ECLI:NL:GHARL:2026:259

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
25/1525
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding van kosten voor taxatierapport in WOZ-zaken

In deze uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 januari 2026, wordt de vergoeding van kosten voor het opmaken van een taxatierapport in WOZ-zaken behandeld. De zaak betreft een hoger beroep van een belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland, waarin de heffingsambtenaar de waarde van een onroerende zaak had vastgesteld op € 1.342.000. Na bezwaar werd deze waarde verlaagd tot € 1.238.000, maar de belanghebbende ging in beroep om de proceskosten en de kosten van het taxatierapport vergoed te krijgen. De Rechtbank had de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van € 651,85 aan proceskosten. In hoger beroep stelde de belanghebbende dat de vergoeding voor het taxatierapport € 128,26 moest zijn, terwijl de heffingsambtenaar betwistte dat er enige vergoeding verschuldigd was. Het Hof oordeelde dat de kosten voor het taxatierapport niet onder marktomstandigheden tot stand waren gekomen en dat de hoogte van de factuur niet als basis voor een proceskostenvergoeding kon dienen. Uiteindelijk werd de vergoeding voor het taxatierapport vastgesteld op € 35,70, wat het Hof redelijk achtte. Het hoger beroep van de belanghebbende werd ongegrond verklaard, maar de heffingsambtenaar werd wel veroordeeld in de proceskosten voor de hogerberoepsfase.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1525
uitspraakdatum: 20 januari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van belastingcentrum Tribuut(hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 26 juni 2025, nummer AWB 24/5605, ECLI:NL:RBGEL:2025:4986, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [plaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2023 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2024 vastgesteld op € 1.342.000.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De heffingsambtenaar heeft lopende het beroep de beschikking ambtshalve verlaagd tot een vastgestelde waarde van € 1.238.000. Belanghebbende heeft met die waarde ingestemd, maar het beroep voortgezet met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten en de kosten van het opmaken van het taxatierapport. Belanghebbende heeft de Rechtbank verzocht op de voet van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de heffingsambtenaar bij afzonderlijke uitspraak in de kosten te veroordelen. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 651,85 aan proceskosten.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een zienswijze over het incidentele hoger beroep ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Ter zitting zijn met instemming van partijen tegelijkertijd behandeld de hogere beroepen met de nummers 25/1526 en 25/1527. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R.W.B. van Middelaar, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , alsmede de heffingsambtenaar, [naam2] , bijgestaan door [naam3] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft, voordat de heffingsambtenaar gedeeltelijk aan het beroep tegemoet was gekomen door de WOZ-beschikking ambtshalve te verlagen, een taxatierapport overgelegd. Dit taxatierapport (hierna: het taxatierapport) is opgesteld door een medewerker van [bedrijf1] B.V., (hierna: [bedrijf1] ) onder verantwoordelijkheid van taxateur [naam4] (hierna: [naam4] ).
2.2.
Bij het taxatierapport zit een ‘specificatie’ voor een totaalbedrag van € 182,32. Dit bedrag is opgebouwd uit een starttarief van € 4, vermeerderd met 2 uur voor het opstellen van het rapport en 0,5 uur voor voorbereiding op en deelname aan de hoorzitting maal een uurtarief van € 59, ofwel € 4 + 2,5 x € 59 = € 151,50. Dit bedrag is vermeerderd met 21% omzetbelasting (€ 31,82), waarmee de specificatie uitkomt op een totaal van € 182,32 [sic].
2.3.
Met [bedrijf1] is door de gemachtigde van belanghebbende afgesproken dat, buiten het starttarief van € 4, (de rest van) het gespecificeerde bedrag alleen behoeft te worden betaald als het beroep gegrond gaat. Het starttarief wordt volgens de gemachtigde van belanghebbende altijd in rekening gebracht en staat voor een snelle check van de WOZ-waarde. Als daaruit blijkt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, wordt verder geen taxatie opgesteld. De heffingsambtenaar heeft betwist dat het starttarief altijd in rekening wordt gebracht.
2.4.
Niet in geschil is dat belanghebbende geen recht heeft op vooraftrek van in rekening gebrachte omzetbelasting.
2.5.
Belanghebbende heeft [bedrijf2] -bureau B.V. (hierna: [bedrijf2] ) gemachtigd om deze procedure namens hem te voeren. [bedrijf2] en [bedrijf1] hebben dezelfde aandeelhouder.
2.6.
De Rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 651,85, te weten € 615,25 voor beroepsmatige rechtsbijstand en € 36,60 voor het taxatierapport.

3.Geschil

3.1.
In geschil is uitsluitend de hoogte van de door de Rechtbank toegekende vergoeding voor het laten opmaken van het taxatierapport.
3.2.
Belanghebbende meent dat die vergoeding moet zijn € 128,26 (2 uur maal € 53, vermeerderd met 21% btw).
3.3.
De heffingsambtenaar heeft in incidenteel hoger beroep primair gesteld dat voor het rapport geen vergoeding hoeft te worden betaald omdat het geen verslag van een deskundige is en de kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt. Subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat voor het taxatierapport € 1 (1 minuut maal het uurtarief van € 53) moet worden vergoed, en meer subsidiair dat de maximale tijdsbesteding van de deskundige afgerond 3 dan wel 5,5 minuut bedraagt die tegen een uurtarief van € 53 moet worden vergoed.

4.Beoordeling van het geschil

Redelijkheid laten opstellen taxatierapport
4.1.
Met betrekking tot de kwaliteit van het taxatierapport heeft de Rechtbank het volgende geoordeeld:
“De rechtbank merkt eerst op dat het taxatierapport van [bedrijf1] oogt als een gedegen rapport met veel relevante en controleerbare informatie, welk rapport geschikt is om een zinvolle discussie over de beschikte WOZ-waarde mee aan te gaan.”
Tegen dit oordeel zijn in hoger beroep geen gronden aangevoerd. Dat de taxatie heeft bijgedragen tot een zinvolle discussie lijkt ook voor de hand te liggen, aangezien het aannemelijk is dat (gegevens vermeld in) het taxatierapport (mede) hebben geleid tot de ambtshalve vermindering. Immers, de beroepsgronden behelsden tot dat moment niet meer dan een verwijzing naar het taxatierapport. De omstandigheid dat belanghebbende zich in beroep heeft neergelegd bij de ambtshalve vermindering tot een waarde van € 1.238.000, terwijl het taxatierapport wordt geconcludeerd tot een waarde van € 986.000, betekent, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet dat de in het taxatierapport vermelde waarde onjuist zou zijn. Ook volgt daaruit niet dat dit rapport of de waarde waartoe in dit rapport wordt geconcludeerd, ondeugdelijk zou zijn. Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende in redelijkheid heeft kunnen besluiten een deskundige een taxatierapport te laten opstellen en dat het redelijk was dat zij daarvoor kosten heeft gemaakt. [1] Het Hof is ook van oordeel dat het rapport kan worden aangemerkt als het verslag van een deskundige, nu het is opgesteld onder verantwoordelijkheid van [naam4] volgens een door hem ontwikkelde methode, ook al besteedt [naam4] zelf weinig tijd aan de feitelijke controle van elk afzonderlijk rapport.
Redelijkheid kosten taxatierapport
4.2.
De taxateur heeft met de gemachtigde van belanghebbende afgesproken dat, buiten een eventuele vergoeding van € 4 die het Hof verder buiten beschouwing zal laten, de kosten voor de taxatie slechts behoeven te worden betaald tot ten hoogste het bedrag dat het bestuursorgaan of de rechter als vergoeding voor dat rapport toewijst. Daarmee staat, nog los van de omstandigheid dat [bedrijf2] en [bedrijf1] vanwege hun verbondenheid geen onafhankelijk opererende derden zijn, naar het oordeel van het Hof vast dat de hoogte van de factuur niet onder marktomstandigheden tot stand is gekomen en om die reden niet kan dienen als basis voor een proceskostenvergoeding.
4.3.
Bij de toekenning van een vergoeding voor kosten van een deskundige gaat het om de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft gemaakt. Met betrekking tot de hoogte van deze kosten verwijst artikel 1, onder b, juncto artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) juncto artikel 8:36, tweede lid, van de Awb naar de Wet tarieven in strafzaken (hierna: WTS). Blijkens artikel 3, eerste lid, onder a, van de WTS wordt de vergoeding voor werkzaamheden ingevolge opdrachten vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: Besluit WTS) stelt de hoogte van deze vergoeding naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn vast op ten hoogste € 154,50 (tekst 2024) per uur. Gedeelten van een uur worden naar boven afgerond naar het eerstvolgende half uur (artikel 9, eerste lid, van het Besluit WTS).
De Richtlijn
4.4.
De Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties [2] (hierna: de Richtlijn) bepaalt dat het aantal uren dat is gemoeid met de taxatie van een onroerende zaak en het opstellen van een rapport wordt gesteld op 2 uur voor een niet-inpandige woningtaxatie. Belanghebbende beroept zich op toepassing van deze Richtlijn. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat toepassing van deze Richtlijn leidt tot een onredelijk bovenmatige vergoeding, gelet op het in hoge mate geautomatiseerde proces waarmee taxatierapporten van [bedrijf1] worden opgesteld en de daarmee samenhangende geringe tijdsbesteding (zie hierna onder 4.7.). In dit geautomatiseerde proces worden de feitelijke werkzaamheden verricht door een anonieme medewerker (de naam van deze medewerker is niet vermeld op het rapport en door belanghebbende ook niet op andere wijze bekend gemaakt), onder verantwoordelijkheid van een taxateur, in dit geval [naam4] . De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat [naam4] gemiddeld hooguit enkele minuten per taxatierapport kan besteden. Belanghebbende heeft deze stelling niet gemotiveerd bestreden.
4.5.
Gelet op het bovenstaande, is het Hof van oordeel dat een vergoeding voor het taxatierapport met toepassing van de Richtlijn zodanig bovenmatig is, dat deze onredelijk zou zijn. Het Hof zal de Richtlijn daarom in dit geval niet toepassen. Ten overvloede merkt het Hof op dat de Richtlijn per 22 december 2025 is ingetrokken, zonder vaststelling van een overgangsregeling. [3]
Tijd gemoeid met de taxatie
4.6.
Belanghebbende heeft gesteld dat aan een taxatie ongeveer 1,5 tot 2 uur wordt gewerkt door een medewerker in vaste dienst of een persoon die op freelancebasis werkt voor [bedrijf1] . Belanghebbende heeft die stelling niet onderbouwd met cijfers omtrent het aantal taxatierapporten dat (gemiddeld) in een bepaald tijdvak per medewerker wordt opgesteld of de vergoeding waarop freelance-medewerkers per opgesteld rapport of anderszins recht hebben. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn stelling een link naar een op het internet geplaatste film ingebracht (hierna: de film). In de film, die 1 uur, 37 minuten en 43 seconden lang is, wordt door een medewerker van [bedrijf1] uitgelegd hoe een taxatierapport van [bedrijf1] tot stand komt.
4.7.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft ingebracht niet aannemelijk gemaakt dat gemiddeld (afgerond) twee uren aan een taxatierapport wordt gewerkt. In de film wordt de meeste tijd besteed aan het geven van uitleg en niet aan het opstellen van het rapport. Het Hof schat de tijd die is gemoeid met het opstellen van een taxatierapport zonder het geven van uitleg op ten hoogste 20 minuten per rapport. De tijd die is gemoeid met een (al dan niet steekproefsgewijze) controle van de rapporten door [naam4] , schat het Hof in op ten hoogste 5 minuten. Gelet op artikel 9, eerste lid, van het Besluit WTS dient de tijd die een deskundige heeft besteed aan het rapport derhalve te worden gesteld op een half uur, waarbij in het midden kan blijven of de medewerker die het rapport opstelt dient te worden aangemerkt als een deskundige. Niet in geschil is immers dat [naam4] een deskundige is en dat het rapport onder zijn verantwoordelijkheid is opgemaakt.
4.8.
Hetgeen de heffingsambtenaar heeft gesteld omtrent de onredelijkheid van onverkorte toepassing van artikel 9, eerste lid, van het Besluit WTS in gevallen als de onderhavige, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Hij bepleit nu juist de toekenning van een vergoeding op basis van de ficties en forfaits van het Bpb. De WTS en het Besluit WTS sluiten aan bij die ficties en forfaits. De heffingsambtenaar bepleit niet een redelijke vergoeding die op een andere wijze wordt bepaald, zoals bijvoorbeeld een vergoeding op basis van de kosten per rapport of een vergoeding op basis van wat een particulier in de markt betaalt voor een geautomatiseerd opgesteld rapport (bijvoorbeeld een Calcasa desktoptaxatie). Als wordt uitgegaan van de eerdergenoemde ficties en forfaits om de hoogte van de te vergoeden kosten van een taxatie te bepalen, is er naar het oordeel van het Hof geen ruimte om op basis van (on)redelijkheid van een van de elementen daarvan die vergoeding alsnog naar beneden bij te stellen. In de regeling ligt al een afweging van wat redelijk is besloten.
4.9.
In het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2025 [4] oordeelde de Hoge Raad dat het gerechtshof, dat de vergoeding voor een taxatierapport had vastgesteld zonder toepassing te geven aan artikel 9 Besluit WTS (namelijk op € 10,69, zijnde 1/6 uur (tien minuten) maal € 53, vermeerderd met 21 procent omzetbelasting), de in onderdeel 4.1.2 van het arrest vermelde regels, waaronder (artikel 6 van) het Besluit WTS, niet had geschonden. Het Hof ziet in dit arrest geen aanleiding om artikel 9 Besluit WTS buiten toepassing te laten, aangezien het arrest niet vermeldt of en, zo ja, waarom het gerechtshof dit artikel buiten toepassing heeft kunnen laten.
4.10.
Zoals het Hof hiervoor heeft overwogen, wordt de vergoeding voor dit taxatierapport niet bepaald met behulp van de forfaits (te weten 2 uur tijdsbesteding maal een tarief van € 53) genoemd in de Richtlijn. Het Hof zal ook het uurtarief zelfstandig vaststellen en bepaalt dit op € 59 per uur, conform het door [bedrijf1] gehanteerde uurtarief. Het Hof heeft hierbij een inschatting gemaakt van de werkzaamheden, die niet van wetenschappelijke maar wel van bijzondere aard zijn. [5]
4.11.
De Rechtbank heeft de hoogte van de vergoeding voor het taxatierapport bepaald door uit te gaan van (een schatting van) de “kostprijs” voor de taxatie van de deskundige en deze kostprijs, vermeerderd met omzetbelasting, voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Hoewel de op deze wijze tot stand gekomen vergoeding in dit geval nagenoeg gelijk is aan de vergoeding waartoe het Hof komt, is de Rechtbank daarbij naar het oordeel van het Hof uitgegaan van een onjuist uitgangspunt.
4.12.
Het Hof zal de hoogte van de vergoeding voor het taxatierapport vaststellen op 0,5 (uur) maal € 59, vermeerderd met 21% omzetbelasting, derhalve (afgerond) € 35,70. Het Hof acht de hoogte van deze vergoeding redelijk. De hoogte van het toegekende bedrag vormt om deze reden geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb. De proceskostenvergoeding voor de behandeling van het bezwaar en het beroep komt daarmee op (€ 615,25 + € 35,70 =) € 650,95.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond en het incidentele hoger beroep ten dele gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het incidentele hoger beroep slechts ten dele gegrond verklaart, ziet het Hof aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het verweer in het incidentele hoger beroep heeft moeten maken. Omdat belanghebbende zich in hoger beroep (ten dele) met succes heeft verweerd tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan, zal het Hof voor deze instantie niet de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm toepassen. [6] Het Hof is verder van oordeel dat deze zaak samenhangt met de zaken met de nummers 25/1526 en 25/1527 in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Bpb. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een derde van € 934 (2 punten (zienswijze, bijwonen zitting) x wegingsfactor 0,5 = € 934), derhalve (afgerond) 311,33.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de bezwaar- en de beroepsfase tot een bedrag van € 650,95 en
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 311,33.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0919, overweging 3.3.3.
2.Staatscourant 2018, nr. 28796.
3.Staatscourant 2025, nr. 44501.
4.HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661.
5.Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0919, overweging 3.3.4-3.3.7.
6.Zie Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, overweging 3.5.3.