Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2229

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.344.977
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:314 lid 2 BWArt. 3:107 lid 1 BWArt. 3:113 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevrijdende verjaring en afwijzing vordering eigendom strook grond en erfdienstbaarheid

Appellant en geïntimeerde zijn buren met naast elkaar gelegen percelen. Appellant bouwde een tuinhuis deels op een strook grond van geïntimeerde. Geïntimeerde vorderde verwijdering van het tuinhuis, wat door de rechtbank werd toegewezen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij eigenaar was geworden van de strook grond door bevrijdende verjaring en dat hij recht had op overdracht of erfdienstbaarheid, met een schadevergoeding.

Het hof oordeelt dat appellant geen eigenaar is geworden door verjaring. Er was geen inbezitneming door afsluiting van het terrein, omdat het dichtmetselen van toegangsdeuren door een huurder van geïntimeerde geen machtsuitoefening van appellant was. Ook was er geen bewijs dat het houthok, dat als bouwwerk op de strook grond stond, er 20 jaar onafgebroken heeft gestaan. De vordering tot eigendomsoverdracht of vestiging van erfdienstbaarheid wordt afgewezen.

Verder is het beroep op artikel 5:54 BW Pro niet van toepassing omdat het tuinhuis inmiddels is verwijderd en de overbouwsituatie niet meer bestaat. De schadevergoeding en terugbetaling van kadasterkosten worden eveneens afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van appellant af en bekrachtigt het vonnis dat het tuinhuis verwijderd moet worden en dat appellant geen eigenaar is van de strook grond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.344.977
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 554247
arrest van 14 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. X.H.C. Woodhouse
en
[geintimeerde] ( [geintimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. E. Doornbos

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Naar aanleiding van het arrest van 1 oktober 2024 heeft op 29 november 2024 een plaatsopneming en aansluitend een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Voorafgaande aan die mondelinge behandeling hebben [appellant] en [geintimeerde] ieder producties overgelegd, die zijn toegevoegd aan het procesdossier.
1.2
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de memorie van grieven met een eiswijziging en producties
• de memorie van antwoord met producties
• de akte wijziging van eis van [appellant] , met producties
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 28 januari 2026 is gehouden (het proces-verbaal).
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant] en [geintimeerde] zijn ieder eigenaar van twee naast elkaar gelegen percelen. [appellant] heeft een bouwwerk (een tuinhuis) gebouwd dat deels op een strook grond van [geintimeerde] staat. [geintimeerde] wil dat dat wordt verwijderd, maar volgens [appellant] is hij eigenaar van de strook grond. Zelfs als dat niet zo is, dan nog meent [appellant] dat hij recht heeft om het tuinhuis te laten staan.
2.2
Voor zover in hoger beroep van belang heeft [geintimeerde] bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] het tuinhuis afbreekt, voor zover dat is gebouwd op het perceel van [geintimeerde] . [appellant] heeft zelf ook een (voorwaardelijke) vordering bij de rechtbank ingediend (reconventie). Voor zover nog van belang heeft [appellant] gevorderd dat [geintimeerde] tegen betaling van een schadeloosstelling meewerkt aan het vestigen van een erfdienstbaarheid ten gunste van [appellant] , dan wel aan het overdragen van de betreffende grond aan [appellant] .
2.3
De rechtbank heeft de vordering van [geintimeerde] toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. Na eiswijziging vordert [appellant] in hoger beroep dat het hof voor recht verklaart dat hij op grond van verjaring eigenaar is van een strook grond gelegen op kadastraal perceel K 380. Subsidiair vordert [appellant] dat [geintimeerde] de strook grond in eigendom aan hem overdraagt of een erfdienstbaarheid van overbouw vestigt ten gunste van het naastgelegen perceel van [appellant] , op verbeurte van een dwangsom indien hij daarmee in gebreke blijft. Verder vordert [appellant] een schadevergoeding van
€ 35.843,68, met wettelijke rente over een deel daarvan, terugbetaling van kadasterkosten, een proceskostenveroordeling voor de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep en terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis van de rechtbank aan [geintimeerde] heeft betaald.
2.4
Het hof zal de vorderingen van [appellant] afwijzen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Wat is er gebeurd?
3.1
[geintimeerde] heeft sinds 1998 perceel K 380, gelegen aan de [adres1] in [woonplaats1] in eigendom. Het perceel van [geintimeerde] wordt als het ware omsloten door twee percelen, te weten K 1041 en K 549. Het naastgelegen perceel K 549 was van 1986 tot 2018 eigendom van de heer [naam1] (hierna: [naam1] ), waarna hij het heeft verkocht aan [appellant] . Op dit perceel is een recht van overpad gevestigd ten gunste van perceel K 380 zodat de schuur bereikbaar is vanaf de openbare weg ( [adres1] ). Het aan de andere kant naastgelegen perceel was ook eigendom van [naam1] en daaruit is na verschillende splitsingen perceel K 1041 ontstaan. Op het grondgebied staat een pand met daarin twee woningen, nl. (na splitsing) een op perceel K 1044 en een op perceel K 1041. De familie [naam2] heeft van 2010 tot en met 2018 in de woning op K 1044 gewoond. In 2018 heeft [appellant] ook perceel K 1041 gekocht (hierna: het perceel van [appellant] ) en is hij gaan wonen in de woning op dat perceel.
3.2
Toen [geintimeerde] perceel K 380 kocht (binnen de blauwe lijnen) stond er al een schuur (de rode lijnen, begrensd door de blauwe lijnen); die schuur heeft [geintimeerde] in elk geval vanaf 2001 verhuurd aan de heer [naam3] . De schuur bestaat uit twee gedeelten. Voor het tweede gedeelte van die schuur ligt een strook grond met een diepte van ongeveer 83 cm die behoort tot perceel K 380 en die grenst aan perceel K 1041 (hierna: de strook grond). Op het perceel van [appellant] is in de achtertuin in 1990 door [naam1] een houthok geplaatst. In 2019 is een houthok afgebroken. [appellant] heeft in de achtertuin een tuinhuis geplaatst van vier bij acht meter, dat deels op de strook grond van [geintimeerde] stond. Op de grens tussen perceel K 1041 en perceel K 549 heeft een houten schutting gestaan van in elk geval 1992 tot in 2022.
3.3
[appellant] heeft op 20 oktober 2021 een brief gestuurd naar [geintimeerde] :
‘Zoals je weet, zijn we buren aan de [adres1] in [woonplaats1] .
Inmiddels hebben we bij ons al veel zaken mooi opgeknapt en zijn daar nog volop mee bezig.
Al enige tijd maken we ons ernstige zorgen over de staat van onderhoud van jouw eigendommen. Ik stuur je een aantal foto's toe waarop , onder andere, het volgende te zien is:
(…)
3. Deuren waarvan het hout verrot is’.
3.4
Op 27 mei 2022 heeft [geintimeerde] [appellant] onder meer geschreven dat hij had geconstateerd dat ‘het gebouw’ (het tuinhuis) in de tuin van [appellant] een groot gedeelte van de buitenruimte van zijn perceel in beslag neemt. [appellant] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie van [geintimeerde] in die brief om het tuinhuis van het perceel van [geintimeerde] te verwijderen.
3.5
Nadat de uitspraak van de rechtbank aan [appellant] is betekend, heeft [appellant] het tuinhuis verwijderd.
De beoordeling
3.6
[appellant] voert aan dat hij eigenaar is geworden van de strook grond waarop zijn tuinhuis stond. Volgens hem was het daarom onterecht dat hij zijn tuinhuis heeft moeten afbreken en daarvoor kosten heeft moeten maken. [appellant] baseert het verkrijgen van de eigendom van de strook grond op bevrijdende verjaring: de strook grond was meer dan 20 jaar lang in bezit genomen door (de rechtsvoorgangers) van [appellant] , op zo’n manier dat hij eigenaar is geworden, als gevolg van verjaring. Die inbezitneming is gebeurd (a) doordat de strook grond was betrokken bij het terrein van [appellant] en afgesloten voor [geintimeerde] en/of (b) door plaatsing van bouwwerken op de strook grond. [appellant] voert ook aan dat hij, als hij geen eigenaar is geworden, onevenredig veel zwaarder wordt benadeeld door het moeten afbreken van het tuinhuis, dan [geintimeerde] door het moeten handhaven van de situatie. De eigendom moet daarom alsnog worden overgedragen dan wel moet er ten gunste van [appellant] een erfdienstbaarheid van overbouw worden gevestigd.
[geintimeerde] heeft betwist dat [appellant] eigenaar is geworden van de strook grond.
het juridisch kader
3.7
Eigendom kan worden verkregen door bevrijdende verjaring (artikel 3:105 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 3:306 BW Pro). Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rusten de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat aan de vereisten voor bevrijdende verjaring is voldaan op de partij die zich erop beroept dat een goed door verjaring is verkregen, in dit geval dus [appellant] .
3.8
Voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring is nodig dat de rechtsvordering van de eigenaar ( [geintimeerde] ) tot beëindiging van het bezit van de strook grond door de niet-rechthebbende ( [appellant] ) is verjaard. Voor zover hier van belang begint de verjaringstermijn op de dag volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW Pro). Verder moet vaststaan dat [appellant] deze strook grond in bezit had op het moment van het verstrijken van die 20 jaren-termijn. Artikel 3:107 lid 1 BW Pro omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf. De woorden ‘voor zichzelf’ wijzen op exclusiviteit dus met uitsluiting van anderen. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden.
3.9
Bezit wordt onder meer verkregen door inbezitneming. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). Ingevolge art. 3:108 BW Pro wordt het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, bepaald naar verkeersopvatting, met inachtneming van de op die bepaling volgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. Voor de beoordeling of de strook grond in bezit is genomen, kan van belang kan zijn of de strook grond ontoegankelijk is gemaakt voor de eigenaar, maar dit is niet beslissend. [1] Steeds dient de inbezitneming door de niet-rechthebbende zich op een naar buiten toe kenbare (openbare) wijze te hebben gemanifesteerd. [2] De bezitter moet zich zodanig gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, zodat de eigenaar tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Dit moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld. Als het goed in het bezit is van een ander, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:112 BW Pro in combinatie met artikel 3:113 lid 2 BW Pro). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. [3]
(a) geen inbezitneming door afsluiting terrein
3.1
[appellant] heeft gesteld dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf het moment dat er zowel een schutting tussen K 1041 en
K 549is geplaatst als de toegangsdeur vanuit de schuur naar de strook grond, respectievelijk K 1041, was dichtgemetseld. Hij wijst ter onderbouwing daarvan op een schriftelijke verklaring van [naam1] dat de schutting in 1992 is geplaatst. Ook heeft [appellant] twee schriftelijke verklaringen van [naam3] overgelegd waaruit volgt dat [naam3] de toegangsdeuren vanuit de schuur naar de strook grond in 1998 heeft dichtgemetseld, kort nadat hij is gaan huren. Verder heeft de heer [naam2] verklaard dat toen hij woonde in de woning op K 1044 de schutting er stond en dat de toegangsdeur vanuit de schuur helemaal afgesloten was. Daarmee was het volgens [appellant] voor [geintimeerde] feitelijk niet meer mogelijk om bij de strook grond te komen (behalve over andermans grond), zodat op dat moment (1998) sprake was van inbezitneming door een niet-rechthebbende, namelijk [naam1] . Voordat de schutting in 2020/2021 is afgebroken was de 20-jarentermijn al verstreken (2018) en op dat moment had [appellant] deze strook grond in bezit. [appellant] stelt dus dat hij in 2018 eigenaar van de strook grond is geworden.
3.11
Het hof oordeelt dat geen sprake is van inbezitneming door afsluiting van het terrein. Partijen zijn het er over eens dat er een dichte houten schutting heeft gestaan op de grens tussen perceel K 1041 en K 549, zodat [geintimeerde] niet langs die kant de strook grond kon bereiken. [geintimeerde] heeft ook niet betwist dat dat van 1992 tot 2020/2021 zo is geweest.
Partijen twisten wel over het dichtmetselen van de toegangsdeuren in de schuur. In het midden kan echter blijven wanneer dat is gebeurd. Het dichtmetselen van de toegangsdeuren vanuit de schuur naar de strook grond is immers geen handeling van (de rechtsvoorganger van) [appellant] geweest, maar een handeling van [naam3] , de huurder van [geintimeerde] . Met het dichtmetselen was weliswaar de strook grond niet meer toegankelijk voor [geintimeerde] , maar het was geen handeling, geen kenbare en openbare manifestatie van inbezitneming en geen machtsuitoefening van (de rechtsvoorganger van) [appellant] . Er is dus ook geen sprake van een machtsuitoefening van (de rechtsvoorganger van) [appellant] waaruit moet worden afgeleid dat hij pretendeerde eigenaar te zijn van de strook grond of op grond waarvan naar verkeersopvatting het bezit van [geintimeerde] van de strook grond is tenietgedaan. Anders gezegd: omdat (de rechtsvoorganger van) [appellant] niet de toegangsdeuren heeft dichtgemetseld heeft hij zich ook niet daarmee naar buiten toe gepresenteerd als bezitter van de strook grond.
(b) geen inbezitneming door plaatsing bouwwerken
3.12
[appellant] stelt dat de inbezitneming ook heeft plaatsgevonden doordat meer dan 20 jaar een bouwwerk heeft gestaan op de strook grond. Eerst is dat een houthok geweest, geplaatst door rechtsvoorganger [naam1] , waarna [appellant] in 2019 op dezelfde plaats waar het houthok stond een tuinhuis heeft gebouwd. Ter onderbouwing wijst [appellant] op de verklaring van [naam1] die aangeeft dat er vanaf ongeveer 1990 een houthok op het perceel aanwezig was naast de loods/schuur, op de locatie van de achtertuin. [naam2] heeft verklaard dat er een houthok aanwezig was op het perceel naast de loods/schuur toen hij het kocht in 2010. Toen perceel K 1041 werd verkocht aan [appellant] stond het houthok er nog steeds. Verder heeft [appellant] een foto overgelegd waarop het houthok is te zien (productie 2 conclusie van antwoord hierna: de houthokfoto).
3.13
Het hof stelt voorop dat [appellant] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat hij op grond van verjaring eigenaar is van de strook grond, gelegen op kadastraal perceel Leerdam K 380 ten noorden van (het tweede gedeelte van) de schuur van [geintimeerde] en tot aan de muur van deze schuur, zoals weergegeven op de foto in bijlage 4 van het proces-verbaal van het hof van de plaatsopneming op 29 november 2024. Deze vordering kan niet worden toegewezen, omdat die naar het hof begrijpt betrekking heeft op de hele strook grond waarop het tuinhuis heeft gestaan. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 28 januari 2026 de lengte van de strook op veertien meter geschat. Het tuinhuis had echter een omvang van vier bij acht meter, terwijl [appellant] heeft gesteld dat het houthok een omvang van vijf bij vijf meter had. Als al sprake zou zijn van in bezitneming door het plaatsen van een bouwwerk en als al vast komt te staan dat het houthok vijf bij vijf meter was, dan kan de bevrijdende verjaring hooguit betrekking hebben op een strook grond van vijf meter lang. [appellant] heeft immers niet gedurende 20 jaar een strook grond van acht meter lang in bezit gehad, omdat het tuinhuis pas later is geplaatst.
3.14
Het hof neemt echter ook niet aan dat er sprake is van inbezitneming door middel van plaatsing van het houthok. [geintimeerde] heeft erkend dat er op het perceel van [appellant] een houthok heeft gestaan, maar betwist dat dat hok zich op de strook grond bevond. Uit de houthokfoto blijkt niet duidelijk waar het houthok precies heeft gestaan, dus hoe dicht tegen de schuur en hoe dicht tegen de loods aan. Daarmee is niet vast te stellen op welke precieze plek het houthok heeft gestaan. Aan de intekening door [appellant] op een plattegrond bij productie 8 memorie van grieven van waar het houthok heeft gestaan komt in elk geval geen bewijskracht toe. [appellant] heeft daarmee zijn stelling dat zijn rechtsvoorganger (een deel van) de strook grond met de plaatsing van het houthok in bezit heeft genomen onvoldoende geconcretiseerd. Aan bewijslevering op dat punt wordt dan ook niet toegekomen, zodat op die grond de vordering van [appellant] al niet kan worden toegewezen.
3.15
Daarnaast is van belang dat [geintimeerde] heeft betwist dat het houthok er 20 jaar lang heeft gestaan. Volgens hem heeft hij in 1998 bij het aanwijzen van de nieuwe erfgrens samen met [naam1] geconstateerd dat er geen houthok stond. Verder heeft [geintimeerde] bij een verbouwing van het pand op perceel K 1041 in 2010 naar eigen zeggen geconstateerd dat er bouwketen in de tuin stonden maar geen houthok. Daarnaast heeft hij een foto overgelegd uit een asbestrapportage van oktober 2010 en een tekening uit een omgevingsvergunning uit 2011 (producties 16a en 16b bij memorie van antwoord) waaruit volgt dat er toen geen bouwwerk op de strook grond stond. Ook verwijst hij naar een luchtfoto uit 2010 uit het gemeentearchief (productie 17 bij memorie van antwoord) waarop evenmin een houthok zichtbaar is.
3.16
Het hof constateert dat uit producties 16a en 16b niet is af te leiden of het houthok er wel of niet stond. De foto van productie 16a laat daarvoor te weinig zien en de tekening van productie 16b laat enkel zien wat er nog moet komen. Dat er in 2010 een verbouwing heeft plaatsgevonden zoals [geintimeerde] stelt wordt ondersteund door de aktes van levering aan onder andere de familie [naam2] en de rechtsvoorgangers van [appellant] uit februari 2010 waarin staat dat zij het verkochte – na verbouwing – als woonhuis zullen gebruiken. Bovendien heeft [appellant] bevestigd dat de boerderij na splitsing is gestript en opnieuw is opgebouwd. Niet betwist is dat op de overgelegde luchtfoto van [geintimeerde] bouwketen of bouwcontainers te zien zijn, zodat het hof ervan uitgaat dat die luchtfoto uit 2010 komt. Op de foto is geen houthok zichtbaar, terwijl [appellant] heeft bevestigd dat het houthok ter plaatse van de vier vlakken van de containers zou (hebben) moeten staan. De twijfel die [appellant] heeft bij de foto omdat het daarop lijkt dat de schutting met een knikje loopt, terwijl die in werkelijkheid recht was, deelt het hof niet. [appellant] heeft nog gewezen op de houthokfoto waarop het houthok wel te zien is. Die foto is bij conclusie van antwoord van 24 mei 2023 overgelegd en was toen volgens [appellant] ongeveer 11 jaar oud, wat dus uit ongeveer 2012 moet zijn. Die foto ontkracht daarmee niet het standpunt van [geintimeerde] dat er in 2010 geen houthok stond. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [geintimeerde] acht het hof de onderbouwing van de stelling van [appellant] met de overgelegde verklaringen van [naam1] , [naam3] en [naam2] onvoldoende. Zij hebben weliswaar verklaard over de aanwezigheid van een houthok, maar niet dat dat houthok in 2010 nog aanwezig was.
3.17
[appellant] heeft zich erop beroepen dat, zelfs als juist zou zijn dat het houthok er in 2010 niet stond, de verjaring toen al voltooid was omdat het houthok al in 1990 was geplaatst. Hij miskent daarmee dat het perceel waarvan deel uitmakend de strook grond, in 1998 door [naam1] is overgedragen aan [geintimeerde] . De verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit dat [geintimeerde] toen nog van de strook grond zou hebben gehad, kan niet eerder dan dat jaar zijn aangevangen. De verjaringstermijn van twintig jaar was in 2010 dus nog niet verstreken. De vordering strandt ook om die reden. Overigens zou evenmin vaststaan dat de verjaring al in 2010 zou zijn voltooid want niet is duidelijk wanneer precies in 1990 het houthok is geplaatst en wanneer precies in 2010 het houthok er niet stond.
3.18
De conclusie van het voorgaande is dat [appellant] niet door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond waarop hij aanspraak maakt.
(c) geen onevenredig veel zwaardere benadeling
3.19
Volgens [appellant] is de wegneming van het bouwwerk voor hem een onevenredig zware benadeling. Die verwijdering heeft hem € 7.511,68 incl. btw gekost. Daarmee is een volledig - en vrijwel nieuw - tuinhuis verwijderd vanwege een geringe overbouw op een strook grond aan de rand van het perceel van [geintimeerde] die van miniem belang/waarde is voor [geintimeerde] . Daarom komt hem een beroep toe om de strook grond in eigendom te verkrijgen dan wel dat een erfdienstbaarheid van overbouw wordt gevestigd.
[geintimeerde] wijst erop dat de vordering van [appellant] niet redelijk is en dat het eigendomsrecht het meest verstrekkende recht is. Alleen in extreme gevallen zou er sprake kunnen zijn van misbruik van recht maar dat is hier niet zo. [appellant] is moedwillig en te kwader trouw op de grond van [geintimeerde] gaan bouwen en dan is het beroep op artikel 5:54 BW Pro niet van toepassing.
3.2
Artikel 5:54 BW Pro bepaalt dat als een gebouw of werk ten dele op of boven het erf van een ander is gebouwd en de eigenaar van het gebouw zou door wegneming van het uitstekende gedeelte onevenredig veel zwaarder benadeeld worden dan de eigenaar van het erf door handhaving daarvan, de eigenaar van het gebouw dan te allen tijde kan vorderen dat hem tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand wordt verleend of, ter keuze van de eigenaar van het erf, een daartoe benodigd gedeelte van het erf wordt overgedragen. Dit is niet van toepassing als de eigenaar van het gebouw ter zake van de bouw of zijn verkrijging kwade trouw of grove schuld verweten kan worden.
3.21
Het hof stelt voorop dat artikel 5:54 BW Pro betrekking heeft op de al dan niet handhaving van een overbouwsituatie. Omdat het tuinhuis inmiddels is afgebroken bestaat de overbouwsituatie niet meer zodat aan [appellant] niet het vorderingsrecht uit artikel 5:54 lid 1 BW Pro toekomt. Dit artikel biedt ook geen grondslag voor een schadevergoedingsvordering.
3.22
Los daarvan, wordt de vordering [appellant] ook op andere gronden afgewezen. Het hof acht de benadeling van [appellant] door wegneming van het tuinhuis niet onevenredig veel zwaarder dan het belang van [geintimeerde] bij handhaving daarvan. Daarbij weegt mee de aard van de overbouw, te weten een tuinhuis en niet bijvoorbeeld woonruimte. Ook speelt mee dat het een houten gebouw is op poeren, waarvan de demontage minder ingrijpend is dan bijvoorbeeld bij de sloop van een (stenen) gebouw met andere fundering. Vast staat daarbij dat [appellant] het tuinhuis zo dicht mogelijk tegen de schuur van [geintimeerde] heeft geplaatst, vlak voor twee ramen van de schuur van [geintimeerde] . Volgens [geintimeerde] kon daardoor geen regengoot worden opgehangen en het water niet goed weglopen. [appellant] heeft dat niet weersproken. Verder heeft [appellant] in 2021 geklaagd over het achterstallig onderhoud aan de schuur maar door de plaatsing van het tuinhuis belemmerde hij [geintimeerde] bij het kunnen uitvoeren van het onderhoud.
3.23
Het gevolg hiervan is dat de vordering tot overdracht van eigendom van de strook grond aan [appellant] dan wel het door [geintimeerde] ten behoeve van [appellant] moeten vestigen van een erfdienstbaarheid wordt afgewezen.
schadevergoeding en kadasterkosten
3.24
Het hof zal ook de schadevergoedingsvordering van [appellant] afwijzen. Ter zitting bij het hof heeft [appellant] bevestigd dat aan die vordering de onrechtmatige executie van het rechtbankvonnis ten grondslag is gelegd. Omdat het hof hierna echter het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen is er geen sprake van onrechtmatige executie.
3.25
[appellant] heeft ook terugbetaling van de kadasterkosten gevorderd, omdat [geintimeerde] geen rechtsgrond had om kosten voor onderzoek bij het Kadaster te maken. De kadastrale grenzen konden volgens [appellant] niet tot uitgangspunt worden genomen voor de vraag wie eigenaar is, omdat hij eigenaar is door bevrijdende verjaring. [appellant] heeft ook terugbetaling van de kadasterkosten gevorderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de kadastrale gegevens relevant waren voor de beoordeling van de vorderingen van [geintimeerde] en [appellant] daarom de door [geintimeerde] gemaakte kadasterkosten moet vergoeden. [appellant] heeft tegen dat oordeel alleen aangevoerd dat de kadastrale grenzen niet tot uitgangspunt genomen kunnen worden en dat hij eigenaar is van de strook grond. Het hof heeft dat standpunt hiervoor echter verworpen zodat het bezwaar van [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank faalt.
De conclusie
3.26
Het hoger beroep slaagt niet, zodat het hof het vonnis van de rechtbank in stand laat. Het hof gaat daarbij voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 21 februari 2024;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geintimeerde] :
€ 798 aan griffierecht
€ 5.010 aan salaris van de advocaat van [geintimeerde] (3 procespunten x het toepasselijke tarief III);
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.A. Diebels, M. Wallart en A.C.M. Kuypers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784.
2.HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1010, 3.2.1 en 3.2.2, bijv. ook Hof [woonplaats2] 14 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:50.
3.HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309.