ECLI:NL:GHARL:2026:3308

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
200.357.109/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 14 WahvArt. 12 WahvArt. 6 EVRMArt. 7:28 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing proceskostenvergoeding in bestuursstrafzaak Wahv

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de proceskostenvergoeding van de officier van justitie ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de toepassing van artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en de vraag of het bedrijfsmodel van de gemachtigde een bijzonder geval vormt dat een afwijking van de standaard proceskostenvergoeding rechtvaardigt.

Het hof oordeelde dat het appelverbod buiten toepassing moest worden gelaten omdat de betrokkene niet deugdelijk was opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Vervolgens werd het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie inhoudelijk beoordeeld.

De gemachtigde voerde aan dat zijn bedrijfsmodel, als Legal Tech softwareontwikkelaar met een divers verdienmodel en slechts elf procent no cure no pay zaken, niet onder de beperkende maatregel van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv valt. Het hof stelde echter vast dat de gemachtigde niet voldoende bewijs leverde dat de proceskostenvergoedingen niet de redelijke kosten van de procedures ver overtreffen. De financiële gegevens waren onvoldoende gespecificeerd om de kosten toe te rekenen aan de gewonnen procedures.

Daarom werd geoordeeld dat het bedrijfsmodel niet als bijzonder geval kan worden aangemerkt en dat de officier van justitie terecht artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toepaste. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.357.109/01
CJIB-nummer
: 263746291
Uitspraak d.d.
: 27 mei 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
Op 30 december 2025 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
Op 7 januari 2026 zijn stukken van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 8 januari 2026. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam].
Ter zitting is de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld nadien nog een reactie te geven op de brief van 30 december 2025 en de overgelegde stukken. Op 6 februari 2026 is deze reactie ontvangen. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen op deze reactie te reageren.
Op 9 maart 2026 heeft de gemachtigde van de betrokkene daarop gereageerd. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De officier van justitie heeft de inleidende beschikking in administratief beroep vernietigd en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de kantonrechter een beslissing heeft genomen zonder de gemachtigde uit te nodigen voor een zitting.
4. In artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten.
5. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde gerichte oproep voor de zitting van de kantonrechter op 8 mei 2025. Uit het dossier blijkt niet dat deze brief aangetekend is verzonden. Ook is niet gebleken van een deugdelijke verzendadministratie. Het hof kan daarom niet vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daarmee is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Het voorgaande brengt mee dat het hof het appelverbod buiten toepassing zal laten.
6. Het beroep richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter over de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding. De officier van justitie heeft bij de vaststelling van de hoogte van die vergoeding toepassing gegeven aan artikel 13a, tweede lid, van de Wahv.
7. De advocaat-generaal stelt zich primair op het standpunt dat er geen belang bestaat bij de beoordeling van de gronden van de gemachtigde door het hof.
8. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 12 december 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:7974) is het hof van oordeel dat sprake is van een procesbelang.
9. Gelet op wat onder 5. is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
10. De gemachtigde voert aan dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet van toepassing is in de fase van het administratief beroep, omdat een vergoeding in die fase wordt toegekend op grond van artikel 7:28 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 13a, eerste lid, van de Wahv is ondubbelzinnig: ‘De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd…’. De wetgever heeft gekozen voor een dwingende formulering. De bevoegdheid om een proceskostenveroordeling uit te spreken op grond van dit artikel ligt exclusief bij de rechterlijke macht. Een lex specialis vereist een expliciete afwijking van de algemene regel voor het specifieke geval en die ontbreekt. De officier van justitie is daarmee aangewezen op de algemene regeling van artikel 7:28 van Pro de Awb, die geen basis biedt voor de factor 0,25. De onbevoegdheid van de officier van justitie wordt verder onderstreept door de systematiek van artikel 13a van de Wahv zelf. Het tweede lid wijst dwingend terug naar de kosten bedoeld in het eerste lid. Dat dit geen vergetelheid van de wetgever is, blijkt uit het derde lid van artikel 13a van de Wahv. Daar wordt de beslissing op het administratief beroep wel expliciet genoemd in een andere context. De wetgever heeft dus bewust gedifferentieerd. Het is niet aan de rechter om de wet te herschrijven op basis van doelmatigheidsoverwegingen. Nu vaststaat dat de wetgever heeft nagelaten een wettelijke grondslag te creëren voor de officier van justitie in de Wahv, mag dit niet door de rechter worden gerepareerd middels een interpretatie contra legem.
11. Onder verwijzing naar voormeld arrest van het hof treft dat wat de gemachtigde aanvoert geen doel.
12. Het hof heeft in het arrest van 3 november 2025 geoordeeld dat er geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:985) omdat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde één of meer van de in dat arrest genoemde kenmerken niet heeft.
13. De gemachtigde stelt in de onderhavige zaak naar aanleiding van dat arrest dat Appjection B.V. wel een bijzonder geval is in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Aangezien het hof heeft aangegeven te beschikken over te weinig informatie, geeft de gemachtigde openheid van zaken, inclusief bedrijfseconomische informatie. De gemachtigde voert kort samengevat het volgende aan. Appjection B.V. kwalificeert zich niet als het type no cure no pay bureau dat de wetgever en de Hoge Raad voor ogen hadden bij het formuleren van de beperkende maatregelen. Niet wordt voldaan aan de cumulatieve vereisten uit het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad. Appjection B.V. is een Legal Tech softwareontwikkelaar en dienstverlener. De kernactiviteit is het ontwikkelen van software voor zakelijke wagenparkbeheerders om boetes administratief te verwerken. De juridische entiteit Appjection B.V. opereert onder twee handelsnamen, die elk een eigen marktsegment, waardepropositie en verdienmodel bedienen. ‘The Fine Hub’ (B2B) richt zich op de zakelijke markt en biedt via haar platform drie manieren om boetes te verwerken. Het merk ‘Appjection’ (B2C) richt zich op de individuele automobilist, die beroep wil instellen tegen een opgelegde sanctie. Er is geen sprake van een ‘procesfabriek’ met standaardteksten, maar van geavanceerde, op de zaak toegespitste rechtsbijstand, ondersteund door software. De cliënt is actief betrokken en volledig eigenaar van zijn zaak. Het verdienmodel is niet uitsluitend gebaseerd op no cure no pay, gezien de dominante rol van de overige dienstverlening. Slechts elf procent van de zaken heeft een zuiver no cure no pay karakter. Dit maakt dat het toepassen van de generieke kortingsmaatregel op de gehele praktijkvoering van de gemachtigde onhoudbaar is. De overgelegde financiële analyse weerlegt het vermoeden van overcompensatie. De maatregel is bedoeld om perverse prikkels en excessieve winsten weg te nemen. Bij de gemachtigde ontbreken deze. De maatregel straft innovatie en efficiency af en brengt de laagdrempelige toegang tot het recht voor de burger ernstig in gevaar. De winst in 2025 is een incidentele anomalie, veroorzaakt doordat het Parket CVOM duizenden oude dossiers wegens termijnoverschrijdingen in één keer heeft afgedaan. De kosten voor deze zaken zijn in eerdere jaren genomen. De aanname dat elke gewonnen zaak tot een uitbetaalde vergoeding leidt, is onjuist. Een deel van de aan de betrokkene uitbetaalde proceskostenvergoedingen is oninbaar voor de gemachtigde.
14. De advocaat-generaal stelt zich kort samengevat op het standpunt dat de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijfsmodel, voor zover dit ziet op Appjection, kan worden aangemerkt als een bijzonder geval in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv.
15. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde, zoals hier, inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskotenvergoedingen aan de gemachtigde wordt afgedragen, zal moeten worden beoordeeld worden of dit bedrijfsmodel voldoet aan het criterium dat de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde wordt afgedragen en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de bedoelde kosten verre overtreft (vgl. het arrest van het Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670).
16. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde niet geslaagd in het leveren van bewijs dat zijn bedrijfsmodel niet eruit bestaat dat procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. De gemachtigde heeft inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel en financiële gegevens overgelegd. Daaruit blijkt wat hij in 2025 in totaal aan proceskostenvergoedingen heeft ontvangen en zijn (totale) kosten, maar uit die gegevens blijkt niet welke kosten kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop de proceskostenvergoedingen betrekking hebben, dus op de gewonnen procedures. Aldus is niet gebleken dat het totale bedrag van de proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de in redelijkheid gemaakte kosten niet ver overtreft. Dat volgens de gemachtigde van de betrokkene slechts elf procent van de zaken zuiver no cure no pay is, doet aan het voorgaande niet af. Ook de omstandigheid dat het jaar 2025 voor wat betreft de toegekende proceskostenvergoeding niet representatief zou zijn, maakt het voorgaande niet anders. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend (vgl. ov. 3.4.3 van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad). Bij deze stand van zaken is niet buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde met het oog op het vaststellen van een proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld.
17. De officier van justitie heeft artikel 13a, tweede lid, van de Wahv terecht toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ongegrond verklaren. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.