Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3208

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
200.335.773/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming deskundige voor onderzoek ICT-gegevens en onttrokken goederen in civiele procedure

In deze civiele procedure tussen [appellanten] en [geïntimeerden] heeft het hof in een tussenarrest enkele geschilpunten geanalyseerd en besloten dat een deel van de vordering tot schadevergoeding wegens onttrokken goederen toewijsbaar is, maar dat voor een groter bedrag onvoldoende bewijs is geleverd. Het hof heeft partijen verzocht aanvullende informatie te verstrekken en een deskundige te benoemen voor onderzoek naar de ICT-administratie en het e-mailarchief.

[Appellanten] hebben een lijst en video-opname overgelegd met goederen die volgens hen ontbreken, maar het hof oordeelt dat het ontbreken van goederen in 2021 onvoldoende bewijs is dat deze door [geïntimeerde1] zijn onttrokken, mede omdat [appellanten] tot september 2020 nog toegang hadden tot de loodsen. De vordering tot schadevergoeding wordt daarom beperkt tot €31.400,-.

Partijen konden geen gezamenlijke deskundige voordragen. Het hof benoemt daarom forensisch accountant drs. [naam2] RA en forensisch IT-specialist [naam4] als deskundigen. Aan hen worden gedetailleerde vragen gesteld over de back-up van de boekhouding en de overdracht van het e-mailarchief. [Appellanten] worden belast met het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek. Partijen krijgen gelegenheid te reageren op het voorschot en de aansprakelijkheidsbeperking.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 16 juni 2026 voor verdere procedure, en het hof houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Het hof wijst een deel van de vordering tot schadevergoeding toe en benoemt een deskundige voor onderzoek naar de ICT-gegevens.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.335.773/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 260642
arrest van 19 mei 2026
in de zaak van

1.[appellant1] B.V. ( [appellant1] B.V.)

die is gevestigd in [vestigingsplaats1]

2 [appellant2] -GmbH ( [appellant2] )

die is gevestigd in [vestigingsplaats2] , [gemeentenaam]

3. [appellant3] ( [appellant3] )

die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. L.J. van Gastel
en

1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

die woont in [woonplaats2]
2. [geïntimeerde2] B.V. ( [geïntimeerde2] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats3]
advocaat: mr. M.B. Bollen.

1.Het verdere verloop van de procedure bij het hof

1.1
Naar aanleiding van het arrest van 1 juli 2025 [1] hebben [appellanten] een akte uitlating en overlegging producties met 6 producties ingediend. [geïntimeerden] hebben een akte uitlating ingediend.

2.De toelichting op de beslissing van het hof

Inleiding
2.1
In het tussenarrest heeft het hof de verschillende geschilpunten tussen partijen geanalyseerd en over enkele geschilpunten knopen doorgehakt. Ten aanzien van andere geschilpunten is overwogen dat er nog het nodige moet gebeuren voordat daarop kan worden beslist. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie te verstrekken en om zich uit te laten over een onderzoek door een deskundige op het gebied van de ICT.
Onttrokken goederen
2.2
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat van de vordering van [appellanten] in elk geval € 31.400,- toewijsbaar is. De vordering van € 150.000,- is nog niet toewijsbaar. Het hof heeft meer informatie van [appellanten] nodig om deze vordering te kunnen beoordelen. [appellanten] dienen alsnog een bij de rechtbank wel maar bij het hof nog niet overgelegde lijst (productie 63) over te leggen waarop is aangegeven welke goederen in december 2021 nog aanwezig waren in de toen door [appellanten] ontruimde achterzijde van de opslagloods. Vervolgens dienen [appellanten] deze lijst te vergelijken met de lijst met goederen in het taxatierapport uit 2015 (welk rapport de grondslag vormt van de vordering) en aan te geven welke goederen ontbreken en of deze goederen wel aanwezig waren toen [geïntimeerde1] [appellanten] de toegang tot de opslagloods ontzegde.
2.3 [appellanten] hebben in hun akte toegelicht dat productie 63 een video-opname betreft. Zij hebben die opname opnieuw overgelegd. Ook hebben zij op het taxatierapport aangegeven welke goederen volgens hen ontbreken. Zij hebben dat onderbouwd met een proces-verbaal van beslaglegging uit december 2020. De daarop vermelde goederen zijn volgens hen ook in december 2021 aangetroffen. Wanneer die goederen worden ‘weggestreept’ uit het taxatierapport kan volgens hen worden vastgesteld welke goederen [geïntimeerde1] heeft onttrokken. Die goederen hebben zij gemarkeerd op het door hen opnieuw overgelegde taxatierapport. De gemarkeerde goederen hebben volgens hen een waarde van
€ 115.500,-.
2.4 Het hof volgt [geïntimeerde1] niet in het betoog dat [appellanten] niet hebben voldaan aan de opdracht van het hof om meer informatie te verstrekken. Met deze toelichting en de overgelegde stukken hebben [appellanten] daaraan wel voldaan. Er is dan ook geen reden de vordering van [appellanten] af te wijzen op de grond dat [appellanten] zouden zijn tekortgeschoten in hun verplichting nauwkeurig aan te geven welke goederen [geïntimeerde1] heeft onttrokken.
2.5 Het enkele feit dat de op een taxatierapport in 2015 vermelde goederen in december 2021 niet zijn aangetroffen levert evenwel onvoldoende bewijs op voor de stelling dat deze goederen door [geïntimeerde1] zijn weggemaakt. De goederen bevonden zich weliswaar in loodsen van [geïntimeerde1] , maar deze loodsen waren tot medio september 2020 ook toegankelijk voor [appellanten] Pas toen heeft [geïntimeerde1] deze loodsen voor [appellanten] afgesloten, volgt uit de als productie 13 bij de inleidende dagvaarding overgelegde correspondentie tussen partijen.
2.6 [appellanten] dienen te bewijzen dat [geïntimeerde1] goederen van hen heeft onttrokken. Zoals gezegd hebben zij dat bewijs niet geleverd met het taxatierapport uit 2015 en de gegevens over de goederen die in december 2020 en december 2021 in de loodsen van [geïntimeerde1] aanwezig waren. Indien [geïntimeerde1] gedurende deze gehele periode als enige toegang had tot de loodsen zou voorshands behoudens tegenbewijs kunnen worden aangenomen dat [geïntimeerde1] de in deze periode verdwenen goederen aan [appellanten] heeft onttrokken. Maar die situatie doet zich nu juist niet voor, omdat [appellanten] tot half september 2020, dus relatief kort voor de opname in december 2020 vrij toegang hadden tot de loodsen van [geïntimeerde1] . [appellanten] hebben niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de in het taxatierapport vermelde goederen medio september 2020 nog wel aanwezig waren.
2.7 Er is dan ook geen grond voor de conclusie dat het door [appellanten] te leveren bewijs voorshands behoudens tegenbewijs is geleverd. [appellanten] hebben niet (voldoende specifiek) aangeboden te bewijzen dat [geïntimeerde1] de goederen waar het nog om gaat heeft onttrokken en ook niet dat deze goederen (of een deel ervan, en welk deel het betreft) medio september 2020 nog wel in de loodsen aanwezig waren. Het hof ziet ook geen reden om [appellanten] ambtshalve tot het bewijs toe te laten. Dat betekent dat de vordering van [appellanten] tot schadevergoeding vanwege het onttrekken van deze goederen niet toewijsbaar is. [2] 2.8 Betreffende de onttrokken goederen is de vordering van [appellanten] toewijsbaar tot
€ 31.400,-, het in het eerdere tussenarrest al toewijsbaar geoordeelde bedrag.
Benoeming deskundige2.9 In het tussenarrest heeft het hof aangekondigd dat een deskundige benoemd moet worden om onderzoek te doen naar het geschil tussen partijen over overdracht van de administratie en het e-mailarchief.
2.10 Partijen hebben geen gezamenlijke voordracht gedaan betreffende de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. [appellanten] hebben voorgesteld om een deskundige van [naam1] te benoemen. Zij hebben ook een offerte van [naam1] voor een dergelijk onderzoek in het geding gebracht. [geïntimeerden] hebben terecht bezwaar gemaakt tegen de benoeming van deze deskundige. Uit de offerte volgt dat [naam1] er al vanuit gaat dat sprake is van ‘datadiefstal’ en dat [geïntimeerden] data hebben kwijtgemaakt of achtergehouden. Daarmee loopt [naam1] op de conclusies van het nog te verrichten onderzoek vooruit. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat [naam1] het onderzoek met de voor een deskundige vereiste onbevangenheid en onpartijdigheid kan verrichten.
2.11 Het hof heeft forensisch accountant drs. [naam2] RA van [naam3] B.V. benaderd. [naam2] is gerechtelijk deskundige en zijn bedrijf heeft ervaring met onderzoeken als deze. Hij heeft verklaard vrij te staan tegenover partijen en bereid te zijn om met zijn collega [naam4] , forensisch IT-specialist, een eventuele benoeming tot deskundige te aanvaarden. Het hof zal hen benoemen.
2.12 Aan de deskundigen zullen, in lijn met de in het tussenarrest vermelde vragen, en rekening houdend met de opmerkingen van [appellanten] over de vraagstelling, de volgende vragen worden voorgelegd:
1. Uit welke gegevens (naar aard, soort en categorie en uit welke periode) bestond de back-up van de boekhouding van [appellant1] B.V., [naam5] B.V., [naam6] B.V., [naam7] B.V. en [naam8] B.V., die in mei 2020 door (of in opdracht van [geïntimeerde1] ) is gemaakt?
2. Wat was de omvang (uitgedrukt in Gb) van deze gegevens?
3. Zijn al deze gegevens door [geïntimeerde1] aan [appellant3] verstrekt?
4. Zo nee, kunt u omschrijven welke gegevens (naar aard soort en categorie en uit welke periode) niet zijn verstrekt en is het nog mogelijk deze gegevens te reconstrueren?
5. Heeft [geïntimeerde1] het volledige e-mailarchief aan [appellant3] overgedragen van de accounts: [mailadres1] , [mailadres2] , [mailadres3] , [mailadres4] , [mailadres5] , [mailadres6] en [mailadres7] ?
6. Zo nee, welke onderdelen ontbreken?
7. Zijn de ontbrekende onderdelen nog te achterhalen, en zo ja op welke wijze?
8. Zijn e-mails gewist en, indien dat het geval is, zijn die nog terug te halen?
9. Zijn u bij uw onderzoek feiten en omstandigheden opgevallen die u relevant vindt om te melden?
2.13 Het hof gaat ervan uit dat [naam9] en [naam10] , de bedrijven die tot (medio) 2020 de IT-omgeving van [appellanten] beheerden respectievelijk de software leverden, tegen betaling van een redelijke vergoeding door [appellanten] , medewerking verlenen aan het onderzoek van de deskundigen. Verder is het aan de deskundigen om te bepalen op welke wijze zij hun onderzoek willen verrichten. Het hof neemt de suggesties van [appellanten] op dit punt voor kennisgeving aan. Het is aan de deskundigen om te beoordelen of het zinvol is die suggesties (geheel of gedeeltelijk) op te volgen.
2.14 Omdat [appellanten] stellen dat [geïntimeerde1] data heeft achtergehouden en het onderzoek door de deskundige bedoeld is om die stelling te onderzoeken, zal het hof hen belasten met het voorschot op de kosten van de deskundigen. Het hof ziet in wat [appellanten] hebben aangevoerd geen reden om anders te oordelen.
2.15 De deskundigen hebben een offerte betreffende hun werkzaamheden opgesteld. Uit die offerte volgt dat zij inschatten dat [naam2] 62 uren en [naam4] 57 uren aan het onderzoek zal moeten besteden. Bij een uurtarief van € 275,- voor [naam2] € 175,- voor [naam4] , en rekening houdend met € 490,- aan verschotten, leidt dat tot een bedrag van
€ 27.515- exclusief btw, € 33.293,15 inclusief btw. Gelet daarop zou een voorschot van
€ 35.000,- op zijn plaats zijn. De deskundigen willen dat partijen instemmen met de aansprakelijksbeperking, zoals geformuleerd in de offerte.
2.16 Het hof zal voordat het de deskundigen benoemt partijen in de gelegenheid stellen te reageren op het gevraagde voorschot en op de voorwaarde dat partijen instemmen met de aansprakelijkheidsbeperking. Indien partijen zich niet met het voorschot en/of de aansprakelijkheidsbeperking kunnen verenigen, dienen zij zich ook uit te laten over een alternatief (een andere deskundige en, zo ja, wie of alsnog afzien van een deskundigenonderzoek).

3.De beslissing

Het hof:
3.1
verwijst de zaak naar de rol van 16 juni 2026 voor akte uitlating door partijen.
3.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, D.H. de Witte en A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Voetnoten

2.Grief II van [geïntimeerde1] slaagt.