In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vergoeding van kosten voor het opmaken van een WOZ-taxatierapport centraal. Belanghebbende betwistte de hoogte van de door de rechtbank toegekende vergoeding en stelde een lager bedrag voor, terwijl de heffingsambtenaar betoogde dat geen vergoeding of slechts een minimale vergoeding verschuldigd was vanwege de geautomatiseerde aard van het rapport.
Het hof bevestigt dat het taxatierapport een deskundigenverslag is, ondanks de beperkte tijd die de verantwoordelijke taxateur aan elk rapport besteedt. De rechtbank had de vergoeding gebaseerd op de kostprijs, maar het hof oordeelt dat deze methode onjuist is omdat de factuur niet onder marktomstandigheden tot stand is gekomen.
De Richtlijn van de belastingkamers, die uitgaat van een forfaitaire tijdsbesteding van 2 uur, wordt door het hof niet toegepast omdat het rapport grotendeels geautomatiseerd is en de werkelijke tijdsbesteding aanzienlijk lager is. Het hof schat de redelijke tijdsbesteding op een half uur en stelt het uurtarief vast op €59, wat leidt tot een vergoeding van €35,70 inclusief btw.
Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar ten dele gegrond. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van proceskosten voor zowel de bezwaar- en beroepsfase als de hogerberoepsfase.