Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3419

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
23/2563
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 SWArt. 35b SWArt. 35c SWArt. 3.2 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt afwijzing bedrijfsopvolgingsregeling bij erfbelasting vastgoedverhuur

Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake de aanslag erfbelasting over de verkrijging van aandelen in een vastgoedbedrijf na het overlijden van de erflater in 2016. De kern van het geschil betrof de vraag of de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van toepassing is, hetgeen afhankelijk is van de vraag of sprake is van een materiële onderneming.

De rechtbank oordeelde dat de onderneming geen materiële onderneming dreef, omdat de werkzaamheden rondom verhuur en beheer van onroerende zaken niet het normale vermogensbeheer overstijgen en het rendement niet hoger was dan bij normaal vermogensbeheer. Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat er meer arbeid werd verricht en dat het rendement hoger was, onder meer door opruimwerkzaamheden en huurdersinvesteringen.

Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank. De werkzaamheden waren niet van dien aard en omvang dat zij het normale vermogensbeheer overstegen en het rendement was niet aannemelijk hoger. Ook de waarde van het vastgoed werd door het hof vastgesteld op de door de Belastingdienst geaccordeerde taxatiewaarde. De verzoeken tot matiging van belastingrente werden afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag erfbelasting blijft ongewijzigd zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2563
uitspraakdatum: 27 mei 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 juli 2023, nummer ARN 21/3551, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Groningen(hierna: de Inspecteur).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
De Inspecteur heeft met dagtekening 9 juli 2019 aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging in het jaar 2016 van € 1.764.687 (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking € 23.186 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het tegen de aanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een bedrag berekend naar een belaste verkrijging van € 1.249.211. De belastingrente is daarbij verminderd tot een bedrag van € 13.462.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een bedrag berekend naar een belaste verkrijging van € 1.245.731 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft zij de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2025. Daarbij is belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde mr. O.R. van Dijk LL.M en [erfgenaam1] , verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen, [naam1] en [naam2] . De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met het hofkenmerk BK-ARN 23/2564.
1.6
Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
1.7
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.De vaststaande feiten

2.1
Op 19 november 2016 is [naam3] (erflater) overleden. Erflater heeft bij testament op 5 juni 2015 over zijn nalatenschap beschikt. Tot de erfgenamen zijn benoemd zijn zoon en dochter (belanghebbende), ieder voor een gelijk deel. Tevens heeft erflater zaken gelegateerd aan [legataris1] , [legataris2] [legataris3] en [legataris4] . Erflater had sinds 1998 een relatie met [legataris1] .
2.2
Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in de vennootschap [onderneming1] . [onderneming1] is op 28 juni 1993 opgericht door erflater onder de naam [onderneming2] Erflater was tot aan zijn overlijden enig aandeelhouder van [onderneming1] .
2.3
[onderneming1] was enig aandeelhouder van [onderneming3] was enig aandeelhouder van [onderneming4] en [onderneming5] Erflater was ook enig aandeelhouder van [onderneming6]
2.4
[onderneming3] , [onderneming4] , [onderneming5] en [onderneming6] zijn per 21 augustus 2015 in het kader van een fusie als verdwijnende vennootschappen onder algemene titel overgegaan naar [onderneming1] als verkrijgende vennootschap.
2.5
Tot de bezittingen van [onderneming1] behoorden op 19 november 2016 de volgende in [vestigingsplaats] gelegen onroerende zaken: [adres1] , [adres2] , [adres3] , [adres4] , [adres5] , [adres6] , [adres7] en [adres8] .
2.6
De objecten [adres1] en [adres2] werden niet verhuurd, maar gebruikt door [onderneming1] zelf. De overige objecten werden verhuurd. De objecten [adres8] waren in gebruik bij een gravelbrekerij. Deze onderneming was van erflater en is sinds 2015 verhuurd aan [onderneming7] Deze onderneming, inclusief het onroerend goed, is op 23 maart 2018 geleverd aan [onderneming7]
2.7
[onderneming1] had de volgende werknemers in dienst: erflater, [legataris1] en [werknemer]
2.8
De erfgenamen hebben op 6 december 2017 een aangifte erfbelasting ingediend. In de aangifte is als bezitting onder meer een ondernemingsvermogen van € 3.179.273 aangegeven, dat ziet op de aandelen van erflater in [onderneming1] . Verder is in de aangifte een verzoek om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling gedaan. Bij het vaststellen van het ondernemingsvermogen is rekening gehouden met een waarde van de onroerende zaken van € 2.638.000, een waarde van de overige bezittingen van € 942.262, een vennootschapsbelastinglatentie (vpb-latentie) van € 337.426 en kortlopende schulden van € 64.063. De waarde van de onroerende zaken is gebaseerd op een taxatie van [makelaar1] . De vpb-latentie is gebaseerd op 20% van de in de onroerende zaken opgenomen stille reserve van € 1.687.130, uitgaande van een boekwaarde van € 951.370.
2.9
De aanslag erfbelasting is met dagtekening 9 juli 2019 opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is het aangegeven ondernemingsvermogen gevolgd maar is de bedrijfsopvolgingsregeling niet toegepast.
2.1
Bij brief van 13 augustus 2019 is bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Hierbij is onder meer het standpunt ingenomen dat de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing is, dat de waarde van de onroerende zaken te hoog is en moet worden vastgesteld op € 1.816.500. Hierbij is verwezen naar een taxatierapport van [makelaar2] . Taxateurs van de Belastingdienst hebben met deze waarde ingestemd. Ook is door belanghebbende het standpunt ingenomen dat voor de vpb-latentie moet worden uitgegaan van 25% over de stille reserves.
2.11
In de bezwaarfase heeft de Inspecteur de aanslag verminderd, maar de bedrijfsopvolgingsregeling niet toegepast. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een waarde van de onroerende zaken van € 1.816.500, waarbij de totale (getaxeerde) waarde van de verhuurde onroerende zaken € 1.227.500 bedraagt. De Inspecteur is uitgegaan van een vpb-latentie van 20% over de stille reserves en heeft het ondernemingsvermogen vastgesteld op € 2.521.673. De Inspecteur heeft een belaste verkrijging van € 1.249.211 in aanmerking genomen, zijnde 50% van de nalatenschap na legaten verminderd met de in aanmerking te nemen vrijstelling.
2.12
In bijlage 8.2 van het beroepschrift is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“ [vestigingsplaats] , 28 oktober 2020
Hierbij verklaar ik, [naam4] van [bedrijf] huurder van
[adres7] het volgende:
a. In overleg met de verhuurder zijn er huurdersinvesteringen gedaan in het
gehuurde, [adres7]
b. Deze investeringen zijn:
a. Tussenwanden
b. Stoffering
c. Airconditioning
c. Deze investeringen zijn door ons overgenomen van de vorige huurder in 2015.
d. Door de (overgenomen) huurdersinvestering hebben wij een lagere huur kunnen
overeenkomen met verhuurder.
e. Bij het einde van de huur zullen de hiervoor bedoelde investeringen achterblijven
in het gehuurde, tenzij verhuurder en huurder anders overeenkomen.”

3.Het geschil en conclusies van partijen

3.1
In geschil is of de aanslag erfbelasting tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek gaat het om het antwoord op de vraag of de bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: BOR) op grond van artikel 35b en artikel 35c Successiewet 1956 (hierna: SW) van toepassing is op de erfrechtelijke verkrijging van de aandelen in [onderneming1] . Daarnaast is in geschil of de waarden van de onroerende zaken onjuist zijn vastgesteld, hetgeen van belang is voor de bepaling van de waarde van de aandelen [onderneming1] en of de belastingrente dient te worden gematigd.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.
3.2
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende haar beroep op het gelijkheidsbeginsel ingetrokken. Deze stelling houdt in dat de Belastingdienst ten aanzien van het kortstondig verhuren van vastgoed als een bed & breakfast erkent dat sprake kan zijn van winst uit onderneming vanwege de aanvullende diensten (het aanbieden van een ontbijt) en dat dit dan ook heeft te gelden voor de verhuurwerkzaamheden binnen [onderneming1] .
3.3
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de veroordeling in de proceskosten en het griffierecht, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.
3.4
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.5
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het bij deze uitspraak gevoegde proces-verbaal van de zitting.

4.Beoordeling van het hoger beroep

Getuigenaanbod
4.1
Belanghebbende verzoekt, om de juistheid van de aangevoerde beroepsgronden aan te tonen en/of voor zover het Hof zal oordelen dat op belanghebbende enige bewijslast rust, haar in de gelegenheid te stellen [werknemer] en [erfgenaam1] te horen. Het Hof oordeelt dienaangaande als volgt. Indien een aanbod tot getuigenbewijs is gedaan, kan de rechter in beginsel volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod, bijvoorbeeld door de belanghebbende(n) in de uitnodigingsbrief voor het onderzoek ter zitting te wijzen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. Op 22 april 2025 is aan partijen een digitaal bericht verzonden met daarin de uitnodiging voor de zitting op 25 juni 2025. Dit bericht bevat een zodanige mededeling. Het Hof is niet gebleken van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij heeft nagelaten deze getuigen op te roepen, zodat dit getuigenaanbod reeds hierom onbehandeld is gelaten. Belanghebbende zelf wordt in haar eigen zaak niet als getuige gehoord omdat er geen aanleiding bestaat om, zonder daartoe strekkende wettelijke bepaling, aan te nemen dat een partij in belastingzaken als getuige kan worden gehoord. Anders dan in het burgerlijk proces bestaat in belastingzaken in mindere mate de behoefte aan het horen van een der partijen als getuige omdat de rechter die over de feiten oordeelt, bevoegd is een ter zitting afgelegde verklaring van een der partijen als bewijs te bezigen indien hij die verklaring aannemelijk acht. [1]
Inhoudelijk
4.2
Het Hof stelt voorop dat als wettelijk uitgangspunt geldt dat op grond van artikel 1, lid 1, ten eerste, SW erfbelasting wordt geheven over de waarde van al hetgeen krachtens erfrecht is verkregen door het overlijden van iemand die op het tijdstip van zijn overlijden in Nederland woonde. En, in het geval dat tot die verkrijging ondernemingsvermogen behoort, op grond van artikel 35b SW onder voorwaarden een voorwaardelijke vrijstelling wordt verleend. Onder verkrijging van ondernemingsvermogen wordt (ook) verstaan de verkrijging van vermogensbestanddelen die bij de erflater behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 van de Wet IB, mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een materiële onderneming drijft als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001. Daarbij heeft te gelden dat slechts als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van de vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is aan die onderneming en het beleggingsvermogen van dat lichaam tot maximaal 5% van de waarde toerekenbaar is aan de onderneming (artikel 35c, lid 1, aanhef en onderdeel c, SW).
4.3
De Rechtbank heeft geoordeeld dat [onderneming1] ten tijde van het overlijden van erflater geen materiële onderneming dreef. Met betrekking tot de exploitatie van de onroerende zaken die aan [onderneming1] toebehoorden is de Rechtbank van oordeel dat met de uitgevoerde werkzaamheden er geen sprake was van arbeid die naar aard en omvang onmiskenbaar het doel heeft het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. Daarnaast acht de Rechtbank het door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat met de verhuur van de onroerende zaken een rendement is behaald dat hoger is dan een rendement dat zou behaald zijn bij normaal vermogensbeheer. Belanghebbende heeft volgens de Rechtbank dan ook geen recht op toepassing van de BOR. De (tegengestelde) standpunten van beide partijen met betrekking tot de hoogte van de vpb-latentie die dient te worden gehanteerd bij de berekening van de waarde van de aandelen [onderneming1] wordt door de Rechtbank verworpen, met uitzondering van een door de Inspecteur niet bestreden hogere vpb-latentie van € 6.960 die ziet op de onroerende zaak aan de [adres8] . Hierdoor is het beroep gegrond verklaard en is de aanslag verminderd.
4.4
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de door [onderneming1] in eigen beheer, met behulp van ingeschakelde derden, verrichte opruimwerkzaamheden van door een gefailleerde huurder onbevoegd opgeslagen chemische stoffen, te beschouwen zijn als werkzaamheden die het normale vermogensbeheer te boven gaan. Dat erflater als beheerder van de onroerende zaken ook op het terrein van die onroerende zaken woonde, leidt volgens belanghebbende tot lagere onderhoudskosten en betere verhuurbaarheid. Ook voert zij aan dat (verbouwings)werkzaamheden van huurders aan [onderneming1] dienen te worden toegerekend en dat dit tot een hoger indirect rendement leidt. Uit de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte rendementsberekening blijkt volgens haar dat het rendement van [onderneming1] aanmerkelijk hoger is dan het rendement van de IPD Vastgoedindex, zodat aannemelijk is gemaakt dat de verrichte werkzaamheden tot een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer leiden.
4.5
Met betrekking tot de opruimwerkzaamheden en het feit dat erflater als beheerder woonachtig was op het terrein van de onroerende zaken in [vestigingsplaats] is de Inspecteur van mening dat deze werkzaamheden niet het normale vermogensbeheer overstijgen. De Inspecteur bestrijdt dat [onderneming1] de huurdersinvestering voor 2015 heeft overgenomen in ruil voor vermindering van de huur, dat de verbouwingswerkzaamheden (aanbrengen stoffering, plaatsen van tussenwanden en het installeren van een airco) voor rekening van [onderneming1] zijn gekomen en dat dit in de toekomst tot een hoger indirect rendement zal leiden. De Inspecteur bestrijdt ook dat de rendementsberekening van belang is aangezien de verrichte werkzaamheden niet meer omvatten dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Voor zover het rendement wel van belang zou zijn, bestrijdt hij op diverse gronden de juistheid van de berekening van belanghebbende.
4.6
Het Hof oordeelt als volgt. Er is sprake van een materiële onderneming, zoals bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001 (zie 4.2) indien een organisatie van kapitaal en arbeid is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om winst te behalen. Bij de exploitatie van onroerende zaken geldt dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien de arbeid naar aard en omvang meer heeft omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer en deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die zich beroept op de BOR, feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken die leiden tot de conclusie dat de BOR van toepassing is.
4.7
Tussen partijen is niet in geschil dat de (beoogde) hoofdactiviteiten van [onderneming1] de bouw- en verbouw van vastgoed, de verhuur van vastgoed en de aan- en verkoop van vastgoed betreffen. Met betrekking tot de bouw en verbouw van vastgoed verwijst belanghebbende naar een door een huurder verrichte verbouwing. Van aan- en verkoop van vastgoed is in de periode 2012-2016 geen sprake geweest. Wel is een deel van het vastgoed door [onderneming1] verhuurd. Tussen partijen is ook in hoger beroep niet in geschil dat erflater zich bezighield met de verhuur, het beheer, het toezicht, de algemene en financiële zaken, de bedrijfsprocessen, het onderhouden van contacten, het debiteurenbeheer en de controle van de andere medewerkers. [legataris1] hield zich bezig met het opstellen van huurovereenkomsten, het contact met de huurders, het debiteurenbeheer, klachtenbehandeling, administratieve taken en postverwerking, terwijl [werknemer] zorg droeg voor het toezicht, het verrichten van klein onderhoud en het oplossen van technische storingen, de coördinatiewerkzaamheden van uitbesteed onderhoud, het toezicht houden op verbouwingswerkzaamheden van huurders, het onderhoud van technische installaties en het opruimen van verhuurde terreinen. Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank aangegeven dat [erfgenaam1] de werkzaamheden, na het overlijden van erflater, van [werknemer] en [legataris1] heeft overgenomen en dat dit hem twee à drie dagen per week kost.
Aan- en verkoop
4.8
Het Hof zal in eerste instantie per activiteit beoordelen of er sprake is van een onderneming [2] . Aangezien van aan- en verkoop in de periode 2012-2016 geen sprake is geweest en er overigens door belanghebbende daaromtrent onvoldoende is aangedragen, kan er met betrekking tot deze beoogde activiteiten in [onderneming1] geen sprake zijn van arbeid die naar aard en omvang meer heeft omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer.
Bouw en verbouw
4.9
Met betrekking tot de bouw en verbouw van vastgoed heeft belanghebbende gewezen op de verbouwingswerkzaamheden die door een huurder zijn uitgevoerd. Dit ziet volgens belanghebbende op investeringen die vóór 2015 zijn gedaan door de voormalige huurder [bedrijf2] en die door de opvolgende huurder, [bedrijf] , zijn overgenomen. Dit betreffen investeringen in de panden [adres7] met betrekking tot het aanbrengen van stoffering, het plaatsen van tussenwanden en het laten aanleggen van een airco. Belanghebbende heeft, na weerspreking door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat deze werkzaamheden zijn verricht namens [onderneming1] . Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit enige betrokkenheid van [onderneming1] volgt bij deze investeringen. Evenmin heeft [onderneming1] deze investeringen geactiveerd op haar balans. De opvolgende huurder [bedrijf] heeft in 2015 de investeringen van [bedrijf2] overgenomen. De opvolgende huurder is vanwege de overgenomen huurderinvesteringen met [onderneming1] een lagere huur overeengekomen. Overigens, indien deze werkzaamheden al aan [onderneming1] dienen te worden toegerekend, is niet aannemelijk geworden dat deze werkzaamheden, gelet ook op het incidentele karakter daarvan en de hoogte van die investeringen, naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel hebben het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.
Verhuur
4.1
Ten aanzien van de werkzaamheden die zijn verricht in verband met de verhuur van vastgoed heeft de Rechtbank terecht - en op de juiste gronden - overwogen dat de met de verhuur samenhangende werkzaamheden, zoals vermeld in onderdeel 4.7, niet kwalificeren als arbeid die naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. Dit oordeel luidt als volgt:
“18. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de werkzaamheden er niet toe dat sprake is van arbeid die naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. Het betreffen namelijk werkzaamheden die horen bij het normale beheer van onroerende zaken. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat erflater veel contacten had met (potentiële) huurders en daardoor een goed beeld had van de ontwikkelingen met betrekking tot de verhuur van gebouwen op het industrieterrein in [vestigingsplaats] . Deze informatie was op afstand niet te verkrijgen en werd gebruikt om de huurprijzen en beschikbaarheid van panden goed te kunnen inschatten. Hierdoor werd volgens belanghebbende een beter rendement behaald. Hieruit volgt echter niet dat erflater beschikte over bijzondere kennis, dat wil zeggen kennis die de kennis benodigd voor normaal vermogensbeheer te boven gaat, en dat die kennis relevant is geweest voor het behalen van het (hogere) rendement. Ook het feit dat bij een faillissement van een huurder meer werkzaamheden moeten worden verricht in verband met de ontruiming, zijn werkzaamheden die behoren bij een normaal beheer van onroerende zaken.”
Het Hof maakt deze oordelen tot de zijne. Dat erflater zelf als beheerder fungeerde en hij bij het geëxploiteerde vastgoed woonde doet hier niet aan af, omdat niet aannemelijk is geworden dat dit feit met zich brengt dat daarmee een voordeel is behaald dan wel is beoogd een rendement te behalen dat het rendement bij normaal vermogensbeheer te boven gaat.
4.11
Nu de werkzaamheden zich met name richten op de verhuur en niet op aan- en verkopen of (verbouw)werkzaamheden en die verhuurwerkzaamheden de normale werkzaamheden niet te boven gaan, overstijgt naar het oordeel van het Hof de verrichte of te verrichten arbeid naar aard en omvang niet meer dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Dit wordt niet anders indien de verhuur- en (ver)bouwwerkzaamheden gezamenlijk worden beschouwd of door de stelling van belanghebbende dat met de verrichte arbeid meer rendement wordt behaald dan het rendement bij normaal vermogensbeheer. Met de door belanghebbende overgelegde berekeningen, die gemotiveerd door de Inspecteur worden bestreden, wordt niet aannemelijk gemaakt dat er meer arbeid is verricht die het normale vermogensbeheer overstijgt of dat er bijzondere kennis is toegepast.
4.12
De conclusie is dat in [onderneming1] ten tijde van het overlijden van erflater geen onderneming werd gedreven zodat geen recht bestaat op toepassing van de BOR.
4.13
Belanghebbende bepleit in afwijking van de door belanghebbendes taxateur [naam5] getaxeerde waarde (per datum overlijden van erflater) van het verhuurde vastgoed van € 1.227.500 een waarde van € 425.000. De Inspecteur ziet geen aanleiding om van € 1.227.500 af te wijken. Het Hof stelt vast dat de door [naam5] getaxeerde waarde (2.10) door taxateurs van de Belastingdienst, na bezichtiging van de deze bedrijfsruimten, is geaccordeerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt, dat de waarde aanzienlijk lager moet worden vastgesteld, dan de waarde die deskundigen van beide partijen eerder als juist hebben beoordeeld.
Belastingrente
4.14
Belanghebbende verzoekt om de in rekening gebrachte belastingrente te matigen omdat de aanslag met aan de Inspecteur te verwijten vertraging is opgelegd. Hierdoor is de belastingrente over een langere periode berekend dan redelijk is. De Inspecteur is van mening dat hij voorspoedig heeft gehandeld, dat mogelijk tijdens de coronatijd enige vertraging is opgetreden maar dat er geen aanleiding is om de belastingrente te verlagen.
4.15
Het Hof overweegt als volgt. Onder omstandigheden kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de belastingrente moet worden gematigd. In dit geval heeft de Inspecteur de op 6 december 2017 ingediende aangifte erfbelasting op 15 maart 2018 in behandeling genomen. Er is tussen partijen daarna zonder noemenswaardige vertraging gecorrespondeerd en er heeft op verzoek van de Inspecteur op 14 december 2018 een gesprek plaats gevonden tussen de Inspecteur en gemachtigde, de erfgenamen, de inspecteur inkomstenbelasting en een business valuator van de Belastingdienst, waarna het definitieve verslag van die bespreking is vastgesteld op 8 januari 2019. De aanslag erfbelasting is vervolgens opgelegd met dagtekening 9 juli 2019. Gelet op deze gang van zaken is er geen aanleiding om te concluderen dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur meebrengen dat er geen belastingrente in rekening mocht worden gebracht en evenmin dat de in rekening gebrachte belastingrente, na vermindering door de uitspraak op bezwaar, dient te worden gematigd.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
Aangezien de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen wordt deze ondertekend door mr. R.F.C. Spek.
De griffier, De raadsheer,
(H. de Jong) (R.F.C. Spek)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:BH8123.
2.HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:396.