ECLI:NL:GHARL:2026:2342

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
200.358.885/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 13 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging bestuursrechtelijke sanctie en afwijzing proceskostenvergoeding bij parkeren op gehandicaptenparkeerplaats

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €440,- opgelegd voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder het daarvoor bestemde voertuig. De kantonrechter mat de sanctie tot €330,- en kende een proceskostenvergoeding van €226,75 toe. In hoger beroep voerde de gemachtigde aan dat het verkeersbord onduidelijk was geplaatst, waardoor de betrokkene mocht vertrouwen op de gelding van het bord voor het wegvak na het bord. Het hof oordeelde dat het bord E6 haaks op de weg stond en betrekking had op het parkeervak ervoor, wat duidelijk was door markeringen op het wegdek. De vervaagde kruisen deden hieraan niet af.

Het hof verwierp het beroep op onduidelijkheid en bevestigde dat de gedraging vaststaat. Ook was de motivering van de kantonrechter voldoende. De betrokkene stelde dat de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 voor de proceskostenvergoeding niet toegepast mocht worden vanwege bijzondere omstandigheden. Het hof stelde dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet aannemelijk was gemaakt en dat individuele inspanningen niet relevant zijn voor deze toets.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de sanctie tot €330,- en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.358.885/01
CJIB-nummer
: 260380732
Uitspraak d.d.
: 20 april 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. Saidi, kantoorhoudende te Rotterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 330,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 226,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 440,- opgelegd ter zake van “Parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”, welke gedraging zou zijn verricht op 11 augustus 2023 om 14:39 uur op de Randweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken 1] .
2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan de redenen waarom de situatie ter plaatse niet duidelijk was voor de betrokkene. Het betreffende E6 verkeersbord staat, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is, achter de parkeerplaats. Hij wijst daartoe op de hoofdregel dat een verkeersbord gelding heeft voor het wegvak dat onmiddellijk daarachter is gelegen en op de relevantie jurisprudentie van het hof hieromtrent. Uit een analyse van de situatie in de nabije omgeving volgt dat in alle gevallen de E6 verkeersborden gelding hebben voor wat erna komt en dat dit ook geldt voor de drie andere aanwezige verkeersborden die op dezelfde plek geplaatst zijn. Volgens de gemachtigde mocht de betrokkene er gelet op de vaste rechtspraak en de gebleken praktijk op vertrouwen dat het E6 bord ter plaatse gelding heeft voor wat erna komt. Indien de gemeente het verkeersbord bij wijze van uitzondering aan het einde van het wegdek heeft geplaatst, had dit verduidelijkt moeten worden met bijvoorbeeld een kruis, zoals is overwogen door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 22 september 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:6653). De kruisen op de betreffende parkeerplaats waren totaal weggevaagd en niet te zien en na een melding van de betrokkene hierover is de parkeerplaats op 7 september 2023 van duidelijk kruisen voorzien.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het kenteken van het voornoemde voertuig niet overeenkwam met het aangegeven kenteken op het onderbord van bord E6. Het kenteken op het onderbord was: [kenteken 2] huisnummer 15A”
4. In een aanvullend proces-verbaal van 11 januari 2024 verklaart de ambtenaar nog als volgt:
“Ik zag (…) dat een motorvoertuig (…) voorzien van het (…) kenteken [kenteken 1] , geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats (bord E6 uit het RVV 1990 met het gereserveerde onderbord met het kenteken [kenteken 2] .”
Bij dit proces-verbaal zijn foto’s van de gedraging toegevoegd.
5. In beginsel hebben verkeersborden gelding op het wegvak ná plaatsing daarvan, tenzij dit anders staat aangegeven (vgl. het arrest van dit hof van 18 april 2023, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:3304).
6. Het hof stelt vast dat de situatie ter plaatse als volgt is. De Randweg is een eenrichtingsweg. Het bord E6 is haaks op de weg geplaatst en staat aan het einde van het parkeervak. De voorkant van het bord is zichtbaar indien men de weg volgt in de richting waarin dit is geboden. Vervolgens ligt vlak voor het bord het parkeervak, aangeduid met duidelijke witte markeringen op het wegdek. Uit de zich in het dossier bevindende foto’s van de gedraging en de door de gemachtigde overgelegde afbeeldingen van Google Street View, volgt dat na dit vak geen vergelijkbare markeringen zijn aangebracht en er achter het bord E6 geen ander parkeervak aanwezig is. Hieruit volgt dat het bord E6 alleen betrekking kan hebben op het parkeervak dat ervoor ligt, zodat hierover bij de betrokkene geen onduidelijkheid kan zijn ontstaan. Het hof is verder van oordeel dat met de markeringen ook voldoende duidelijk kenbaar is gemaakt dat het wegvak vóór het bord E6 geldt als gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats. Dat het kruis op het wegvak ter plaatse vervaagd was ten tijde van de gedraging, doet hieraan niet af. De omstandigheid dat andere (E6) borden in de nabije omgeving wel gelding hadden op het wegvak na de plaatsing daarvan, maakt niet dat de betrokkene op basis daarvan er op mocht vertrouwen dat het betreffende E6 bord geen betrekking had op het parkeervak waar is geparkeerd.
7. Dit brengt mee dat de gedraging kan worden vastgesteld en dat de aangevoerde gronden, waaronder het beroep op verschillende algemene rechtsbeginselen, geen doel treffen.
8. Ten aanzien van de klacht van de gemachtigde dat de beslissing van de kantonrechter ondeugdelijk en onzorgvuldig is gemotiveerd, overweegt het hof dat de motiveringsvereisten van artikel 13, tweede lid, van de Wahv niet inhouden dat altijd uitgebreid en expliciet op alle aangevoerde argumenten, moet worden ingegaan. Wel moet de betrokkene uit de beslissing kunnen opmaken waarom de aangevoerde bezwaren geen doel treffen en naar het oordeel van het hof is daar in dit geval aan voldaan. Van een motiveringsgebrek is in zoverre daarom geen sprake.
9. De kantonrechter heeft de sanctie gematigd met 25 procent vanwege schending van de hoorplicht door de officier van justitie en heeft het toegekende bedrag aan proceskostenvergoeding vermenigvuldigd met de factor 0,25 als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv en - naar het hof begrijpt - het door de Hoge Raad op 24 juni 2025 gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2025:985) hierbij in aanmerking genomen.
10. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgemerkt dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskosten-vergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
11. De gemachtigde stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv waardoor de toepassing van de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 niet gerechtvaardigd is. Daartoe is aangevoerd dat er geen sprake is geweest van gekopieerde en geplakte stukken tekst of gestandaardiseerde teksten maar dat uitvoerig is ingegaan op de feitelijke situatie die specifiek is voor deze zaak, waarbij voorbeelden de nodige inspanningen zijn verricht ter onderbouwing van de gronden. Evenmin doet de gemachtigde aan massa-bezwaren/beroepschriften, die de wetgever voor ogen heeft gehad bij de invoering van de vermenigvuldigingsfactor.
12. Bij de beoordeling of het bedrijfsmodel van de gemachtigde kennelijk niet de in het arrest van de Hoge Raad genoemde drie kenmerken heeft, stelt het hof voorop dat het niet specifiek gaat om de werkzaamheden die zijn verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Voor de beoordeling of het bedrijfsmodel voldoet aan het derde kenmerk van vergaande overdekking moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt er dus op aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.4 en 3.4.5.)
13. Met wat de gemachtigde heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Of door de gemachtigde in een individuele zaak tijd en moeite is gestoken in de procedure, is naar het oordeel van het hof niet de toets die in dit verband geldt. Het gaat er immers niet om of in een individuele zaak niet wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar of het bedrijfsmodel daaraan niet voldoet. Dat dit laatste het geval is, is door de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt, nu hij op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in zijn bedrijfsmodel. Bij deze stand van zaken is niet vast komen te staan dat het geval van de betrokkene met het oog op het vaststellen van de proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. De grond treft daarom geen doel.
14. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor een proceskostenvergoeding in hoger beroep is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.