussen de [appelant1] -onderneming en (onder anderen) vennootschappen gelieerd aan ABN AMRO bank, respectievelijk [geïntimeerde] . [appellanten] c.s. verwijten [geïntimeerde] hen ondermaats te hebben geadviseerd bij de investeringstransactie, waardoor [appellanten] c.s. de kans op een beter onderhandelingsresultaat zouden zijn misgelopen. [geïntimeerde] betwist echter dat hij tot taak had [appelant1] persoonlijk te adviseren; hij was interim-CEO van en beoogd participeerder in de [appelant1] -onderneming en geen adviseur van [appelant1] persoonlijk.
Het geschil ziet in de basis op de vraag of [appelant1] ervan uit mocht gaan dat [geïntimeerde] tot taak had hem
persoonlijkte adviseren en zo ja, of hij daarin is tekortgeschoten.
Het geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.
2.2.
[appelant1] is enig aandeelhouder en middellijk bestuurder van Bisbeez. [appelant1] was tot en met 16 november 2015 via Avodah Management B.V. enig bestuurder en via Bisbeez enig aandeelhouder van [naam1] B.V. (hierna [naam1] ).
2.3.
[naam1] is (via haar dochtervennootschappen) gespecialiseerd in (de installatie van) apparatuur voor afvalscheiding, afvalverwerking en recycling.
2.4.
Recycling Solutions Investment Partners B.V. (hierna: Recycling Solutions) was in het relevante tijdvak een dochtervennootschap van ABN AMRO Participaties Fund V B.V. Dit betrof een onderdeel van ABN AMRO Participaties (hierna: AAP). AAP was de participatiemaatschappij van ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de bank). De bank was de huisbankier van [naam1] .
2.5.
[geïntimeerde] is middellijk aandeelhouder en bestuurder van EM Capital Partners B.V. (hierna: EM Capital). Met deze vennootschap participeert [geïntimeerde] in bedrijven.
2.6.
[naam1] werd in november 2014 door de bank onder bijzonder beheer geplaatst. Daarbij drong de bank aan op toetreding van een kapitaalkrachtige partij.
2.7.
Omstreeks mei 2015 is [appelant1] in gesprek gegaan over een mogelijke participatie van AAP (althans via het aan AAP gelieerde Recycling Solutions) en [geïntimeerde] (via EM Capital) in [naam1] . [geïntimeerde] was op dat moment werkzaam bij [naam6] (hierna: [naam6] ).
2.8.
In een e-mail van 16 mei 2015 heeft [appelant1] [geïntimeerde] ingelicht over zijn groeiplannen voor, en mogelijk door te voeren interne optimalisaties bij, [naam10] B.V. (hierna: [naam10] ). [naam10] is een werkmaatschappij van [naam1] en fungeert als de ‘topholding’ van de [appelant1] -onderneming.
2.9.
Per brief van 5 juni 2015 doet AAP een indicatieve bieding van een kapitaalinjectie in [naam1] en schrijft onder meer:
“Dit voorstel dient als propositie om u te helpen in bovenstaande zaken door middel van een kapitaalinjectie en door als aandeelhouders gezamenlijk de organisatie te versterken. Daarnaast zou [geïntimeerde] direct kunnen starten als CEO ter versterking van de organisatie. Om van uw ervaring en netwerk gebruik te kunnen maken en zoals door u zelf aangegeven zou het voor de onderneming in deze fase goed zijn als u zich primair zou richten op family owned key accounts en relatiemanagement. Wij zijn tot dit voorstel gekomen in overleg met de heren [geïntimeerde] en (…).”
2.10.
[naam6] heeft op 3 juli 2015 een opdrachtbevestiging gestuurd (hierna: de opdrachtbevestiging). Deze was gericht aan [naam10] en vermeldt, voor zover van belang:

Graag bevestig ik hiermee de opdracht voor onze associé (…) [geïntimeerde] als adviseur van de DGA van [naam10] B.V.
2.11.
Een e-mail van 27 augustus 2015 van de bank aan [appelant1] luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)
De afgelopen weken [is] er veel in de onderneming gaande mede door de kwetsbare liquiditeitspositie a.g.v. voortgaande substantiële verliezen in 2015. Reeds eerder hebben wij aangegeven hier geen rol in te kunnen spelen, hebben de obligo-lijn bevroren op een uitstaand niveau van eur 1.8 mln en aangedrongen op de toetreding van een kapitaalkrachtige partij met adequaat management. Uw inspanningen hebben ertoe geleid dat [geïntimeerde] samen met ABN AMRO Participaties serieus overwegen om de meerderheid te verwerven in de onderneming in combinatie met een substantiële kapitaalinjectie, gewijzigd management en een onderliggend herstelplan.
Wij hebben begrepen dat partijen nog 3/4 weken nodig hebben voor de voltooiing van de inmiddels opgestarte due dilligence op financieel- en commercieel gebied.
Wij hebben begrepen dat teneinde zicht te houden op een succesvolle transactie, enige verruiming van de liquiditeitspositie noodzakelijk is alhoewel de uitkomst niet 100% zeker is.
ABN AMRO is gevraagd om de komende periode de "bevroren" obligolimiet ad thans eur 1.8 mln met eur 900/d te verruimen i.v.m. te stellen vooruitbetalingsgaranties voortvloeiende uit verworven nieuwe opdrachten.
Wij zijn bereid om dit toe te staan onder de onderstaande voorwaarden :
(…)
ii) getoonde serieuze interesse van [geïntimeerde] en ABN AMRO Participaties, aan welke voorwaarde inmiddels is voldaan
iii) ontvangst van een onvoorwaardelijke borgstelling van u in privé groot eur 500/d vast te leggen in een nog op te stellen akte van borgstelling door ABN AMRO (…)
2.12.
Eind augustus 2015 zijn bij [naam1] twee due dilligence onderzoeken gestart. Sincerius voerde het financiële due diligence onderzoek uit en Traction Partners het economische.
2.13.
Op 11 september 2015 is in het kader van de onderhandeling met AAP en [geïntimeerde] een Letter of Intent getekend (hierna: LOI). De LOI is door of namens Bisbeez, AAP, [geïntimeerde] , [appelant1] , [naam2] en BAH ondertekend. Hierin is opgenomen dat [appelant1] in privé een borgstelling ten behoeve van de bank zal aangaan.
2.14.
Ook op 11 september 2015 heeft [geïntimeerde] een volmacht gekregen van [appelant1] . Deze volmacht hield onder meer het volgende in:

De heer [appelant1] , (…) eigenaar en algemeen directeur van [naam1] BV., geeft middels deze volmacht de heer [geïntimeerde] de volledige volmacht om op te treden àls-algémeen directeur van [naam1] 'SV om zo de continuïteit van [naam1] BV te waarborgen en om maximaal resultaat te behalen en om de belàngen van de aandeelhouder in de ruimste zin des woords te behartigen. (…)
2.15.
In een e-mail van 12 september 2015 heeft [appelant1] aan de medewerkers van [naam1] geschreven, voor zover hier van belang:
“(…)
Vrijdag 11 september heeft dhr. [geïntimeerde] een volledige volmacht van mij gekregen om als CEO op te treden van de onderneming. Hij zal proberen de continuïteit van de onderneming veilig te stellen door het bedrijf weer winstgevend te maken en een externe financier te vinden, die bereid is geld te steken in de onderneming.
(…) [geïntimeerde] zal proberen door drastische maatregelen te nemen het bedrijf weer winstgevend te maken en een externe financier te overtuigen, dat het bedrijf toekomst heeft. (…) Voor een ieder is hun manager de eerste contactpersoon. De managers worden aangestuurd door dhr. [geïntimeerde] .
2.16.
Op 28 september 2015 tekent [appelant1] de borgstelling voor de bank.
2.17.
Op 29 september 2015 vindt een bespreking plaats ten kantore van AAP, waarin onder meer de uitkomsten van het due dilligence onderzoek van Sincerius met [appelant1] zijn besproken.
2.18.
[appelant1] mailt op 9 oktober 2015 aan zijn advocaat [naam3] en financieel adviseur [naam4] , met in kopie [geïntimeerde] , voor zover van belang het volgende ter zake van het onderwerp ‘
AAP/ [appelant1] : IA, SHA en closing agenda’:

Zowel [geïntimeerde] als ik kunnen zich nog niet vinden in de contractvoorwaarden zoals deze voorliggen. (…) Ik bepaal na 6 maanden of ik doorga, want mijn gevoel is niet goed. (…) [geïntimeerde] , is naar zijn zeggen, het ook niet eens met de voorwaarden. Er moet nog wel wat gebeuren, voordat ik mee doe en ik begreep, dat [geïntimeerde] er ook over moet nadenken.
Ik accepteer alleen maar voor mijzelf voorwaarden, waar ik achter kan staan.
2.19.
[appelant1] mailt op 11 oktober 2015 aan Teun Middelkoop, voorzitter van de raad van commissarissen van [naam1] , het volgende:

A.A.P. heeft de financiering afgelopen vrijdag goedgekeurd. De voorwaarden zijn voor [geïntimeerde] onacceptabel en voor mij niet interessant om nog iets voor de onderneming te doen. [geïntimeerde] wil mij erbij houden (…).”
2.20.
Begin november 2015 zijn de onderhandelingen met AAP en [geïntimeerde] over een mogelijke participatie in [naam1] onder spanning komen te staan.
2.21.
Naar aanleiding van gesprekken die [appelant1] in die periode met [naam5] hands on investors (hierna: [naam5] ) voerde, heeft [naam5] op 6 november 2015 [appelant1] het voorstel gedaan om € 5 miljoen in de onderneming te investeren waarbij zij 65% van de gewone aandelen in [naam1] zou verkrijgen evenals een aantal preferente aandelen. In haar voorstel is verder, voor zover van belang, vermeld:
“(…)
Uitgangspunten:
U heeft aangegeven dat er sprake is van crediteuren overdruk en dat er een bedrag van 10 mio benodigd zal zijn om de onderneming weer op het juiste spoor te krijgen. Wij gaan ervan uit dat dit ingevuld gaat worden met Euro 5 mio vermogen en 5 mio bancair (al dan niet doorrollen van bestaande bankschuld).(…)
Wij stellen het volgende voor:(…)”
2.22.
[appelant1] heeft dit voorstel van [naam5] van de hand gewezen en het traject met [naam5] niet vervolgd. Op 13 november 2015 mailt hij [naam5] , voor zover relevant:

Vandaag hebben we besloten om met een andere partij in zee te gaan. De contracten zullen de volgende week worden getekend. Ik bedank jullie, dat jullie toch een concurrerend bod hebben uitgebracht. Ik heb toch gemeend, dat de andere partij meer paste bij mijn wensen. ”
2.23.
Bisbeez heeft op 16 november 2015 haar aandelen in [naam1] overgedragen aan [naam11] . Daarna hield [naam11] 100% van de aandelen in [naam1] , terwijl aan Bisbeez certificaten van die aandelen waren uitgegeven.
2.24.
Op 17 november 2015 is tussen [naam11] , [appelant1] , Recycling Solutions, EM Capital en [naam1] alsnog een
investment agreementgesloten. Op basis van artikel 4.2 van deze overeenkomst hebben op die dag tevens de volgende (rechts)handelingen plaatsgevonden, voor zover hier van belang:
  • het wijzigen van de statuten van [naam1] ,
  • een aandelenuitgifte door [naam1] ,
  • het sluiten van een shareholders agreement,
  • het sluiten van een management agreement met (een vennootschap van) [appelant1]
en
- het benoemen van [geïntimeerde] als bestuurder van [naam1] .
Nadien werden de gewone aandelen in [naam1] als volgt gehouden: [naam11] 15% (waarbij Bisbeez de certificaten van de aandelen hield), Recycling Solutions 75% en EM Capital 10%. Recycling Solutions hield nadien 100% van de preferente aandelen.
2.25.
De partijen in dit geding zijn gedurende de totstandkomingsfase van de investment agreement ieder bijgestaan door meerdere professionele adviseurs.
2.26.
[appelant1] en [naam11] hebben Recycling Solutions, EM Capital en [naam1] in rechte betrokken. Vorderingen strekkende tot, kort gezegd, (partiële) vernietiging van de investment agreement, althans tot vergoeding van schade dan wel subsidiair tot verklaring voor recht dat de in die procedure betrokken gedaagden onrechtmatig jegens [appelant1] (althans Bisbeez) hebben gehandeld, zijn door de rechtbank Amsterdam afgewezen. In het arrest van 5 april 2022 heeft het gerechtshof Amsterdam [1] het vonnis bekrachtigd en voor zover hier van belang daartoe het volgende overwogen:
“Misbruik van omstandigheden
5.4.
[naam11] c.s. vorderen in hoger beroep (primair) de vernietiging van de investment agreement. Zij doen daarvoor een beroep op misbruik van omstandigheden. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (art. 3:44 lid 4 BW Pro).
5.5.
De voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden vereiste 'bijzondere omstandigheden' zijn er volgens [naam11] c.s. (i) wegens de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang bij [geïntimeerde] en (ii) doordat AAP en de bank [appelant1] in een dwangpositie hebben gebracht.
5.6.
Het hof zal eerst het (gestelde) tegenstrijdig belang bespreken. [naam11] c.s. onderbouwen dit als volgt. De opdrachtovereenkomst strekte ertoe de belangen van [appelant1] in privé te behartigen. [geïntimeerde] is zich tot aan de totstandkoming van de investment agreement ook als belangenbehartiger van [appelant1] in privé blijven gedragen. In werkelijkheid bleek hij andere belangen te dienen, namelijk die van de [appelant1] -onderneming. [geïntimeerde] en [naam6] hebben nagelaten [appelant1] te wijzen op de tegenstrijdige belangen die [geïntimeerde] behartigde.
5.7.
[naam1] c.s. stellen dat van een tegenstrijdig belang geen sprake was omdat de aan [naam6] verstrekte opdracht, die is uitgevoerd door [geïntimeerde] , niet ertoe strekte de belangen van [appelant1] in privé te behartigen.
5.8.
Partijen strijden er aldus over voor wie [geïntimeerde] als adviseur optrad, voor [appelant1] in privé, zoals [naam11] c.s. stellen, of voor de [appelant1] -onderneming, zoals [naam1] c.s. stellen.
5.9.
Het antwoord op die vraag is afhankelijk van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn (vgl. HR 29 oktober 2021, ECLl:NL:HR:2021:1615, onder 3.2).
5.10.
Deze zaak kenmerkt zich door de volgende feiten en omstandigheden:
In een e-mail van 16 mei 2015 heeft [appelant1] [geïntimeerde] , die op dat moment werkzaam was bij [naam6] , ingelicht over zijn groeiplannen voor, en mogelijk door te voeren interne optimalisaties bij [naam10] (zie onder 3.7);
In juli 2015 stuurde [naam6] een opdrachtbevestiging. Weliswaar staat daarin vermeld: "Graag bevestig ik hiermee de opdracht voor onze associé (….) [geïntimeerde] als adviseur van de DGA (...)", maar op het woord 'DGA' volgt "van [naam10] B..";
Tevens was de opdrachtbevestiging gericht aan [naam10] en
niet aan [appelant1] persoonlijk (zie onder 3.9);
[geïntimeerde] had op grond van de opdrachtovereenkomst tot taak een 'turn around' bij [naam1] te bewerkstelligen, het bedrijf weer winstgevend te maken en de continuïteit van de onderneming veilig te stellen, onder meer door een externe financier te vinden. [appelant1] heeft dit in elk geval zo aan de medewerkers gecommuniceerd (zie onder 3.13);
Tot slot heeft [naam6] alleen aan [naam10] gefactureerd. [appelant1] noch een van zijn persoonlijke vennootschappen heeft ooit een factuur van [naam6] betaald, zo heeft [appelant1] ter zitting in hoger beroep bevestigd.
5.11.
Uit deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt het volgende. [naam6] ( [geïntimeerde] ) had zich contractueel gebonden jegens [naam10] , ten behoeve van de [appelant1] -onderneming. [naam11] c.s. hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel nopen.
Dat betekent dat het hof als vaststaand beschouwt dat [geïntimeerde] (primair) het belang van de [appelant1] -onderneming diende, en niet het belang van [appelant1] in privé.
[appelant1] wist dat, althans behoorde dat te weten. Anders dan [naam11] c.s. stellen, behoefde [geïntimeerde] dat niet nog eens expliciet bij [appelant1] onder de aandacht te brengen. Daarbij werd al in een vroeg stadium gesproken over een participatie van [geïntimeerde] in [naam1] , waardoor (ook in dat opzicht) voor [appelant1] duidelijk moet zijn geweest dat [geïntimeerde] andere belangen diende. Weliswaar stellen [naam11] c.s. thans dat [geïntimeerde] zich bij alle moeilijke door [appelant1] te nemen beslissingen presenteerde als adviseur van [appelant1] en hem steeds geruststelde, dat [appelant1] (bijvoorbeeld) bij de vormgeving van de borgstelling ten behoeve van de bank door [geïntimeerde] werd geadviseerd en dat dit ook het geval was bij een discussie met AAP over een grondvervuiling, dat [geïntimeerde] er blijk van gaf met dezelfde intentie als [appelant1] , en vanuit dezelfde motieven, iets moois van het bedrijf van [naam1] te willen maken, dat [appelant1] zich (zelfs) ten behoeve van [geïntimeerde] borg heeft gesteld, alsmede dat [geïntimeerde] nooit tegen [appelant1] heeft gezegd dat hij
bepaalde dingen beter niet met hem kon bespreken, beter geen e-mailcorrespondentie met hem kon delen, of dat hij de informatie van [appelant1] kon doorspelen aan AAP, maar zelfs als deze stellingen juist zouden zijn, veranderen zij het oordeel van het hof niet. Mede gelet op de overige genoemde omstandigheden volgt uit die stellingen namelijk niet dat [geïntimeerde] als adviseur van [appelant1] in privé was aangesteld en onvoldoende dat [appelant1] daarop mocht vertrouwen. Dat sprake was van een tegenstrijdig belang in de door [naam11] c.s. bedoelde zin kan derhalve niet worden aangenomen.
5.12.
[naam11] c.s. stellen daarnaast dat de bank, AAP en [geïntimeerde] [appelant1] in een dwangpositie hebben gebracht en dat hij geen andere keuze had dan in de transactie met de Investeerders te bewilligen. Dit was volgens [naam11] c.s. ingegeven (i) door de economische druk van de omstandigheid dat [appelant1] ten behoeve van de bank een borgstelling van € 500.000 had moeten verstrekken (en die borgstelling pas zou vervallen bij een geslaagde investering door AAP en [geïntimeerde] ), (ii) door de dreiging van een faillissementsscenario en vooral (iii) doordat [appelant1] een rotsvast vertrouwen had in [geïntimeerde] , van wie hij dacht dat het zijn adviseur was. Ook dit betoog volgt het hof niet.
5.13.
De rechtbank overwoog in dit verband, samengevat, als volgt.
De Bollegraafonderneming was in november 2015 verlieslatend en er moest iets gebeuren.
[appelant1] was niet verplicht om aan de bedrijfsoverneming door AAP en [geïntimeerde] mee te werken. [appelant1] had ervoor kunnen kiezen om eigen geld in de onderneming te steken, waarvoor hij ook de middelen had, zo is ter comparitie in eerste aanleg gebleken. [appelant1] heeft er evenwel voor gekozen om dat niet te doen. [appelant1] had ook aan de bank en AAP kunnen voorhouden dat hij alleen verder wilde praten met de bank als kredietverlener. Hij had ook de (voorzieningen)rechter kunnen aanzoeken als hij van mening was dat de bank zou wanpresteren of onrechtmatig zou handelen als de kredietverlening zou worden stopgezet en het faillissement van [naam1] zou worden aangevraagd. [appelant1] had tevens herfinanciering bij derden kunnen trachten te verkrijgen en hij heeft ook daadwerkelijk met derden onderhandeld (4.14). Hoewel hij dat niet verplicht was, is hij toch met de inhoud van de rechtshandelingen van 17 november 2015 akkoord gegaan. Hij werd daarbij bijgestaan door professionele adviseurs. Van misbruik van omstandigheden, bedreiging of anderszins onrechtmatig handelen was geen sprake. Het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro wordt om dezelfde reden verworpen (4.15).
5.14.
De rechtbank heeft aldus helder uiteengezet dat van een (economische) dwangpositie als door [naam11] c.s. bedoeld bij de totstandkoming van de investment agreement geen sprake was omdat [appelant1] ten tijde van de contractsluiting andere keuzes kon maken. In dat oordeel ligt besloten dat [appelant1] ten opzichte van de bank, AAP en/of [geïntimeerde] geen zwakkere positie innam en zich dus ook niet door hen behoefde te laten ringeloren, zelfs niet als hij een rotsvast vertrouwen in [geïntimeerde] had.
Het hof sluit zich bij dat oordeel aan en neemt het over. Hierbij heeft het hof tevens in overweging genomen dat [appelant1] destijds in privé door twee (eigen) adviseurs werd
bijgestaan: mr. [naam3] van [naam7] Advocaten & Notarissen (hierna: mr. [naam3] ) voor de juridische aspecten en [naam4] van [naam4] B.V. die optrad als zijn financieel adviseur. Ook los daarvan mag worden aangenomen dat [appelant1] , die én vermogend is én toen al ruim 25 jaar enig bestuurder en enig aandeelhouder van de [appelant1] -onderneming was, bij machte was zijn zakelijke belangen te overzien en die naar behoren te behartigen. Dat van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW Pro geen sprake was, blijkt voorts uit het feit dat [appelant1] nog kort voordat de investment agreement werd getekend vrijelijk andere opties is gaan verkennen en met [naam5] over een participatie in gesprek is gegaan. [appelant1] had toen de borgstelling voor de bank al getekend en de (door [naam11] c.s. gememoreerde) exclusiviteit in de LOI weerhield hem daar kennelijk ook niet van. Verder ging [appelant1] er toen kennelijk vanuit dat aan de voorwaarde van de bank dat [geïntimeerde] en AAP serieuze interesse moesten tonen al was voldaan, zoals de bank hem op
27 augustus 2015 had geschreven (zie onder 3.10), en dat ook dit hem dus niet beperkte. Het voorgaande bevestigt de juistheid van de stelling van [naam1] c.s. dat [appelant1] ook ervoor had kunnen kiezen niet met de Investeerders in zee te gaan als de voorwaarden van de transactie hem niet aanstonden.
5.15.
Het oordeel van het hof wordt niet anders indien juist zou zijn dat het eerste contact tussen [geïntimeerde] en AAP door [geïntimeerde] is geïnitieerd en al uit begin 2015 stamt, dat [appelant1] daar niets van wist, dat [geïntimeerde] daarna [appelant1] heeft benaderd en dat [geïntimeerde] informatie aan AAP doorspeelde, zoals [naam11] c.s. in deze procedure stellen. Hetzelfde geldt voor de stelling van [naam11] c.s. dat de transactie tot een (extreem) nadeel aan de kant van [appelant1] heeft geleid en een daarmee corresponderend voordeel aan de kant van de Investeerders. Ook indien die stellingen juist zijn, laat dat hetgeen hiervoor onder 5.14 is overwogen namelijk onverlet.
5.16.
Uit het voorgaande volgt dat de stelling dat de Investeerders misbruik van omstandigheden hebben gemaakt niet tot toewijzing van de vordering kan leiden. Aan
bewijslevering wordt niet toegekomen.
Onrechtmatige daad
5.17.
[naam11] c.s. vorderen subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Daarbij stellen zij allereerst dat profiteren van de wanprestatie van [geïntimeerde] en [naam6] een onrechtmatige daad oplevert van de Investeerders jegens [appelant1] . Daarbij gaan zij ervan uit dat [appelant1] in privé opdrachtgever was in de opdrachtrelatie met [naam6] en dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de opdracht de belangen van [appelant1] in privé te behartigen, althans in dit opzicht een zorgplicht jegens [appelant1] in privé heeft geschonden. Zoals echter hiervoor is vastgesteld, had [naam6] ( [geïntimeerde] ) zich contractueel gebonden jegens [naam10] en niet jegens [appelant1] in privé en bestonden er geen (zorg)plichten als door [naam11] c.s. bedoeld. Bij gebreke daarvan kan van wanprestatie in de door [naam11] c.s. bedoelde zin geen sprake zijn (en kunnen
[naam1] c.s. evenmin daarvan hebben geprofiteerd). Voor het oordeel dat
anderszins sprake was van een (relevante) toerekenbare tekortkoming van [naam6] ( [geïntimeerde] ) is onvoldoende gesteld. (…)
2.27.
[naam11] c.s. ( [naam11] en [appelant1] ) hebben tegen dit arrest van 5 april 2022 beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 9 juni 2023 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep op de voet van artikel 81 lid 1 RO Pro verworpen. [2]
2.28.
Eind 2024 heeft het Zweedse Summa Equity alle aandelen in [naam1] gekocht, als gevolg waarvan [appelant1] indirect een bedrag van ruim 13 miljoen euro heeft ontvangen.
2.29.
[appellanten] c.s. hebben bij de rechtbank, voor zover in dit hoger beroep nog relevant, gevorderd te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] niet heeft gehandeld als een integer en redelijk bekwaam adviseur, hij jegens [appellanten] c.s. toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die [appelant1] daardoor heeft geleden, deze schade (primair) op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van 2,2 miljoen euro en voorts (zowel primair als subsidiair) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van circa 2,5 miljoen euro (ter zake van procesvrijwaring, proces- en buitengerechtelijke kosten, kosten voor juridische en deskundige bijstand en gederfde managementvergoedingen).
2.30.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.
De rechtbank heeft op dezelfde dag ook alle vorderingen van [appellanten] c.s. in de zaak tegen de toenmalige notaris van de transactie afgewezen, alsmede alle vorderingen in de zaak tegen de toenmalige advocaat van [appelant1] bij de transactie, mr. [naam3] . Van dat laatste vonnis zijn [appellanten] c.s. eveneens in hoger beroep gekomen bij dit hof, welke zaak aanhangig is onder nummer 200.354.073 ( [appellanten] c.s. tegen mr. [naam3] ).
2.31.
Het hoger beroep van [appellanten] c.s. in deze zaak tegen [geïntimeerde] faalt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Hierna licht het hof dit oordeel toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
[appellanten] c.s. verwijten [geïntimeerde] in de kern dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten als persoonlijk adviseur van [appelant1] in aanloop naar en bij de totstandkoming van de investment agreement, waardoor [appellanten] c.s. de kans op betere transactievoorwaarden zou zijn ontnomen.
3.2.
Ter onderbouwing van hun stelling dat [geïntimeerde] in aanloop naar en tijdens de investment agreement had te gelden als persoonlijk adviseur van [appelant1] , beroepen [appellanten] c.s. zich onder meer op de volgende in dit arrest door tussenkopjes ingeluide feiten en omstandigheden. De aangevoerde feiten en omstandigheden zijn echter, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende om die stelling te kunnen dragen.
De opdrachtbevestiging (productie 3)
3.3.
Het hof constateert vooropgesteld dat de overeenkomst van opdracht geldt tussen [naam6] en [naam10] B.V. en dus niet tussen [geïntimeerde] en [appellanten] (c.s.). Tegen deze achtergrond begrijpt het hof het beroep van [appellanten] c.s. op de tekst van de opdrachtbevestiging als zou daaruit een aanwijzing moeten volgen dat [geïntimeerde] bij [appelant1] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij als persoonlijk adviseur van [appelant1] zou optreden.
3.4.
Nog daargelaten dat het hof zonder nadere toelichting niet volgt hoe de (tekst in de) opdrachtbevestiging kan worden toegerekend aan [geïntimeerde] in plaats van aan [naam6] , van wie de opdrachtbevestiging immers uitging, overweegt het hof dat in die tekst – “
Graag bevestig ik hiermee de opdracht voor onze associé (…) [geïntimeerde] als adviseur van de DGA van [naam10] B.V.” – weliswaar de term ‘adviseur’ is gebruikt, die term niet wordt gevolgd door een aanduiding van
de persoon[appelant1] , maar is gebezigd in relatie tot de DGA van de onderneming. Het hof leest daarin geen adviseursrol voor [appelant1] persoonlijk. Ook daarom kan de tekst van de opdrachtbevestiging [appellanten] c.s. niet baten.
3.5.
Evenmin duidt de context waarin deze formulering in de opdrachtbevestiging is opgenomen erop dat [geïntimeerde] bij [appelant1] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij als persoonlijk adviseur van [appelant1] zou optreden. In hoger beroep hebben [appellanten] c.s. geen althans onvoldoende (nieuwe) feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen in rov. 3.6.1 van het vonnis van 11 december 2024 geen stand zou houden. Het hof sluit zich dan ook aan bij die overweging van de rechtbank en voegt daaraan het volgende toe.
3.6.
Reeds in de indicatieve bieding door AAP op 5 juni 2015, dat is een kleine maand voor deze opdrachtbevestiging, is opgenomen dat “
[geïntimeerde] direct [zou] kunnen starten als CEO ter versterking van de organisatie”.Aldus was in ieder geval op 5 juni 2015 duidelijk dat [geïntimeerde] CEO zou worden, terwijl [appellanten] c.s. reeds in randnummer 3.8 van de inleidende dagvaarding hebben erkend dat al op 2 mei 2015 duidelijk was dat [geïntimeerde] ging investeren.
3.7.
[appelant1] moet aldus hebben begrepen dat [geïntimeerde] , anders dan inherent is aan een persoonlijk adviseur, niet (alleen) handelde in het belang van [appelant1] , maar een eigen belang had bij de uitkomst van de onderhandelingen met AAP en daarbij zelfs werd bijgestaan door een eigen advocaat.
3.8.
Het hof gaat er niet in mee dat [appellanten] c.s. in zodanige omstandigheden verkeerde dat hij geen inzicht had in, dan wel niet in staat zou zijn geweest te protesteren tegen, een alsdan evident onaanvaardbare belangenverstrengeling. De vaststaande feiten en omstandigheden zoals hierboven weergegeven, geven geen enkele aanleiding te betwijfelen dat [appelant1] voldoende in staat was daartegen op te treden. Bijvoorbeeld de e-mails weergegeven in rov. 2.18, 2.19 en 2.22 wijzen juist op een bewuste, doordachte en eigen koers van [appelant1] , te onderscheiden bovendien van de kennelijk ook door [appelant1] zelf onderkende eigen belangen(afwegingen) van [geïntimeerde] .
3.9.
Het hof constateert in dit verband dat evenmin is gebleken dat ook maar één van [appelant1] zeven adviseurs aanleiding heeft gezien enig probleem te signaleren op dit punt. Dit maakt het te meer onwaarschijnlijk dat [geïntimeerde] redelijkerwijs zou hebben moeten begrijpen (en dientengevolge ingrijpen, om)dat [appelant1] erop vertrouwde, laat staan dat dat vertrouwen gerechtvaardigd was, dat [geïntimeerde] de rol van persoonlijk adviseur van [appelant1] op zich had genomen in weerwil van de belangen van de onderneming die [geïntimeerde] als CEO had te dienen en indachtig zijn eígen belang als mede-investeerder. Voor zover [appellanten] c.s. [geïntimeerde] in dit verband enig onrechtmatig handelen aanrekent, gaat ook dat verwijt niet op.
De volmacht (productie 2)
3.10.
[appellanten] c.s. wijzen voorts op de formulering in de volmacht (zie rov. 2.14) en dan in het bijzonder de zinsnede “
om de belangen van de aandeelhouder in de ruimste zin des woords te behartigen” .
3.11.
[appellanten] c.s. miskennen daarmee ook op dit punt de context, die reeds is te vinden in de tekst van de volmacht zelf, waarin immers evengoed is opgenomen dat [geïntimeerde] de volledige volmacht heeft “
om op te treden àls-algémeen directeur van [naam1] 'SV om zo de continuïteit van [naam1] BV te waarborgen”.
3.12.
Deze formulering strookt juist met de rol van [geïntimeerde] als CEO. Het hof ziet dan ook niet hoe uit de toevoeging ‘om de belangen van de aandeelhouder in de ruimste zin des woords te behartigen’ redelijkerwijs moet worden afgeleid dat [geïntimeerde] rol (beperkt) was (tot) adviseur van [appelant1] persoonlijk, laat staan dat [appelant1] er gerechtvaardigd op zou hebben mogen vertrouwen dat [geïntimeerde] die rol tegelijkertijd zou hebben te vervullen met zijn rol als algemeen directeur van [naam1] die primair tot taak heeft de continuïteit van die onderneming te waarborgen, en bovendien indachtig zijn eigen belang als mede-investeerder zoals hiervoor beschreven. Het hof verwijst ook in dit verband naar hetgeen hierboven is overwogen in rov. 3.8.
3.13.
Het hof merkt nog op dat na de verlening van deze volmacht de ondertekening van de opdrachtbevestiging nog moest plaatsvinden; dat was eind september 2015 nog altijd niet gebeurd. [appelant1] vroeg daarop per e-mail aan [geïntimeerde] of [appelant1] nog wel de opdrachtbevestiging mocht ondertekenen, of dat [geïntimeerde] dat moest doen: “
Ik krijg nog deze mail. Nu gaat het over jou. Vind je dat ik dat toch wel mag tekenen op dit moment?
[geïntimeerde] heeft er bij memorie van antwoord terecht op gewezen dat mocht [appelant1] werkelijk hebben gedacht dat de opdracht met hem in privé was aangegaan, het bepaald niet voor de hand ligt dat hij aan [geïntimeerde] zou vragen of hij de opdrachtbevestiging voor zichzelf zou mogen tekenen. De vraag past echter juist wel in de lijn van het feit dat [geïntimeerde] zojuist een volmacht had gekregen om de onderneming te vertegenwoordigen. Ook uit deze omstandigheid maakt het hof op dat het ook voor [appelant1] duidelijk was dat de opdrachtbevestiging door de [appelant1] -onderneming was aangegaan, en niet door hem persoonlijk.
Kostenoverzicht “ [geïntimeerde] adviseur [appelant1] ” (productie 34)
3.14.
[appellanten] c.s. wijzen verder op het overzicht, dat [geïntimeerde] op 4 november 2015 stuurt aan de advocaten van AAP, van de kosten die aan [naam6] zijn betaald voor advisering. Deze kosten zijn onderdeel van de afwikkeling van de transactie. In het overzicht worden kosten opgevoerd die [geïntimeerde] als adviseur van [appelant1] heeft gemaakt. In het overzicht zijn kosten vermeld onder “ [naam6] – [geïntimeerde] Adviseur [appelant1] ” voor de periode februari tot en met juni en onder “ [naam6] – [geïntimeerde] CEO(…)” in de maanden juli tot en met augustus 2015. In de begeleidende e-mail bij het kostenoverzicht schrijft [geïntimeerde] : “
Ten aanzien van specifiek [naam6] : Ik heb bijgevoegd de opgevraagde kopie van de opdrachtbevestiging van adviseur van [appelant1] , die niet is getekend of betaald. Daarnaast is er niets vastgelegd, wel wordt er door [naam6] elke maand 12 dagen in rekening gebracht sinds ik meer intensief betrokken ben als CEO.”
3.15.
Wat er zij van het antwoord op de vraag of hieruit volgt dat [geïntimeerde] aanvankelijk als persoonlijk adviseur van [appelant1] zou hebben opgetreden, blijkt uit het overzicht dat hij dat
in ieder gevalniet deed in de relevante periode in aanloop naar de investeringstransactie. Het kostenoverzicht biedt dan ook onvoldoende steun voor het standpunt van [appellanten] c.s. dat [geïntimeerde] gerechtvaardigd mocht worden beschouwd als de persoonlijk adviseur van [appelant1] bij de totstandkoming van de investment agreement.
Wijze van facturering
3.16.
[appellanten] c.s. grieven nog tegen rov. 3.4.6. van de rechtbank waarin
ten overvloedeis uiteengezet dat ook de wijze waarop de werkzaamheden van [geïntimeerde] zijn gefactureerd een contra-indicatie opleveren voor het standpunt van [appellanten] c.s. ter zake van een adviseursrol van [geïntimeerde] .
Het hof sluit zich aan bij genoemde overweging van de rechtbank en voegt eraan toe dat de blote stelling van [appelant1] in dit hoger beroep dat [geïntimeerde] het loon alsnog voor rekening van [appelant1] zou hebben laten brengen, niet strookt met de vaststelling in rov. 5.10 van voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam dat [appelant1] ter zitting bij dat hof heeft erkend noch zelf, noch via zijn holding ooit een factuur terzake te hebben betaald. Ter zitting bij dit hof heeft [appelant1] niets aangevoerd ter onderbouwing van het tegendeel.
Verklaringen [naam8] en [naam9] (producties 71 en 72)
3.17.
[appellanten] c.s. hebben in hoger beroep ter onderbouwing van de gestelde adviseursrol van [geïntimeerde] verder nog overgelegd een verklaring van [naam8] , voormalig interim-controller gedurende drie maanden bij de [appelant1] onderneming, en een verklaring van [naam9] , voormalig technisch directeur en later commercieel directeur bij [appelant1] Recycling Machinery.
3.18.
Echter, [naam8] en [naam9] voornoemd verklaren niets dat erop duidt dat [geïntimeerde] een persoonlijk adviseur was van [appelant1] . Volgens hen was “
vanaf het begin” “
voor iedereen duidelijk” dat [geïntimeerde] de “
acting CEO”, “
de baas”, “
de generaal”, en de “
financieel directeur van het bedrijf”was. “
[geïntimeerde] nam de leiding, en meldde dat hij acting CEO werd.” “
Het was voor iedereen vanaf dat moment duidelijk dat [geïntimeerde] de baas was.”

[geïntimeerde] was vanaf het begin de generaal en dat was duidelijk voor iedereen.” “
In het eerste gesprek dat ik met [geïntimeerde] en [appelant1] voerde, presenteerde [geïntimeerde] zich echter als financieel directeur van het bedrijf.” “
[geïntimeerde] zei tijdens de vergadering: “HB moet een stapje terug doen en daarom ben ik hier.””
3.19.
Deze verklaringen rijmen bij uitstek met de taak die [geïntimeerde] consistent heeft verklaard op zich te hebben genomen, namelijk die van interim-CEO. Het hof ziet dan ook niet in hoe deze verklaringen dienen ter onderbouwing van de stelling dat [geïntimeerde] optrad als persoonlijk adviseur van [appelant1] .
Interne e-mail (productie 73)
3.20.
Hetzelfde geldt voor de (nogmaals) als productie 73 overgelegde interne e-mail van [appelant1] aan een medewerker: “
Hier staat het mobiele nummer van [geïntimeerde] . Hij belt niet vanuit [naam6] , maar privé.” Deze mail van [appelant1] bevestigt niet meer dan zijn ook ter zitting bij het hof geuite subjectieve beleving van de rol van [geïntimeerde] (als adviseur), maar ontbeert objectieve aanknopingspunten voor enige relevante zeggingskracht.
Memorandum van [naam6] Corporate Finance B.V. (productie 74)
3.21.
Het als productie 74 overgelegde memorandum van [naam6]
Corporate Finance B.V.kan [appellanten] c.s. evenmin baten, aangezien dat een onafhankelijk finance adviesbureau is dat losstaat van [naam6]
Management Solutions B.V. [
onderstrepingen, hof] dat na het faillissement van de adviestak BoerCroon Consulting B.V. op 3 oktober 2014 niet meer actief is geweest in adviesdiensten, maar slechts voorzag in (interim) managers.
[geïntimeerde] wijst er terecht op dat uit productie 27 bij zijn conclusie van antwoord volgt dat [appelant1] het persbericht daarover op 3 oktober 2014 heeft gelezen, waardoor het onwaarschijnlijk is dat als [appelant1] vier maanden later in februari 2015 een persoonlijk adviseur zou hebben gezocht – waarvan overigens uit het dossier noch ter zitting ook maar iets is gebleken – hij daarvoor [naam6] zou hebben benaderd.
In dit verband hecht het hof eraan op te merken dat [appellanten] c.s. op hun schreden hebben moeten terugkeren nadat hun jarenlang volgehouden stelling – zelfs kracht bijgezet met een bewijsaanbod terzake – dat [geïntimeerde] het initiatief zou hebben genomen jegens [appelant1] , reeds in eerste aanleg gelogenstraft is gebleken.
[geïntimeerde] als onderdeel van ‘de viereenheid’ (producties 76-81)
3.22.
Dan hebben [appellanten] c.s. in hoger beroep nog een aantal e-mails in het geding gebracht op grond waarvan [geïntimeerde] wordt gerekend tot de zogenaamde viereenheid (verder bestaande uit [appelant1] , [naam4] en [naam3] ). Wat daarvan zij, ziet het hof in geen van die e-mails ook maar enig aanknopingspunt op grond waarvan [appelant1] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [geïntimeerde] zijn persoonlijk adviseur was.
Tot slot
3.23.
Voor zover [appellanten] c.s. in hun uitvoerige processtukken in zowel eerste aanleg als in hoger beroep nog hebben gewezen op overige feiten en omstandigheden ter adstructie van de gestelde adviseursrol van [geïntimeerde] , volstaat het hof met op te merken dat al het door [appellanten] c.s. aangevoerde – bij gebrek aan onderbouwing, relevantie en/of zeggingskracht en in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] – noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien noopt tot een andere conclusie.
Conclusie
3.24.
Het hof concludeert dat [appellanten] c.s. ook in hoger beroep onvoldoende feiten en omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan [appelant1] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] zijn persoonlijk adviseur was, laat staan dat hij tekort zou zijn geschoten in die taak. Evenmin is gebleken dat [geïntimeerde] op enige wijze onrechtmatig jegens [appellanten] c.s. heeft gehandeld. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
Reeds daarom moeten de vorderingen van [appellanten] c.s. stranden. Een bespreking van de overige stellingen en verweren van partijen is bij deze stand van zaken niet meer nodig.
3.25.
Dit betekent dat het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Omdat [appellanten] c.s. in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] c.s. tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Het (voor het eerst) in de pleitnotitie van [geïntimeerde] opgenomen verzoek tot veroordeling van [appellanten] c.s. in de integrale proceskosten, zal reeds bij gebrek aan nadere onderbouwing, die voor zover aanwezig al had kunnen en moeten worden overgelegd, worden afgewezen. De proceskosten zullen dus conform de liquidatietarieven worden begroot. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [3]
3.26.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 11 december 2024;
4.2.
veroordeelt [appellanten] c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 362,- aan griffierecht
€ 13.218 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief VIII)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Aksu, M.A.M. Essed en T.K. Lekkerkerker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 maart 2026.

Voetnoten

2.ECLI:NL:HR:2023:870. Zie ook de conclusie van Advocaat-Generaal Assink, ECLI:NL:PHR:2023:347.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.