Uitspraak
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
€ 35.843,68, met wettelijke rente over een deel daarvan, terugbetaling van kadasterkosten, een proceskostenveroordeling voor de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep en terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis van de rechtbank aan [geintimeerde] heeft betaald.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
‘Zoals je weet, zijn we buren aan de [adres1] in [woonplaats1] .
[geintimeerde] heeft betwist dat [appellant] eigenaar is geworden van de strook grond.
K 549is geplaatst als de toegangsdeur vanuit de schuur naar de strook grond, respectievelijk K 1041, was dichtgemetseld. Hij wijst ter onderbouwing daarvan op een schriftelijke verklaring van [naam1] dat de schutting in 1992 is geplaatst. Ook heeft [appellant] twee schriftelijke verklaringen van [naam3] overgelegd waaruit volgt dat [naam3] de toegangsdeuren vanuit de schuur naar de strook grond in 1998 heeft dichtgemetseld, kort nadat hij is gaan huren. Verder heeft de heer [naam2] verklaard dat toen hij woonde in de woning op K 1044 de schutting er stond en dat de toegangsdeur vanuit de schuur helemaal afgesloten was. Daarmee was het volgens [appellant] voor [geintimeerde] feitelijk niet meer mogelijk om bij de strook grond te komen (behalve over andermans grond), zodat op dat moment (1998) sprake was van inbezitneming door een niet-rechthebbende, namelijk [naam1] . Voordat de schutting in 2020/2021 is afgebroken was de 20-jarentermijn al verstreken (2018) en op dat moment had [appellant] deze strook grond in bezit. [appellant] stelt dus dat hij in 2018 eigenaar van de strook grond is geworden.
Partijen twisten wel over het dichtmetselen van de toegangsdeuren in de schuur. In het midden kan echter blijven wanneer dat is gebeurd. Het dichtmetselen van de toegangsdeuren vanuit de schuur naar de strook grond is immers geen handeling van (de rechtsvoorganger van) [appellant] geweest, maar een handeling van [naam3] , de huurder van [geintimeerde] . Met het dichtmetselen was weliswaar de strook grond niet meer toegankelijk voor [geintimeerde] , maar het was geen handeling, geen kenbare en openbare manifestatie van inbezitneming en geen machtsuitoefening van (de rechtsvoorganger van) [appellant] . Er is dus ook geen sprake van een machtsuitoefening van (de rechtsvoorganger van) [appellant] waaruit moet worden afgeleid dat hij pretendeerde eigenaar te zijn van de strook grond of op grond waarvan naar verkeersopvatting het bezit van [geintimeerde] van de strook grond is tenietgedaan. Anders gezegd: omdat (de rechtsvoorganger van) [appellant] niet de toegangsdeuren heeft dichtgemetseld heeft hij zich ook niet daarmee naar buiten toe gepresenteerd als bezitter van de strook grond.
[geintimeerde] wijst erop dat de vordering van [appellant] niet redelijk is en dat het eigendomsrecht het meest verstrekkende recht is. Alleen in extreme gevallen zou er sprake kunnen zijn van misbruik van recht maar dat is hier niet zo. [appellant] is moedwillig en te kwader trouw op de grond van [geintimeerde] gaan bouwen en dan is het beroep op artikel 5:54 BW Pro niet van toepassing.