Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3145

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.344.878
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 7:663 BWArt. 3:305a lid 1 BWArt. 6:2 lid 2 BWArt. 21 lid 2a cao Beroepsgoederenvervoer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing dynamisch incorporatiebeding en cao-loonsverhogingen bij overgang onderneming

In deze arbeidsrechtelijke zaak staat centraal of werknemers die bij overgang van onderneming zijn overgenomen, recht hebben op loonsverhogingen uit opvolgende cao’s op grond van een dynamisch incorporatiebeding in hun arbeidsovereenkomst. De werknemers waren oorspronkelijk in dienst bij Mol Logistics en Hermex, die activiteiten en personeel overdroegen aan ID Logistics Tilburg B.V. (IDL).

IDL stelde dat het dynamisch incorporatiebeding haar werking had verloren en dat de werknemers met nieuwe arbeidsovereenkomsten afstand hadden gedaan van cao-rechten. Het hof oordeelde dat het beding juist toekomstige cao’s omvat en dat IDL niet bevoegd was de arbeidsvoorwaarden voorafgaand aan de overgang te wijzigen. Het hof verwierp het verweer van rechtsverwerking omdat IDL onvoldoende concrete gedragingen had gesteld die vertrouwen op afstand van rechten rechtvaardigen.

Het hof stelde vast dat IDL onvoldoende onderzoek had gedaan naar de arbeidsvoorwaarden van de overgenomen werknemers en dat zij gehouden is de cao-loonsverhogingen toe te passen en uit te betalen, inclusief wettelijke rente. De vorderingen van de werknemers werden toegewezen, het vonnis van de kantonrechter vernietigd en IDL werd veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris en proceskosten.

Uitkomst: IDL is gehouden de cao-loonsverhogingen toe te passen en uit te betalen aan de overgenomen werknemers met een dynamisch incorporatiebeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.344.878
(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg 8363165
zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch 200.291.770
zaaknummer Hoge Raad 23/00763)
arrest van 19 mei 2026
in de zaak van:

1.[appellant1]

die is gevestigd in [vestigingsplaats1]

2. [appellant2]

die woont in [woonplaats1]

3. [appellant3]

die woont in [woonplaats2]
die hoger beroep hebben ingesteld
hierna afzonderlijk: [appellant1] , [appellant2] en [appellant3] en gezamenlijk: [appellanten]
advocaat: mr. R.A. Severijn
tegen:
ID Logistics Tilburg B.V.
die is gevestigd in Tilburg
hierna: IDL
advocaat: mr. A.F. de Koning

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellanten] heeft cassatieberoep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 november 2022 [1] . IDL heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, Op 12 juli 2024 [2] heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (hierna: het verwijzingsarrest). De Hoge Raad heeft het arrest van het hof ’s- Hertogenbosch vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.
1.2
Het procesverloop na het verwijzingsarrest blijkt uit:
  • het oproepingsexploot van 14 augustus 2024
  • de memorie na verwijzing van [appellanten]
  • de antwoordmemorie na verwijzing van IDL
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 23 september 2025 is gehouden
  • de aktes van beide partijen van 28 oktober 2025.
1.3
Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern en omvang van de zaak na verwijzing

2.1
[appellant2] en [appellant3] zijn na een overgang van onderneming in dienst gekomen bij IDL. Hun arbeidsovereenkomsten bevatten een dynamisch incorporatiebeding waarin wordt verwezen naar de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg (hierna: de cao). Voorafgaand aan de indiensttreding bij IDL hebben zij een nieuwe arbeidsovereenkomst ondertekend waarin een dergelijk beding niet is opgenomen. IDL is niet gebonden aan de cao. Kern van het geschil is de vraag of de werknemers met het dynamisch incorporatiebeding in hun arbeidsovereenkomst na de overgang recht hebben op de loonsverhogingen die zijn opgenomen in de opvolgende cao’s.
2.2
[appellant1] heeft bij de kantonrechter (verkort weergegeven) een verklaring voor recht gevorderd dat IDL gehouden is de in de cao genoemde loonsverhogingen en tredeverhoging (hierna samen: de loonsverhogingen) toe te passen voor de werknemers die door IDL zijn overgenomen en op wie de cao van toepassing is op grond van een dynamisch incorporatiebeding, en uitbetaling van die verhogingen aan die werknemers met nevenvorderingen. [appellant2] en [appellant3] hebben gevorderd IDL te veroordelen tot betaling van achterstallig loon met nevenvorderingen.
2.3
[appellant1] heeft haar procesbevoegdheid gebaseerd op artikel 3:305a lid 1 BW. IDL heeft daartegen onder meer als verweer opgeworpen dat [appellant1] niet bevoegd is om als zelfstandige procespartij de vorderingen in te stellen. De kantonrechter heeft dat verweer verworpen. Hiertegen zijn door IDL geen grieven aangevoerd zodat de bevoegdheid van [appellant1] vaststaat.
2.4
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen op grond van rechtsverwerking. In hoger beroep is [appellanten] daartegen opgekomen. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft geen oordeel gegeven over rechtsverwerking en is veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de grieven daartegen slagen. Dat hof oordeelde dat de vorderingen ook zonder rechtsverwerking niet toewijsbaar zijn. [appellanten] voert aan dat door IDL geen cassatieklacht is gericht tegen deze beslissing van het hof ’s-Hertogenbosch zodat daarmee vaststaat dat de grieven slagen en dus van rechtsverwerking geen sprake is. Het hof gaat hier niet in mee. Het hof ’s- Hertogenbosch heeft geen beslissing genomen over de grieven die [appellanten] heeft opgeworpen tegen het oordeel van de kantonrechter over rechtsverwerking. Daarom hoefde IDL daartegen geen cassatiemiddel in te stellen. Dit betekent dat het hof alsnog een oordeel moet geven over de grieven van [appellanten] en dat het verweer van rechtsverwerking van IDL onderdeel vormt van de beoordeling.

3.Het oordeel van het hof

de beslissing van het hof
3.1
Het hof wijst de vorderingen toe. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.
de achtergrond van de zaak
3.2
Het hof gaat uit van de feiten zoals beschreven in het vonnis van de kantonrechter en het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch. Deze feiten worden hierna samengevat en waar nodig aangevuld.
3.3
[appellant2] en [appellant3] zijn respectievelijk in 1991 en 1998 in dienst getreden bij de transportonderneming Wassing Internationale Expediteurs B.V. (hierna Wassing) In hun arbeidsovereenkomsten staat de volgende bepaling opgenomen:

Op deze arbeidsovereenkomst zijn verder van toepassing de bepalingen zoals vastgelegd in de van kracht zijnde Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg” (het dynamisch incorporatiebeding).
3.4
In 2000 is de naam van Wassing gewijzigd in Mol Logistics (Netherlands) B.V. (hierna: Mol). [appellant2] en [appellant3] waren vanaf dat moment in dienst van Mol. Mol en haar zustervennootschap Hermex Distribution B.V. (hierna: Hermex) verrichtten voornamelijk werkzaamheden voor Fujifilm Europe B.V. (hierna: Fuji). [appellant2] en [appellant3] werkten op detacheringsbasis bij Hermex. In 2014 verloren Mol en Hermex een door Fuji uitgeschreven tender. De tender werd aan IDL gegund en als gevolg daarvan heeft IDL per 1 april 2015 Hermex en een deel van de activiteiten van Mol overgenomen. De bij Mol en Hermex in dienst zijnde, aan die overgenomen activiteiten verbonden werknemers zijn bij IDL in dienst gekomen op grond van art. 7:662 e.v. BW (overgang van onderneming).
3.5
Voorafgaand aan de overname, op 3 maart 2015, heeft IDL aan de over te nemen werknemers, onder wie [appellant2] en [appellant3] , een brief met bijlagen gestuurd ter voorbereiding op hun indiensttreding van IDL per 1 april 2015. In de bijlage is met betrekking tot het salaris het volgende vermeld:
“(…)
In overleg met de Ondernemingsraad/Klankbordgroep is overeengekomen dat de verhoging van 2,75% volgens de CAO-TLN per 1-1-2016 zal worden toegekend. Daarna zullen salarisverhogingen afhankelijk zijn van bedrijfsresultaten.”
3.6
IDL heeft de overgenomen werknemers een nieuwe arbeidsovereenkomst voorgelegd, ingaande op 1 april 2015. [appellant2] en [appellant3] hebben deze voor akkoord ondertekend. Deze arbeidsovereenkomst heeft de volgende considerans:

in aanmerking nemende:
datID Logistics Tilburg BV de FEN activiteiten van Hermex Distribution BV, nader te noemen Hermex, inclusief de aan deze activiteiten verbonden medewerkers van Hermex dan wel MOL Logistics (Netherlands) BV dan wel MOL Logistics Administration BV, nader te noemen MOL, per 1 april 2015 heeft overgenomen;
datde overname heeft plaatsgevonden met inachtneming van de regelgeving zoals die geldt bij overgang van onderneming ex artikel 7:662 BW Pro ev.
datde werknemer in het kader van de overname per 1 april 2015 van rechtswege in dienst is getreden bij ID Logistics Tilburg BV met behoud van anciënniteit;
datID Logistics Tilburg BV met de ondernemingsraad van MOL en de klankbordgroep van Hermex afspraken heeft gemaakt over de arbeidsvoorwaarden zoals die vanaf 1 april 2015 gaan gelden voor de medewerkers die zijn overgegaan;
datID Logistics Tilburg middels deze arbeidsovereenkomst de arbeidsvoorwaarden zoals deze voor de werknemer gelden vanaf 1 april 2015 wil vastleggen;
datde werknemer middels ondertekening van onderhavige arbeidsovereenkomst zich akkoord verklaard met de arbeidsvoorwaarden van ID Logistics Tilburg BV zoals deze gelden vanaf 1 april 2015.
3.7
IDL is geen lid van de bij de cao aangesloten werkgeversvereniging [ondernemersorganisatie] (hierna [ondernemersorganisatie] ) en de activiteiten van IDL vallen niet onder de werkingssfeer van de cao.
3.8
Eind 2015 en begin 2016 heeft [appellant1] met IDL onderhandeld over harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden binnen IDL, met als doel om tot een ondernemings-cao te komen. Deze onderhandelingen hebben niet tot resultaat geleid.
3.9
Bij brief van 13 januari 2016 heeft IDL aan de werknemers meegedeeld dat in de cao van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 is vastgesteld dat er een salarisverhoging van 2,75% zal plaatsvinden per 1 januari 2016 en dat in overleg met de Ondernemingsraad/Klankbordgroep is overeengekomen dat de verhoging van 2,75% volgens de cao per 1 januari 2016 zal worden toegekend. Verder heeft IDL in die brief medegedeeld dat daarna salarisverhogingen afhankelijk zullen zijn van de bedrijfsresultaten.
3.1
In een memo van 22 juni 2017 heeft IDL een soortgelijk bericht aan haar werknemers gecommuniceerd en daaraan toegevoegd dat een cao-resultaat van [ondernemersorganisatie] geen impact heeft op de arbeidsvoorwaarden.
3.11
Bij brief van 5 juli 2019 heeft [appellant1] IDL gesommeerd om alle in de cao voorgeschreven loonsverhogingen uit te betalen aan de werknemers die in het kader van de overgang van onderneming per 1 april 2015 zijn overgenomen van Hermex en Mol. [appellant1] heeft in die brief erop gewezen dat de cao door middel van een dynamisch incorporatiebeding onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomsten van de werknemers. [appellant1] heeft aangeboden om daarover in overleg te treden om te komen tot een oplossing buiten rechte. Een oplossing is niet bereikt.
de vorderingen en de verweren
3.12
[appellanten] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De dynamische incorporatiebedingen in de arbeidsovereenkomsten van de overgenomen werknemers zijn op grond van artikel 7:663 BW Pro overgegaan naar IDL. Daarom is de cao ook na de overname van toepassing gebleven. IDL heeft de werknemers ten onrechte een nieuwe arbeidsovereenkomst laten ondertekenen en daarmee afstand laten doen van hun rechten die voortvloeien uit het dynamisch incorporatiebeding. Dat is een wijziging van de arbeidsvoorwaarden die is verboden op grond van de wet. IDL is dus gehouden de loonsverhogingen uit die cao toe te passen.
3.13
De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest geoordeeld dat het dynamisch incorporatiebeding uit de arbeidsovereenkomsten van de overgenomen werknemers is overgegaan op IDL als verkrijger. IDL heeft dat niet (langer) betwist.
Het verweer van IDL houdt (na het verwijzingsarrest) in de kern in:
- [appellanten] heeft het recht om zich op het dynamische incorporatiebeding te beroepen verwerkt
-het dynamisch incorporatiebeding heeft haar werking verloren
-de werknemers hebben ingestemd met nieuwe arbeidsvoorwaarden en zijn daaraan gebonden
Het hof zal deze verweren hierna behandelen, het beroep op rechtsverwerking als laatste.
(i) het dynamisch incorporatiebeding had haar werking voor de overname al verloren
3.14
Het uitgangspunt bij de beoordeling is, zoals de Hoge Raad in het verwijzingsarrest heeft overwogen, dat de werknemers aan het dynamisch incorporatiebeding in hun arbeidsovereenkomst een door artikel 7:663 BW Pro beschermd recht op toepassing van uit de cao voortvloeiende toekomstige voorwaarden konden ontlenen, en dat zij van dit recht uitsluitend na en niet wegens de overgang afstand konden doen. [3]
3.15
IDL voert aan dat zij niet tot toepassing van de cao gehouden is, omdat het dynamisch incorporatiebeding ten tijde van de overname haar werking al had verloren. Zij beroept zich daartoe op de tekst van het beding. De woorden “
van kracht” uit het beding zien niet op de geldigheidsduur van de cao maar op de werkingssfeer. Als de bedrijfsactiviteiten zodanig wijzigen dat de betreffende cao niet meer van toepassing (van kracht) is, eindigt de contractuele binding aan de cao. [appellant2] en [appellant3] werkten feitelijk bij Hermex. De Hermex-activiteiten richtten zich op warehousing en niet op transport, zodat al ruim voorafgaande aan de overname het dynamisch incorporatiebeding haar werking had verloren. In elk geval was dat vanaf de overname per 1 april 2015 het geval, omdat de bedrijfsactiviteiten van IDL niet onder de werkingssfeer van de cao vallen. Omdat het dynamisch incorporatiebeding geen recht meer gaf op toepassing van de cao hebben [appellant2] en [appellant3] daar dus ook geen afstand van gedaan, aldus IDL.
3.16
[appellanten] maakt allereerst bezwaar tegen dit verweer omdat dit te laat is gevoerd. Dat is in strijd met de goede procesorde: IDL heeft dit voor het eerst naar voren gebracht tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ’s-Hertogenbosch. Het hof honoreert dit bezwaar. Op grond van de zogeheten ‘twee-conclusie-regel’ moeten alle verweren in hoger beroep in de memorie van antwoord worden verwoord. Verweren die in de procedure in eerste aanleg zijn gevoerd kunnen in hoger beroep doorwerken door de devolutieve werking van het hoger beroep. IDL heeft echter dit standpunt over de tekstuele uitleg van het dynamisch incorporatiebeding noch in eerste aanleg, noch in de memorie van antwoord ingenomen. Zij heeft wel eerder aangevoerd dat het beding was achterhaald omdat de cao bij Hermex en Mol al niet meer volledig werd toegepast, maar dat is een ander argument waarop zij na het verwijzingsarrest niet meer terugkomt (welk verweer het hof niettemin volledigheidshalve hierna zal beoordelen). Dit betekent dat het verweer te laat is gevoerd en daarmee in strijd is met de goede procesorde. Dat [appellanten] zekerheidshalve ook inhoudelijk op het verweer heeft gereageerd maakt dat niet anders.
3.17
Het verweer slaagt ook om inhoudelijke redenen niet. Allereerst moet het dynamisch incorporatiebeding niet grammaticaal worden uitgelegd maar volgens de maatstaven van de zogeheten Haviltex-formule. Die houdt in dat niet alleen naar de letterlijke bewoordingen van het beding moet worden gekeken, maar ook naar de betekenis die de partijen redelijkerwijs aan de tekst gaven en wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten. De woorden ‘van kracht’ uit het beding moeten niet alleen letterlijk worden genomen, maar deze worden moeten bezien in de context van de hele tekst en ook naar wat een gebruikelijke uitleg is van een dergelijk beding. De uitleg die IDL voorstaat komt neer op een statisch incorporatiebeding, namelijk een beding dat alleen de bestaande versie van een cao en geen toekomstige versies in de arbeidsovereenkomst incorporeert. Een dynamisch incorporatiebeding beoogt in het algemeen juist de toekomstige versies van de cao van toepassing te laten zijn. IDL voert geen omstandigheden aan (anders dan verwijzing naar de letterlijke uitleg van de woorden ’van kracht’) waarom dit beding anders uitgelegd zou moeten worden.
3.18
IDL erkent in de memorie na verwijzing dat het dynamisch incorporatiebeding bij de overgang van de onderneming mee overgegaan is. Het is het hof niet duidelijk of zij daarmee haar eerdere verweer, dat het dynamisch incorporatiebeding haar werking voorafgaande aan de overname al had verloren omdat het was achterhaald, heeft laten varen. Voor zover zij dit heeft willen handhaven verwerpt het hof dit verweer. IDL voert in dit verband aan dat, anders dan [appellanten] stelt, de cao voor de overname al niet meer integraal werd toegepast op de werknemers die bij Hermex werkten en dat om die reden de werking van het dynamisch incorporatiebeding was achterhaald. IDL betoogt terecht dat de stelplicht voor de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden voorafgaand aan de overname op [appellanten] rust. [appellanten] heeft echter desgevraagd op de mondelinge behandeling bij het hof gezegd dat de werknemers geen andere stukken hebben ontvangen die hun arbeidsvoorwaarden kunnen onderbouwen dan de arbeidsovereenkomsten uit de negentiger jaren; zij hebben bij de naamswijziging van Wassing naar Mol geen nieuwe arbeidsovereenkomsten of stukken gekregen, en ook niet op een ander moment. Volgens [appellanten] was de cao tot de overname in 2015 van kracht en werd deze toegepast op alle werknemers die in dienst waren bij Mol, ook al werkten zij bij Hermex.
3.19
Ter onderbouwing van haar betwisting (de cao was niet van toepassing) verwijst IDL naar een verklaring van de toenmalig general manager a.i. van Hermex (hierna: de voormalig manager), waaruit zou volgen dat er verschillende arbeidsvoorwaarden voor drie groepen werknemers werden gehanteerd. Uit die verklaring volgt echter niet dat voor de werknemers waar het hier om gaat (in dienst van Mol en werkend bij Hermex) de cao niet gold. Ten aanzien van deze medewerkers schrijft de manager dat hij niet weet in hoeverre de loonsverhogingen vanuit de cao werden gevolgd. In elk geval biedt deze verklaring onvoldoende ondersteuning voor de stelling van IDL dat de cao niet gold en dat er een eigen beloningsbeleid van toepassing was. Het hof constateert verder dat in de adviesaanvraag aan de ondernemingsraad van Hermex, waarnaar IDL verwijst, met zoveel woorden staat dat de werknemers die in dienst waren bij Mol (waaronder dus [appellant2] en [appellant3] ) waren aangesloten bij de cao. IDL heeft in de nieuwe arbeidsovereenkomsten ook aansluiting gezocht bij die cao (door toepassing van de cao-indexering tot 1 januari 2017). Zij stelt, slechts met verwijzing naar de achteraf opgestelde verklaring van de voormalig manager, dat de cao niet meer volledig werd toegepast op de werknemers die bij Mol in dienst waren, maar dat spoort niet met de adviesaanvraag waarnaar zij zelf ook verwijst. Voor die discrepantie heeft IDL geen verklaring gegeven. Kennelijk heeft zij niet (voldoende) onderzocht op grond waarvan de door haar overgenomen werknemers van Mol gebonden waren aan de cao, zoals in de adviesaanvraag staat. Het lag op de weg van IDL als verkrijgende partij om gedegen onderzoek te doen naar de arbeidsvoorwaarden van de 74 werknemers die zij overnam. Zij was als opvolgend werkgever namelijk gehouden die arbeidsvoorwaarden te respecteren en moest de inhoud daarvan dus kennen. Het hof heeft IDL daarnaar tijdens de mondelinge behandeling gevraagd, maar IDL heeft geen concreet antwoord kunnen geven op de vraag wat zij voorafgaand aan de overname heeft onderzocht en op welke wijze zij dat onderzoek heeft uitgevoerd.
3.2
[appellanten] heeft haar stelling dat de cao van toepassing was niet nader kunnen onderbouwen omdat er (kennelijk) door de voormalig werkgever Mol geen nadere stukken aan de werknemers zijn verschaft. Vaststaat in elk geval dat door Mol de cao-verhogingen werden toegepast (dat erkent IDL). Nu in de adviesaanvraag bovendien staat dat de cao voor de Mol-werknemers gold en IDL verder niets heeft kunnen verklaren over haar betwisting, oordeelt het hof dat IDL haar verweer tegen de stelling van [appellanten] onvoldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat de cao vóór de overname (in elk geval deels) werd toegepast en dat het verweer dat het dynamisch incorporatiebeding haar werking had verloren wordt verworpen.
3.21
Het hof concludeert dan ook dat op grond van het dynamisch incorporatiebeding niet alleen de ten tijde van de overgang van onderneming geldende cao van toepassing is maar ook toekomstige versies daarvan van toepassing zijn.
(ii) wijziging van de arbeidsvoorwaarden
3.22
IDL moest dus op grond van het dynamisch incorporatiebeding als verkrijger het recht van de werknemers op toepassing van de (toekomstige versies van de) cao eerbiedigen. Zij heeft dat niet gedaan: zij heeft de werknemers voorafgaande aan de overgang van de onderneming in april 2015 nieuwe arbeidsovereenkomsten laten tekenen, waarin het dynamisch incorporatiebeding niet voorkomt. Dat is niet toegestaan, omdat werknemers uitsluitend
nade overgang van de onderneming afstand van rechten kunnen doen (zie het verwijzingsarrest onder 4.2). De werknemer behoort immers niet in de positie gebracht te worden waarin een verkrijger het behoud van de arbeidsovereenkomst bij de overgang afhankelijk stelt van instemming van de werknemer met verslechtering van zijn arbeidsvoorwaarden. Uit de considerans van de door IDL aan de bij de overgang van de onderneming betrokken werknemers voorgelegde arbeidsovereenkomsten volgt dat deze zijn gesteld in de sleutel van die overgang (zie 3.6 van dit arrest). Zo worden de over te nemen activiteiten uitdrukkelijk genoemd en wordt aangegeven dat IDL met de OR en Klankbordgroep van de overdragende partij Hermex/Mol afspraken heeft gemaakt over de arbeidsvoorwaarden zoals die vanaf 1 april 2015, de datum van overgang, gaan gelden voor de werknemers die overgaan naar IDL. Daarmee is al duidelijk dat de wijziging van de arbeidsvoorwaarden door het voorleggen van een nieuwe arbeidsovereenkomst
wegensde overgang van de onderneming was. IDL voert wel aan dat er een economische noodzaak was om nieuwe arbeidsvoorwaarden af te spreken (ETO-redenen), maar dat is niet onderbouwd en doet er bovendien niet aan af dat sprake is van wijziging van de arbeidsovereenkomst wegens de overgang van de onderneming.
3.23
Het feit dat IDL destijds niet op de hoogte was van het bestaan van het dynamisch incorporatiebeding maakt dit niet anders. De gevolgen van het achterwege blijven van een gedegen onderzoek voorafgaand aan de overname komen in haar verhouding tot de werknemers voor rekening van IDL. IDL had daarmee op de hoogte kunnen komen van het dynamisch incorporatiebeding en de potentiële gebondenheid aan en toepassing van de (toekomstige) cao(’s). Zij heeft dat nagelaten, zo is hiervoor overwogen in 3.19.
3.24
IDL heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 7:663 BW Pro. Dat artikel is de implementatie van de Europese richtlijn ter bescherming van rechten van werknemers bij overgang van een onderneming en is van openbare orde. De daaruit voortvloeiende rechtshandelingen zijn nietig. IDL kan zich er daarom niet op beroepen dat de werknemers door ondertekening van de arbeidsovereenkomsten in maart 2015 hebben ingestemd met wijziging van de arbeidsvoorwaarden.
(iii) rechtsverwerking
3.25
Volgens IDL heeft [appellanten] het recht om zich te beroepen op het dynamisch incorporatiebeding verwerkt. IDL heeft voor en na de overname een zeer zorgvuldig proces doorlopen, waarbij steeds overleg is gevoerd met de vakbonden en Ondernemingsraad en waarbij de werknemers goed en duidelijk zijn geïnformeerd. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat er in 2017 een geheel nieuw FUWA/beloningsbeleid tot stand is gekomen. [appellant1] en [appellant2] en [appellant3] hebben al die tijd niks gezegd over het dynamisch incorporatiebeding, hoewel zij daarvan wel op de hoogte waren. IDL benoemt in het hele proces twaalf concrete momenten waarop volgens haar [appellanten] zich op het incorporatiebeding had kunnen (en moeten) beroepen. Dat beroep kwam pas medio 2019 en dat is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. IDL heeft daarmee geen rekening meer hoeven te houden en is volgens haar ook benadeeld door dit late tijdstip van het beroep.
3.26
Voor een beroep op rechtsverwerking geldt de volgende maatstaf. Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het recht wordt uitgeoefend (artikel 6:2 lid 2 BW Pro). De rechter moet bij de toepassing van dit wetsartikel terughoudend zijn. Naar vaste rechtspraak is voor het aannemen van rechtsverwerking enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan:
a. bij IDL het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [appellanten] de aanspraak niet (meer) geldend zal maken, of
b. IDL in haar positie onredelijk zou worden benadeeld in geval [appellanten] de aanspraken alsnog geldend zou maken.
Omdat het hier gaat om de dwingendrechtelijke bescherming van werknemers bij overgang van een onderneming en deze regeling van openbare orde is, legt de toch al terughoudende toets die gehanteerd moet worden extra gewicht in de schaal. Voor werknemers geldt bovendien dat sprake is van een gezagsverhouding die van invloed is op de (on)mogelijkheid om zich op rechten te beroepen ten opzichte van de werkgever. Dit betekent dat de lat voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking in deze zaak zeer hoog ligt.
3.27
Bij de toepassing van deze maatstaf ten aanzien van het beroep op rechtsverwerking stelt het hof het volgende voorop. IDL had zich als overnemende partij op de hoogte moeten stellen van de rechtsposities van de werknemers die zij overnam. Dat geldt ook, of misschien wel juist, als het klopt dat de vervreemdende partij een gebrekkige personeelsadministratie had zoals IDL stelt. IDL had bij de overnameonderhandelingen de daarmee gepaard gaande risico’s kunnen inventariseren en die zo nodig in de overnameovereenkomst kunnen afdekken met garantiebepalingen. Zoals hiervoor is overwogen is niet gebleken dat IDL afdoende onderzoek heeft gedaan naar de arbeidsvoorwaarden van de werknemers die na de overgang van de onderneming bij haar in dienst kwamen. Daarom komen de omstandigheid dat zij niet op de hoogte was van de incorporatiebedingen in de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van Mol (voorheen Wassing) en de gevolgen daarvan in beginsel voor haar risico.
3.28
Tegen de hiervoor geschetste achtergrond en gelet op de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de Richtlijn oordeelt het hof dat IDL geen, althans onvoldoende, concrete gedragingen heeft gesteld op grond waarvan zij het vertrouwen mocht hebben dat [appellanten] zou afzien van de rechten die door de overgang van de onderneming zijn overgegaan, waaronder een beroep op het dynamisch incorporatiebeding (zie 3.24 onder a). Volgens haar zijn er twaalf concrete momenten waarop de werknemers correct waren geïnformeerd over de arbeidsvoorwaarden en waarop zij de rechten en plichten uit het nieuwe arbeidsvoorwaardenpakket hebben ontvangen. Zij hebben deze arbeidsvoorwaarden tot 5 juli 2019 zonder protest behouden. [appellanten] betwist dat en stelt dat het arbeidsvoorwaardenpakket juist steeds het gespreksonderwerp was. Het hof overweegt allereerst dat ‘behouden zonder protest’ duidt op een stilzitten en niet op een gedraging op grond waarvan bij IDL vertrouwen gewekt zou zijn. Daarbij komt dat alle door IDL genoemde momenten als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat deze ervan uitgaan dat [appellanten] respectievelijk de werknemers haar hadden moeten wijzen op (de gevolgen van) het dynamisch incorporatiebeding. Dit verwijt staat op gespannen voet met het hiervoor onder 3.27 genoemde uitgangspunt dat IDL daarvan zelf op de hoogte had moeten zijn. IDL benoemt verder nog overleg- en onderhandelingsmomenten met de Ondernemingsraad en (de klankbordgroep van) FNV die gaan over de harmonisering van arbeidsvoorwaarden, een mogelijke ondernemings-cao en (later) een nieuw FUWA/beloningssysteem. Dat zijn gesprekken geweest over de (door IDL gewenste) aanpassing van collectieve arbeidsvoorwaarden die in de toekomst zouden gaan gelden. Maar daaruit blijkt niet dat geldende rechten van individuele werknemers zonder meer zijn of zouden worden opgegeven. In dit verband voert IDL nog aan dat [appellant2] en [appellant3] een bijzondere positie hadden, omdat zij respectievelijk kaderlid van de FNV en lid van de Ondernemingsraad waren en dus op de hoogte van de inhoud van de besprekingen. IDL kan [appellant2] en [appellant3] dat niet tegenwerpen, omdat zij aan de overleggen hebben deelgenomen in hun rol als kaderlid en ondernemingsraadslid en zij hun vorderingen instellen als werknemers. Overigens heeft IDL ook ten aanzien van hen geen concrete gedragingen gesteld op grond waarvan IDL erop mocht vertrouwen dat zij afstand zouden doen van hun rechten.
3.29
IDL voert ook aan dat zij onredelijk is benadeeld door het lange tijdsverloop tussen de overname en het beroep op het dynamisch incorporatiebeding (zie 3.26 onder b). Zij weet niet om hoeveel mensen het gaat, er ontstaat verschil in salariëring tussen verschillende groepen (rechtsongelijkheid), er zijn geen gegevens meer (Hermex heeft alles weggegooid) en het zou gezien alle (salaris)maatregelen die in de tussentijd zijn genomen ondoenlijk zijn om de salarisverhogingen uit de cao alsnog door te voeren. Deze argumenten gaan niet op. Niet gebleken is dat IDL, ook nadat het beroep van [appellanten] medio 2019 kwam, iets heeft ondernomen om te bezien op welke wijze een eventuele toewijzing van de vordering uitgevoerd zou kunnen worden. Daarnaar gevraagd op de zitting bleek dat zij nog geen uitvraag heeft gedaan om welke en hoeveel werknemers het gaat. Volgens IDL moest [appellanten] deze lijst overhandigen, terwijl [appellanten] terecht tegenwerpt dat de AVG daaraan in de weg staat. Maar daarnaast geldt dat het gaat om werknemers van IDL, zodat niet valt in te zien dat zij geen nadere gegevens kan verkrijgen. IDL heeft niet geconcretiseerd hoe het gestelde verschil in salariëring zou uitpakken, zodat gegevens over de gevolgen daarvan ontbreken. Evenmin had IDL al een globale inschatting gemaakt van de eventuele kosten of een mogelijke strategie over uitvoering. Daarom is ook de stelling dat het ondoenlijk is om de verhogingen uit de cao alsnog door te voeren niet te beoordelen. IDL heeft dus al met al haar stelling dat zij onredelijk is benadeeld op geen enkele manier concreet onderbouwd.
3.3
Het hof oordeelt dat, mede gelet op de hoge lat die geldt, het beroep op rechtsverwerking niet slaagt.
de beoordelingen van de vorderingen
3.31
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de cao een standaard-cao is. Omdat dit aspect nog niet eerder aan de orde was geweest in de procedure heeft het hof partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de vraag wat de gevolgen daarvan zijn voor de vorderingen. Zij hebben zich daarover uitgelaten bij akte.
3.32
Volgens [appellanten] is in de arbeidsovereenkomsten niet expliciet overeengekomen dat het standaardkarakter van de cao daarvan onderdeel is gaan uitmaken en dat positieve afwijking niet zou zijn toegestaan. Die afwijking is in dit geval ook geëffectueerd, aldus [appellanten] IDL meent dat op grond van het incorporatiebeding de hele cao van toepassing is. Omdat de cao een standaardkarakter heeft is afwijking daarvan, ook in voor werknemers positieve zin, niet toegestaan. IDL vindt ook dat [appellanten] ten onrechte doet aan ‘cherrypicking’. Het hof overweegt als volgt.
3.33
In deze zaak gaat het slechts over de salarisindexatie en -tredes conform de standaard-cao. Nu er wat deze onderdelen betreft geen sprake is van afwijking van de cao speelt het standaardkarakter in zoverre geen rol. De verplichtingen die voortvloeien uit deze bepalingen zijn op grond van het incorporatiebeding mee overgegaan naar IDL. Het staat [appellanten] vrij om de vordering tot dat onderdeel te beperken.
3.34
IDL stelt dat, voor zover zij gehouden zou zijn om de cao op de door [appellanten] gevorderde punten (indexatie en loontrede) te volgen, de vordering verrekend zou moeten worden met wat zij teveel heeft betaald. IDL heeft een beloningssysteem dat een andere systematiek kent dan de cao en ook andere afwijkende, voordeliger arbeidsvoorwaarden. Het zou volgens IDL hoogst onredelijk zijn als IDL de verhogingen met terugwerkende kracht aan de ex-werknemers van Wassing zou moeten betalen. Dit is onbetaalbaar en organisatorisch onuitvoerbaar.
3.35
Het hof begrijpt dat het met terugwerkende kracht berekenen van loonsverhogingen een omvangrijke klus is. Dat dit onbetaalbaar en organisatorisch onuitvoerbaar is heeft IDL niet onderbouwd. IDL is in deze positie beland doordat zij zich voorafgaand aan de overname niet voldoende heeft geïnformeerd over de arbeidsvoorwaarden van de over te nemen werknemers. Als zij dat wel had gedaan dan had zij kunnen/moeten weten dat de cao door incorporatie van toepassing was op de werknemers en zich kunnen verdiepen in de juridische gevolgen daarvan. Weliswaar was ten tijde van de overname het Asklepios-arrest nog niet gewezen, zodat toen geen volledige duidelijkheid bestond over de verplichtingen voor de overnemende partij in geval van een dynamisch incorporatiebeding. Maar dat neemt niet weg dat IDL niet wist dat deze problematiek überhaupt speelde. Als zij dat wel had geweten had zij zich van juridisch advies kunnen laten voorzien om na de overname de geëigende stappen te kunnen nemen om tot door haar beoogde wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden/beloningsstructuur te komen. IDL heeft nu werknemers nog voor de overname een nieuwe arbeidsovereenkomst laten tekenen, hetgeen niet was toegestaan (zie hiervoor).
3.36
De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest opgemerkt dat IDL mogelijkheden had om tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te komen, maar dat zij die pas na de overgang van de onderneming kon inzetten. IDL is na de overname in overleg getreden met de vakbonden en de Ondernemingsraad en heeft uiteindelijk een nieuwe beloningsstructuur voor haar onderneming vastgesteld. Maar of zij de door de Hoge Raad bedoelde wegen heeft bewandeld om zo tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden met de werknemers te komen is niet gebleken en de vraag in hoeverre de werknemers ( [appellant2] en [appellant3] ) op enigerlei wijze gebonden (kunnen) zijn aan een nieuwe beloningsstructuur ligt in deze procedure niet voor. Datzelfde geldt voor de stelling van IDL over verrekening. Een dergelijke vordering heeft zij niet ingesteld, nog daargelaten in hoeverre dat zou afstuiten op het verbod om aan pakketvergelijking te doen [4] . Partijen zouden alsnog met elkaar in overleg kunnen treden om te onderzoeken of zij een praktische oplossing kunnen vinden voor de mogelijke problemen die de uitvoering van de veroordeling kan veroorzaken. Er is inmiddels behoorlijk wat tijd verstreken na de overgang. Een deel van die tijd is veroorzaakt door de complexiteit van de materie (wat ook door [appellanten] als argument is aangevoerd waarom zij de nodige tijd heeft laten verstrijken voordat ze de vordering kenbaar heeft gemaakt) en de verdere ontwikkelingen in de jurisprudentie over dit onderwerp.
3.37
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof de vorderingen zal toewijzen. De vordering van [appellant1] over de toepasselijkheid en toepassing van de cao is voldoende bepaalbaar, nu de veroordeling ziet op een afgebakende groep werknemers, namelijk de (oud-)werknemers van Mol in wiens arbeidsovereenkomsten het dynamisch incorporatiebeding is opgenomen. De vorderingen tot betaling van achterstallig salaris van [appellant2] en [appellant3] zijn inhoudelijk door IDL niet betwist. Voor zover IDL zich verweert tegen de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten stelt het hof vast dat [appellanten] deze niet heeft gevorderd in de procedure, zodat het hof dit verweer buiten behandeling laat. Het hof ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Reden daarvoor is het tijdsverloop tussen de overname en het instellen van de vordering en de (mede daardoor) oplopende wettelijke rente. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, nu niet is gebleken dat IDL in geval van een veroordeling niet zal nakomen en met verwijzing naar wat hiervoor is overwogen.
slotsom
3.38
Het hoger beroep slaagt en het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen. IDL wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.
3.39
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
4.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 16 december 2020
4.2
verklaart voor recht dat IDL gehouden is om de in de cao Beroepsgoederenvervoer genoemde loonsverhogingen, inclusief de tredeverhoging van artikel 21 lid Pro 2a cao, toe te passen en uit te betalen aan de werknemers die door IDL op 1 april 2015 zijn overgenomen en bij wie door middel van een dynamisch incorporatiebeding sprake is van toepasselijkheid van de cao
4.3
veroordeelt IDL tot toepassing en uitbetaling van de in de cao Beroepsgoederenvervoer voorgeschreven loonsverhogingen en tredeverhogingen op de werknemers die door IDL op 1 april 2015 zijn overgenomen en bij wie door middel van een dynamisch incorporatiebeding sprake is van toepasselijkheid van de cao, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen vanaf de vervaldata
4.4
veroordeelt IDL tot betaling wegens achterstallig salaris:
- aan [appellant2] van een bedrag ter hoogte van € 4.707,04 bruto
- aan [appellant3] van een bedrag ter hoogte van € 3.536,65 bruto,
beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata
4.5
veroordeelt IDL tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
- € 499,- aan griffierecht
- € 100,89 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan IDL
- € 720,-aan salaris van de advocaat van [appellanten]
en tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep:
- € 772,- aan griffierecht bij het hof ’s-Hertogenbosch
- € 103, 83 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding in hoger beroep aan IDL
- € 136,55 aan kosten voor het betekenen van de oproeping na verwijzing
- € 3.870,- aan salaris van de advocaat van [appellanten] (3 procespunten x tarief II)
4.6
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad
4.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, C. Hoogland en R.J.A. Dil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Voetnoten

3.HvJEU 10 februari 1988, C-324/86, ECLI:EU:C:1988:72 (Daddy’s Dance Hall), punt 14-17 en HvJEU 6 november 2003, zaak C-4/01, ECLI:EU:C:2003:594 (Martin/SBU), punt 39-44
4.ECLI:EU:C:1988:72 (Daddy’s Dance Hall)