Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3307

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
200.352.846
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 29 RvArt. 49 WnaArt. 22 Wet op het notarisambt
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzagevordering curator in notarisdossier bij aandelentransactie

De curator in het faillissement van een vennootschap vorderde inzage in het dossier van de notaris omtrent een aandelentransactie tussen de verkoper en koper van aandelen. De rechtbank wees deze vordering af omdat de curator geen rechtmatig belang had en de notaris een geheimhoudingsplicht heeft.

De curator stelde in hoger beroep dat hij wel een belang had om te beoordelen of de notaris zijn rol als poortwachter correct had vervuld, en dat de geheimhoudingsplicht niet op hem van toepassing was. Het hof oordeelde dat de curator onvoldoende concrete feiten had gesteld die een rechtmatig belang aannemelijk maakten en dat het functioneel verschoningsrecht van de notaris van toepassing bleef.

Het hof benadrukte dat de notaris geheimhouding moet betrachten over alles wat hem in zijn hoedanigheid is toevertrouwd, en dat de gevraagde informatie vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige gegevens bevat. De curator kon op grond van artikel 49 Wna Pro al beschikken over de akte, maar niet over andere stukken.

Daarom werd het hoger beroep verworpen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de curator veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de curator af en bekrachtigt het vonnis dat inzage in het notarisdossier wordt geweigerd vanwege gebrek aan rechtmatig belang en het functioneel verschoningsrecht van de notaris.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.846
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 316188
arrest van 26 mei 2026
in de zaak van
mr. N.J.H. Leferink in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam1] B.V.
kantoorhoudende in Hengelo (Ov.)
hierna: de curator
advocaat: mr. N.J.H. Leferink
en

1.[geïntimeerde1] B.V.

gevestigd in [vestigingsplaats]
2. [geïntimeerde2]
wonende in [vestigingsplaats]
hierna afzonderlijk: het notariskantoor en de notaris en hierna gezamenlijk: [geïntimeerden]
advocaat: mr. V.J.N. van Oijen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De curator heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 18 december 2024 [1] tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 6 maart 2025
  • twee herstelexploten
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
1.2.
Partijen hebben hierna het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
De curator is curator in het faillissement van [naam1] B.V. (hierna: [de vennootschap] ), een door de heer [naam2] (hierna: [verkoper aandelen] ) opgerichte vennootschap. De curator wil inzage in het onderzoek dat de notaris heeft verricht in het kader van de aandelentransactie tussen [verkoper aandelen] als verkoper en [naam3] (hierna: [koper aandelen] ) als koper. De curator vordert (mede als gevolmachtigde van [verkoper aandelen] ) afschrift van documenten om te kunnen controleren of de notaris zijn rol als poortwachter op juiste wijze heeft uitgevoerd.
2.2.
De curator heeft bij de rechtbank gevorderd om [geïntimeerden] te veroordelen om afschrift althans inzage te geven in de volgende bescheiden met betrekking tot de transactie die op 19 juli 2022 tussen [verkoper aandelen] en [koper aandelen] heeft plaatsgevonden:
de nota van afrekening
het volledige dossier dat aan deze transactie ten grondslag ligt (transactiedossier)
het recherchedossier en het dossier met betrekking tot het clientonderzoek van de notaris
alle correspondentie tussen de notaris c.q. zijn medewerkers enerzijds en partijen, hun adviseurs en/of andere betrokkenen anderzijds, inclusief e-mailcorrespondentie, omtrent deze transactie in de periode van drie maanden voorafgaand aan de transactie tot drie maanden na de transactie (van 19 april 2022 tot en met 19 oktober 2022).
De curator heeft verder gevorderd om hieraan een dwangsom te verbinden en [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten.
2.3.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de curator geen rechtmatig belang heeft bij de gevraagde bescheiden en dat sprake is van een geheimhoudingsplicht van de notaris. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. De curator komt met drie grieven op tegen het vonnis. Volgens de curator heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld (1) dat hij geen rechtmatig belang bij afschrift heeft, (2) dat de gevraagde bescheiden niet voldoende bepaalbaar zijn en (3) dat de vorderingen moeten worden afgewezen op grond van de geheimhoudingsplicht van de notaris.
2.4.
Het hof zal beslissen dat de curator geen gelijk krijgt in hoger beroep. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand. Dit wordt hierna toegelicht.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De relevante feiten
3.1.
[naam4] Holding B.V. (hierna: [naam4] Holding), de holding van [verkoper aandelen] , is lange tijd (groot)aandeelhouder en bestuurder geweest van [de vennootschap] .
3.2.
Op 28 juni 2022 heeft [verkoper aandelen] nagenoeg alle aandelen in [verkoper aandelen] Holding verkocht aan [koper aandelen] . De koopprijs is daarbij vastgesteld op 75% van de nettowinst van [verkoper aandelen] Holding over de boekjaren 2022 tot en met 2026. Daarbij is overeengekomen dat indien in 2026 blijkt dat over alle jaren geen nettowinst is behaald, [verkoper aandelen] dan het recht heeft de aandelen terug te kopen voor € 1,00. In de koopovereenkomst is verder bepaald dat bij de overdracht [verkoper aandelen] ontslag zal nemen als bestuurder en [koper aandelen] hem als bestuurder zal opvolgen.
3.3.
Bij akte van 19 juli 2022 zijn de aandelen van [verkoper aandelen] in [naam4] Holding aan [koper aandelen] geleverd. Deze akte is verleden ten overstaan van de notaris.
3.4.
Op 24 mei 2023 is [de vennootschap] in staat van faillissement verklaard.
De beoordeling van de inzagevordering
3.5.
Deze zaak is bij het hof aanhangig gemaakt nadat op 1 januari 2025 de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking is getreden. Op grond van artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht beoordeelt het hof de inzagevordering in hoger beroep aan de hand van de nieuwe regels.
3.6.
In artikel 195 lid 1 Rv Pro is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe aan (a) een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Op grond van het tweede lid hoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden verstrekt als sprake is van een verschoningsrecht of als gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Deze bepalingen zijn op grond van artikel 204 Rv Pro van overeenkomstige toepassing op een verzoek voorafgaand aan een procedure (als bedoeld in artikel 196 lid 1 Rv Pro).
3.7.
De curator heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij een belang heeft bij afschrift omdat alleen op basis van de gevraagde gegevens kan worden bepaald of de notaris aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit zijn rol als poortwachter heeft voldaan en zo niet, welke vorderingen hieruit mogelijk voortvloeien voor de curator en/of [verkoper aandelen] op basis van onrechtmatige daad dan wel op basis van wanprestatie. Omdat niet al te lichtzinnig moet worden overgegaan tot het indienen van een klacht op basis van enkele aanwijzingen moeten eerst de feiten helder zijn. De gevraagde gegevens zijn volgens de curator daarom relevant voor de beoordeling van de rechtspositie van de curator c.q. [verkoper aandelen] jegens de notaris.
3.8.
In eerste aanleg had de curator naar voren gebracht dat er diverse
red flagszijn die de notaris in zijn cliëntenonderzoek had moeten betrekken. De curator heeft in de inleidende dagvaarding erop gewezen dat de aandelen zijn verkocht tegen een koopprijs van € 0 althans tegen een koopprijs die geheel was uitgesteld en afhankelijk van toekomstige resultaten, dat er is verkocht aan een partij die niet uit de branche afkomstig is, dat onduidelijk is hoe de koopprijs tot stand is gekomen en wat het reden en de doel van de aankoop is geweest en dat het erop lijkt dat de transactie door een derde, de vader van [koper aandelen] , is geregisseerd. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd betwist dat van enige
red flagsprake is geweest en hebben onder meer erop gewezen dat de notaris over de koopprijs navraag heeft gedaan bij de accountant, dat de aandelenoverdracht heeft plaatsgevonden in de grootmoeder van [de vennootschap] en dat het faillissement pas is uitgesproken bijna een jaar nadat de overdracht had plaatsgevonden.
3.9.
Het hof is van oordeel dat de curator niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een voldoende belang heeft bij de gevraagde gegevens. De curator komt in deze procedure met vermoedens dat sprake is geweest van een oneigenlijke transactie met behulp van katvangers en dat de notaris hiervoor onvoldoende oog heeft gehad. De curator is in hoger beroep echter niet (kenbaar) opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen enkele aanwijzing is dat de notaris wist dat de vader van [koper aandelen] bij de aandelentransactie betrokken is geweest en dat de notaris wist dat [koper aandelen] diens zoon was. Verder is niet (kenbaar) opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat [verkoper aandelen] de koopprijs zelf heeft uit onderhandeld en een vaste cliënt van [geïntimeerden] was. Het hof neemt dit daarom tot uitgangspunt. Bij die stand van zaken en gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerden] dat ten tijde van de transactie sprake was van een
red flagheeft de curator onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld, waaruit een voldoende belang kan blijken bij de gevraagde gegevens.
3.10.
Het hof is daarnaast van oordeel dat ook het bestaan van een verschoningsrecht aan toewijzing van de vordering in de weg staat. De curator heeft in hoger beroep aangevoerd dat de geheimhoudingsplicht niet van toepassing is jegens partijen die bij de transactie betrokken waren, zoals in dit geval [verkoper aandelen] voor wie de curator als lasthebber optreedt. Bovendien strekt de geheimhoudingsplicht van de notaris zich volgens de curator alleen uit tot datgene waarvan de wetenschap hem als notaris is toevertrouwd. Aangezien de opdracht in dit geval slechts zag op de uitvoering van de koopovereenkomst bestaande uit de levering van de aandelen, kan hij geen beroep op geheimhouding doen. Ten slotte kan aan het belang bij (verdere) geheimhouding tegemoet worden gekomen door op grond van artikel 29 Rv Pro voorwaarden te verbinden aan de afgifte, aldus steeds de curator. Deze argumenten van de curator overtuigen het hof om de navolgende redenen niet.
3.11.
Degenen die een beroep kunnen doen op het functioneel verschoningsrecht hoeven niet mee te werken aan het verstrekken van informatie die zij uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking onder zich hebben en geheim moeten houden of die hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. Met het functioneel verschoningsrecht wordt gewaarborgd dat geen inzage, afschrift of uittreksel van gegevens hoeft te worden verstrekt als uit de inhoud, strekking of totstandkomingsgeschiedenis van een wettelijke bepaling duidelijk blijkt dat een uitdrukkelijke afweging is gemaakt dat informatie vertrouwelijk moet blijven. [2]
3.12.
In artikel 22 Wet Pro op het notarisambt (Wna) is bepaald dat een notaris, voor zover niet bij wet anders is bepaald, ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt tot geheimhouding is verplicht. Een notaris komt uit hoofde van zijn beroep een functioneel verschoningsrecht toe ten aanzien van wat de notaris als zodanig is toevertrouwd. [3] Bij de beoordeling van de reikwijdte van het aan een notaris toekomende verschoningsrecht is uitgangspunt dat alles waarvan de wetenschap aan een notaris als zodanig is medegedeeld, heeft te gelden als aan hem toevertrouwd; daarbij moet het in beginsel aan de notaris zelf worden overgelaten om te beoordelen of hetgeen aan hem is medegedeeld, heeft te gelden als aan hem toevertrouwd. [4] Er kunnen gronden bestaan voor afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt dat mededelingen hebben te gelden als aan de notaris toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als partijen twisten over de vraag naar de totstandkoming of uitleg van een transactie en de notaris gevraagd wordt over feiten daaromtrent een getuigenis af te leggen. [5] Een dergelijke situatie is hier echter niet aan de orde. [geïntimeerden] hebben erop gewezen dat de gevraagde informatie vertrouwelijk is en persoonlijke en bedrijfsgevoelige informatie over de koper bevat. Gelet hierop komt het hof tot de conclusie dat sprake is van informatie die aan de notaris is toevertrouwd. Het beroep op het verschoningsrecht is gegrond.
3.13.
Ten slotte gaat ook de verwijzing van de curator naar artikel 49 Wna Pro niet op. Op grond van deze bepaling kan een afschrift van de akte worden verkregen. Hierover beschikt de curator al. Terecht wijzen [geïntimeerden] er op dat op grond van deze bepaling geen afschrift van andere stukken kan worden verkregen.
3.14.
Aangezien het hof van oordeel is dat het beroep op het verschoningrecht slaagt, bestaat voor het toepassen van voorwaarden als bedoeld in artikel 29 Rv Pro, zoals door de curator is bepleit, geen aanleiding.
De conclusie
3.15.
Gelet op het voorgaande hoeft de tussen partijen gevoerde discussie of de gevorderde gegevens voldoende bepaald zijn, geen bespreking meer. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat de curator in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [6]
3.16.
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 18 december 2024;
4.2.
veroordeelt de curator tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 827,- aan griffierecht
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (1 procespunt x het toepasselijke tarief II)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en bepaalt dat als er niet op tijd wordt betaald, de kosten dan worden verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Bakker, G.R. den Dekker en A.C.M. Kuypers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

Voetnoten

2.Kamerstukken II 2019–2020, 35 498, nr. 3, blz. 51.
3.HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173.
4.HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4533.
5.HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690.
6.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.