Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2748

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
24/2020
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 11 Invorderingswet 1990Art. 12 Invorderingswet 1990Art. 13 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid belastingrechter inzake schadevergoeding bankbeslag en verrekeningen

Belanghebbende was het niet eens met de wijze waarop de Ontvanger van de Belastingdienst vervolgingskosten, invorderingsrente en verzuimboetes had opgelegd en de wijze van invordering, waaronder bankbeslag en verrekeningen. Na bezwaar en een uitspraak van de Rechtbank Gelderland, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om te oordelen over schadevergoeding gerelateerd aan bankbeslag en verrekeningen, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof heeft het geschil inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over besluiten op grond van de Invorderingswet 1990, met uitzondering van enkele specifieke artikelen. Dit betekent dat ook verzoeken tot schadevergoeding als gevolg van dwanginvordering en verrekening niet bij de belastingrechter kunnen worden ingediend.

Daarnaast concludeerde het hof dat het door belanghebbende overgelegde overzicht onvoldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat er daadwerkelijk schade is geleden die toerekenbaar is aan de reeds vernietigde beschikkingen. Belanghebbende wordt verwezen naar de burgerlijke rechter voor verdere vorderingen.

Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en het hof heeft geen aanleiding gezien om griffierecht of proceskosten toe te wijzen. De uitspraak is op 21 april 2026 gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de onbevoegdheid van de belastingrechter om te oordelen over schadevergoeding wegens bankbeslag en verrekeningen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/2020
uitspraakdatum:
21 april 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 4 oktober 2024, nummer AWB 24/3345, in het geding tussen belanghebbende en
de
Ontvangervan de
Belastingdienst/Kantoor Enschede(hierna: de Ontvanger)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Ontvanger heeft voor de inning van (naheffings)aanslagen loonheffingen en omzetbelasting voor de jaren 2020 en 2021 kosten voor aanmaningen, kosten voor dwangbevelen (hierna: de vervolgingskosten) en bij beschikking invorderingsrente in rekening gebracht.
1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar tegen de vervolgingskosten en de beschikking invorderingsrente gegrond verklaard en de vervolgingskosten en de invorderingsrente verminderd tot nihil.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor wat betreft de toekenning van de vergoeding van kosten voor de behandeling van het bezwaar en de vergoeding daarvoor vastgesteld op een bedrag van € 936. Verder heeft de Rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de geschillen over diverse verrekeningen en (uitblijvende) beslissingen op de verzoeken van belanghebbende om kwijtschelding, uitstel van betaling en vergoeding van schade.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord M.A.J. Verdam, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de Ontvanger. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
De inspecteur heeft over tijdvakken in de jaren 2020 en 2021 meerdere naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting opgelegd aan belanghebbende. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslagen heeft de inspecteur bij beschikking verzuimboetes opgelegd.
2.2.
De naheffingsaanslagen zijn naar een verouderd adres verstuurd, hoewel belanghebbende zijn adreswijziging had doorgegeven aan de Kamer van Koophandel. Door een technische fout heeft de Kamer van Koophandel de adreswijziging niet doorgegeven aan de Belastingdienst.
2.3.
Belanghebbende heeft de naheffingsaanslagen niet op tijd betaald.
2.4.
De Ontvanger heeft voor de niet-betaalde naheffingsaanslagen aanmaningen en dwangbevelen aan belanghebbende gestuurd. Daarbij heeft de Ontvanger, op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, zogenoemde vervolgingskosten in rekening gebracht. Voor twee aanslagen heeft de Ontvanger ook nog invorderingsrente in rekening gebracht.
2.5.
De Ontvanger heeft bankbeslag gelegd op een rekening op naam van belanghebbende. Dit beslag is op 30 januari 2023 opgeheven na inning van een bedrag van € 12.812.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte vervolgingskosten en invorderingsrente bezwaar gemaakt.
2.7.
Voorafgaand aan de behandeling van het beroep door de Rechtbank heeft de Ontvanger de vervolgingskosten en invorderingsrente verminderd tot nihil. Daarnaast heeft de inspecteur de opgelegde verzuimboetes vernietigd.
2.8.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het de vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar betreft. Daarnaast heeft de Rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van geschillen over diverse verrekeningen, verzoeken om kwijtschelding, uitstel van betaling en vergoeding van schade.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de Rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard om te beslissen over de vraag of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding ter zake van de schade die voortvloeit uit het bankbeslag en de door de Ontvanger toegepaste verrekeningen.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende heeft, onder overlegging van een overzicht getiteld ‘Overzicht onkosten geschil Belastingdienst – 2022’, aangevoerd dat zij tot een bedrag van € 74.020 schade heeft geleden als gevolg van de onterechte beslaglegging op haar bankrekening en de door de Ontvanger toegepaste verrekeningen van door belanghebbende te ontvangen bedragen met de aan haar opgelegde (naheffings)aanslagen. De kosten bestaan voor € 1.205 uit kosten van derden en voor € 72.763,25 uit verletkosten.
4.2.
De Ontvanger heeft hiertegen ingebracht dat de belastingrechter niet bevoegd is hierover te oordelen, en dat belanghebbende zich dient te wenden tot de burgerlijke rechter.
4.3.
Op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van Pro de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. In artikel 1, van genoemde bevoegdheidsregeling is (onder meer) bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit genomen op grond van de Invorderingswet 1990 (Invorderingswet), met uitzondering van besluiten genomen op grond van de artikelen 30, 49 en 62a van die wet. Tegen besluiten op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen is evenmin beroep mogelijk, met uitzondering van artikel 7 van Pro die wet betreffende de door de ontvanger of belastingdeurwaarder in rekening gebrachte kosten van vervolging.
4.4.
Aangezien de bevoegdheid tot dwanginvordering en verrekening is geregeld in de artikelen 11 tot en met 20 en artikel 24 van Pro de Invorderingswet, staat tegen een op grond daarvan genomen beslissing geen beroep open bij de bestuursrechter. Dit geldt ook voor het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van schade die hiervan het gevolg zou zijn. De Rechtbank heeft zich dan ook terecht onbevoegd verklaard ten aanzien van het verzoek van belanghebbende om vergoeding van schade ten gevolge van het inzetten van de bevoegdheden van de Ontvanger tot dwanginvordering en verrekening.
4.5.
Het overzicht van belanghebbende biedt overigens onvoldoende aanknopingspunten voor het Hof om daaruit af te leiden dat belanghebbende schade heeft geleden, en zo ja welk deel daarvan toerekenbaar is aan de reeds in bezwaar vernietigde beschikkingen inzake aanmaningskosten en kosten van betekening. Belanghebbende dient zich ook hiervoor tot de burgerlijke rechter te wenden.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op
21 april 2026in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (T.H.J. Verhagen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.