Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2614

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.350.254/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bindendheid vaststellingsovereenkomst Duisenbergregeling bij effectenlease

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de afnemer gebonden is aan een vaststellingsovereenkomst (Duisenbergregeling) met Dexia Nederland B.V. betreffende een effectenleaseovereenkomst. Dexia stelde dat de afnemer finale kwijting heeft verleend door ondertekening van een acceptatieformulier, terwijl de afnemer betoogde dat hij zich tijdig had onttrokken via een opt-out.

Het hof stelde vast dat het acceptatieformulier door beide partijen was ondertekend, inclusief de echtgenote van de afnemer, en dat de afnemer niet tijdig een opt-out had ingediend. Hoewel de afnemer geen korting op de restschuld had ontvangen, erkende Dexia dit en beloofde alsnog uitvoering te geven aan de vaststellingsovereenkomst. Het hof oordeelde dat de afnemer daardoor gebonden is aan de overeenkomst en dat de eerdere conclusie van de kantonrechter dat geen instemming bestond, onvoldoende stand houdt.

Verder werd de door Dexia gevorderde verklaring voor recht afgewezen omdat deze niet verenigbaar was met haar eigen standpunt over de vaststellingsovereenkomst. Ten aanzien van een BKR-registratie bevestigde het hof dat Dexia verplicht is het BKR te berichten dat de afnemer geen verplichtingen meer heeft, indien een A-codering is doorgegeven. De overige vorderingen van de afnemer werden afgewezen en de kostenveroordelingen grotendeels gehandhaafd.

Het arrest werd uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 28 april 2026 en vernietigt delen van het vonnis van de kantonrechter, wijst overige vorderingen af en bepaalt dat partijen hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Het hof vernietigt delen van het vonnis, oordeelt dat de afnemer gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst Duisenbergregeling en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.350.254
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, 10890083
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
tegen

1.[geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optraden als eisers in conventie en verweerders in reconventie
hierna samen (in mannelijk enkelvoud): de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof heeft op 21 oktober 2025 een tussenarrest gewezen. Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de akte na tussenarrest van Dexia
  • de antwoordakte na tussenarrest van de afnemer
  • de antwoordakte van Dexia.

2.De verdere beoordeling door het hof

Gebondenheid aan Duisenbergregeling

2.1.
Dexia heeft in hoger beroep betoogd dat de vorderingen van de afnemer door de kantonrechter ten onrechte zijn toegewezen, omdat de afnemer in 2006 heeft ingestemd met de zogeheten Duisenbergregeling en daarmee finale kwijting heeft verleend aan Dexia voor zijn vorderingen op Dexia in verband met de tussen partijen gesloten effectenleaseovereenkomst. Dexia heeft ter onderbouwing van dit standpunt bij haar memorie van grieven een document overgelegd waarop staat
‘Acceptatie van de Vaststellingsovereenkomst Duisenberg-Regeling’(hierna: het acceptatieformulier) met daarop een handtekening bij de naam van [geïntimeerde1] en de datum 15 februari 2006 en een handtekening van de voorzitter van de Raad van Bestuur van Dexia. Het hof heeft in het tussenarrest vastgesteld dat op dat document een handtekening staat bij de naam [geïntimeerde1] , maar niet bij
‘naam (ex-)echtgeno(…)e (…)’terwijl de echtgenote [geïntimeerde2] partij is bij de effectenleaseovereenkomst. Bij het tussenarrest heeft het hof Dexia in de gelegenheid gesteld haar stelling dat een vaststellingsovereenkomst is gesloten met de afnemer nader te onderbouwen.
2.2.
Dexia heeft bij de akte na tussenarrest aangegeven dat zij per abuis een onvolledige versie heeft overgelegd van het acceptatieformulier waarop de handtekening van [geïntimeerde2] is weggevallen. Bij die akte heeft Dexia een volledige versie van het acceptatieformulier overgelegd waarop ook de handtekening van [geïntimeerde2] staat. Bij het acceptatieformulier bevindt zich een bijlage van 31 oktober 2005 waarop een indicatie is vermeld van het bedrag aan korting op de restschuld dat de afnemer zal ontvangen bij de beëindiging van zijn effectenleaseovereenkomst.
2.3.
Het hof is van oordeel dat hiermee voldoende vaststaat dat de afnemer met Dexia een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten en daarmee finale kwijting heeft verleend aan Dexia voor zijn vorderingen op Dexia in verband met de effectenleaseovereenkomst. Hiervoor is het volgende van belang.
2.4.
De afnemer heeft aangevoerd dat Dexia in eerste aanleg in de conclusie van antwoord heeft geschreven dat de afnemer zich met een opt-out verklaring aan de Duisenbergregeling heeft onttrokken, maar gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep staat het Dexia in beginsel vrij in hoger beroep op dat standpunt terug te komen. Met haar grief bestrijdt zij ook onmiskenbaar de overweging van de kantonrechter dat sprake is van een opt-out. De afnemer heeft niet betwist dat het door Dexia overgelegde document de tussen hem en Dexia gesloten vaststellingsovereenkomst betreft die door hem op 15 februari 2006 is ondertekend. De afnemer heeft aangevoerd dat in de vaststellingsovereenkomst staat:
“Voor een snelle financiële afwikkeling dient u het formulier zo spoedig mogelijk aan Dexia terug te sturen. Doch uiterlijk op 1 februari 2006.”Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het voor het hof niet duidelijk dat en zo ja welk (rechts)gevolg de toezending na de genoemde datum van 1 februari 2006 volgens de afnemer heeft voor de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en de gebondenheid van de afnemer aan die overeenkomst. De afnemer heeft ook niet of niet voldoende duidelijk en gemotiveerd gesteld dat bij toezending aan Dexia na 1 februari 2006 geen sprake zou zijn van een rechtsgeldige overeenkomst. Daarbij merkt het hof op dat, bij gebreke van nadere toelichting en onderbouwing, uit de geciteerde zinsnede uit die overeenkomst ook niet kan worden afgeleid dat bij toezending na 1 februari 2006 van een rechtsgeldige overeenkomst geen sprake zou zijn.
2.5.
Verder heeft de afnemer bij zijn antwoordakte na tussenarrest een overzicht van Dexia van 2 maart 2006 overgelegd. Daarop is vermeld dat de vergoeding op grond van de Duisenbergregeling bij de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst € 0,00 bedraagt. In de bijbehorende voetnoot is vermeld ‘
Geen vergoeding vanwege “geen regeling”. De afnemer heeft betoogd dat hij nooit een korting op zijn restschuld heeft ontvangen op grond van de Duisenbergregeling. Dexia heeft in reactie hierop erkend dat de afnemer om onbekende redenen bij de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst geen korting op zijn restschuld heeft ontvangen. Kennelijk is per abuis op het overzicht van Dexia van 2 maart 2006 vermeld dat tussen partijen geen regeling is gesloten en de vergoeding op grond van de Duisenbergregeling € 0,00 bedraagt. Dexia heeft toegezegd dat de afnemer de korting op zijn restschuld waarop hij op grond van de Duisenbergregeling recht heeft alsnog zal ontvangen. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de afnemer niet betwist dat het door Dexia overgelegde document de tussen hem en Dexia gesloten vaststellingsovereenkomst betreft die door hem op 15 februari 2006 is ondertekend. De omstandigheid dat (nog) geen uitvoering is gegeven aan deze vaststellingsovereenkomst, maakt niet dat de afnemer daaraan niet gebonden is. Het hof ziet ook voor het overige onvoldoende grond om aan te nemen dat de afnemer niet langer aan die overeenkomst gebonden zou zijn. Het hof concludeert dat de afnemer, zoals Dexia stelt, met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst inzake de Duisenbergregeling finale kwijting heeft verleend aan Dexia met betrekking tot zijn eventuele vorderingen in verband met de effectenleaseovereenkomst. De vaststelling van de kantonrechter dat de afnemer niet met de Duisenbergregeling heeft ingestemd en tijdig een opt-out-verklaring heeft ingediend, is in hoger beroep door Dexia voldoende duidelijk bestreden. Het hof stelt vast dat niet gebleken is dat de afnemer zich na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tijdig door middel van een opt-out aan de Duisenbergregeling heeft onttrokken.
2.6.
Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de afnemer in zijn memorie van antwoord heeft verzocht, Dexia op grond van artikel 22 Rv Pro te bevelen een kopie van het aanvraagformulier van de effectenleaseovereenkomst te overleggen. Niet is gesteld of gebleken dat dit aanvraagformulier het oordeel van het hof dat de afnemer met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst finale kwijting heeft verleend aan Dexia met betrekking tot zijn eventuele vorderingen anders maakt. Dat betekent dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd ten aanzien van de beslissingen van de kantonrechter onder 5.5 en 5.6 en dat de vorderingen van de afnemer in zoverre worden afgewezen. Dexia heeft een verklaring voor recht gevorderd dat zij na betaling aan de afnemer van € 849,63 aan al verplichtingen uit de effectenleaseovereenkomst heeft voldaan. Dat bedrag gaat uit van toepasselijkheid van het Hofmodel terwijl het hof hiervoor, overeenkomstig het standpunt van Dexia, heeft vastgesteld dat de afnemer een vaststellingsovereenkomst in het kader van de Duisenbergregeling heeft gesloten. Het Hofmodel is daarom niet van toepassing. Tegen deze achtergrond is de door Dexia gevraagde verklaring voor recht niet te verenigen met haar eigen standpunt. Daarop stuit de gevorderde verklaring voor recht af.
BKR-registratie
2.7.
De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld – voor het geval Dexia met betrekking tot de afnemer een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis het BKR te berichten dat de afnemer geen verplichting uit de effectenleaseovereenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom. In hoger beroep heeft Dexia aangevoerd dat ten aanzien van de afnemer geen aan de BKR-registratie gekoppelde achterstandscodering (A-codering) bestaat, althans dat deze niet zichtbaar is. Daarbij komt dat zij het niet in haar macht heeft gegevens van de afnemer in de registers van het BRK door te laten halen, aldus Dexia. De afnemer heeft aangevoerd dat Dexia niet betwist dat zij een A-codering inzake de afgesloten effectenleaseovereenkomst aan het BKR heeft doorgegeven. De afnemer heeft verder aangevoerd dat een BRK-registratie alleen kan worden aangepast met machtiging van de kredietaanbieder.
2.8.
Dexia miskent dat de kantonrechter haar voorwaardelijk, namelijk voor het geval zij een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven, heeft veroordeeld om aan het BKR te berichten dat de afnemer geen verplichting uit de effectenleaseovereenkomst heeft. Wanneer Dexia geen A-codering aan het BKR heeft doorgegeven, bestaat er geen grond om het BKR te berichten. Dexia miskent ook dat de veroordeling niet meer inhoudt dan het BKR te berichten dat de afnemer geen verplichting uit de effectenleaseovereenkomst heeft. Dat Dexia tot een dergelijke berichtgeving niet in staat is, heeft zij niet aangevoerd. Dit betoog van Dexia faalt dus, zodat de beslissingen van de kantonrechter op dit punt zullen worden bekrachtigd.
2.9.
Ook de beslissingen van de kantonrechter ten aanzien van de vorderingen in de incidenten ex artikel 843a Rv van partijen, zal het hof bekrachtigen. Partijen hebben daar immers geen grieven tegen gericht.
De conclusie
2.10.
Het hoger beroep van Dexia slaagt ten dele. Omdat de vordering van de afnemer in conventie per saldo voor een beperkt deel toewijsbaar is en partijen in dit hoger beroep over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de door de kantonrechter in conventie uitgesproken kostenveroordeling (ten laste van Dexia) handhaven en de proceskosten van het hoger beroep compenseren. De in eerste aanleg in reconventie uitgesproken proceskostenveroordeling – waarbij de kosten aan de zijde van de afnemer tot de datum van de uitspraak begroot zijn op nihil – wordt daarbij, gelet op de bekrachtiging van het oordeel in reconventie, gehandhaafd.

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland,
zittingsplaats Lelystad, van 24 oktober 2024, behalve de beslissingen onder 5.5 en 5.6 die hierbij worden vernietigd, en beslist als volgt:
3.2.
wijst de overige vorderingen van de afnemer in conventie alsnog af;
3.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;
3.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
28 april 2026.