Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3584

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.348.575
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:136 BWArt. 7:759 lid 2 BWArt. 7:904 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verbouwing woning over vloerverwarming en herstelkosten verdiepingsvloeren

In deze civiele zaak staat een geschil centraal over een grootschalige verbouwing van een woning, waarbij de vloerverwarming en de verdiepingsvloeren gebreken vertonen. De aannemer heeft de vloerverwarming uitbesteed aan een derde partij. De opdrachtgever heeft de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk ontbonden en vordert vergoeding van herstelkosten.

De rechtbank heeft een deskundigenbericht over de vloerverwarming en een bindend advies over de overige klachten laten opstellen. De rechtbank oordeelde dat de vloerverwarming in de kantoorruimte onvoldoende is en dat een radiator moet worden geplaatst, en dat herstelkosten voor de verdiepingsvloeren deels zijn voldaan. De aannemer werd veroordeeld tot betaling van deze kosten, en de derde partij in vrijwaring tot betaling aan de aannemer.

In hoger beroep betwist de opdrachtgever de deskundigenrapporten en het bindend advies, en stelt dat de vloerverwarming de gehele benedenverdieping onvoldoende verwarmt. Het hof oordeelt dat de deskundigenrapporten en het bindend advies juist zijn en dat de vloerverwarming, behalve in het kantoor, toereikend is. Het beroep op verrekening faalt omdat de aannemer de onderbouwing niet deugdelijk heeft geleverd. Het hof veroordeelt de aannemer tot betaling van het resterende bedrag en bekrachtigt de overige vonnissen en de begrotingsbeschikking. In de vrijwaringszaak wordt geen wijziging aangebracht omdat de hoofdzaak niet tot een hogere veroordeling leidt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank, wijst het beroep op verrekening af en veroordeelt de aannemer tot betaling van een restant schadevergoeding van €9.071,75.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.348.575 en 200.356.222
zaaknummers rechtbank Gelderland 379125 en 363286
arrest van 2 juni 2026
in de hoofdzaak met zaaknummer 200.348.575:

1.[appellant]

2. [appellante]
die beiden wonen in [woonplaats1]
hierna samen: [appellant sub 1 en 2] (mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. W.F. Veldstra
en
Aannemersbedrijf [naam1] B.V.( [geïntimeerde] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats1]
advocaat: mr. B.M. Breedijk
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer 200.356.222:
Aannemersbedrijf [geïntimeerde] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats1]
advocaat: mr. B.M. Breedijk
tegen
Installatiebedrijf [geïntimeerde in vrijwaring]( [geïntimeerde in vrijwaring] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats2]
advocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt

1.Het verloop van de procedures in hoger beroep

1.1.
[appellant sub 1 en 2] heeft (in de zaak met zaaknummer 200.348.575) hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen met zaaknummer 379125 die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 30 juni 2021,
13 juli 2022, 30 augustus 2023 en 29 mei 2024 tussen partijen (in de hoofdzaak) heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 maart 2026 is gehouden.
1.2.
[geïntimeerde] heeft (in de zaak met zaaknummer 200.356.222) hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen met zaaknummer 363286 die de rechtbank eveneens op 30 juni 2021, 13 juli 2022, 30 augustus 2023 en 29 mei 2024 tussen partijen (in de vrijwaringszaak) heeft uitgesproken. Daarnaast komt zij op tegen de begrotingsbeschikking van de rechtbank van 8 maart 2023. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het arrest in vrijwaring van 28 oktober 2025
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de(zelfde) mondelinge behandeling van 4 maart 2026.
1.3.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellant sub 1 en 2] een grootschalige verbouwing van diens woning uitgevoerd. De aanleg van de vloerverwarming op de begane grond heeft [geïntimeerde] uitbesteed aan [geïntimeerde in vrijwaring] . [appellant sub 1 en 2] heeft de aannemingsovereenkomst met [geïntimeerde] gedeeltelijk ontbonden vanwege gestelde gebreken aan (onder meer) de verdiepingsvloer en de vloerverwarming.
2.2.
[appellant sub 1 en 2] heeft bij de rechtbank onder meer vergoeding door [geïntimeerde] van de herstelkosten gevorderd (€ 162.891,45). Partijen in de hoofdzaak hebben de rechtbank verzocht om een deskundige te benoemen met betrekking tot de vloerverwarming. Ten aanzien van de overige gestelde gebreken (waaronder de verdiepingsvloer) hebben partijen in overleg bindend advies ingewonnen. [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde in vrijwaring] in vrijwaring opgeroepen, voor het geval zij in de hoofdzaak zou worden veroordeeld met betrekking tot door [geïntimeerde in vrijwaring] uitgevoerde werkzaamheden.
2.3.
Wat betreft de vloerverwarming heeft de rechtbank het oordeel van de deskundige overgenomen en [geïntimeerde] veroordeeld tot vergoeding van de kosten voor het bijplaatsen van een radiator of convector in het kantoor die zijn begroot op een bedrag van € 1.815,00 inclusief btw. Wat betreft de overige gestelde gebreken heeft de rechtbank het bindend advies gevolgd en vastgesteld dat de daarin begrote herstelkosten (€ 31.486,84) inmiddels door [geïntimeerde] zijn betaald, deels door verrekening van een bedrag van
€ 11.524,47 (de vijfde termijn van de aanneemsom). Ook heeft de rechtbank vergoedingen voor buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten toegewezen.
In de vrijwaringszaak is [geïntimeerde in vrijwaring] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak is veroordeeld.
2.4.
[appellant sub 1 en 2] is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank in de hoofdzaak en heeft daarom hoger beroep ingesteld. Hij wil dat zijn vorderingen alsnog volledig worden toegewezen. Voor het geval dat dat hoger beroep slaagt, heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld in de vrijwaringszaak.
2.5.
Het hof is het eens met de beslissingen van de rechtbank in de hoofdzaak, met uitzondering van het oordeel over het verrekeningsverweer. In zoverre treft het hoger beroep doel en zal anders worden beslist. Dit heeft geen effect op de beslissing in de vrijwaringszaak, reden waarom die vonnissen in stand blijven. Het hof licht hierna toe waarom.

3.De toelichting op de beslissing van het hof in de hoofdzaak

3.1.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 30 juni 2021 in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld, waartegen niet is gegriefd. Het hof neemt die feiten over en zal deze waar nodig aanvullen.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep is gebleken dat partijen in de hoofdzaak enkel nog twisten over de vloerverwarming, de eerste verdiepingsvloer en de verrekening. [appellant sub 1 en 2] stelt dat de benedenverdieping met de aangelegde vloerverwarming niet toereikend kan worden verwarmd zodat de verwarming daar in zijn geheel moet worden vervangen, net als beide verdiepingsvloeren die schuin aflopen. [geïntimeerde] betwist dat vervanging van haar geëist mag worden als die voor haar rekening moet komen. Verder is, zoals gezegd, nog in geschil in hoeverre [geïntimeerde] een beroep op verrekening toekomt.
Het deskundigenbericht en het bindend advies
3.3.
De rechtbank heeft de heer [naam2] als (tweede) deskundige benoemd (nadat de eerste deskundige was ontslagen) ter beantwoording van de vraag of in de woning vloerverwarming als hoofdverwarming mogelijk is, hoe dat eruit moet zien, wat de meerkosten zijn en wat de gevolgkosten. In zijn rapport van 19 januari 2023 heeft [naam2] geantwoord dat de verblijfsruimten op de begane grond met behulp van de gerealiseerde vloerverwarming als hoofdverwarming te verwarmen zijn, met uitzondering van het kantoor. [naam2] is er vanuit gegaan dat de leidingen met een onderlinge hart op hart afstand van 150 mm zijn gelegd. Volgens hem zal in het kantoor ook met leidingen die met een kleinere onderlinge afstand worden gelegd (zelfs met 50 mm hart op hart) de benodigde verwarmingsafgifte niet worden gehaald. Voor het verwarmen van het kantoor zal er daarom aanvullend moeten worden voorzien in een radiator/convector, waarvan de kosten inclusief het benodigde leidingwerk door [naam2] zijn begroot op € 1.815,00 inclusief btw.
3.4.
Daarnaast heeft de heer [naam3] in opdracht van beide partijen bij rapport van
7 december 2022 een bindend advies uitgebracht over (onder meer) de verdiepingsvloeren. Hij heeft daarin vastgesteld dat er hoogteverschillen zijn in beide verdiepingsvloeren, terwijl was overeengekomen dat deze zouden worden uitgevlakt. Anders dan bij de tweede verdiepingsvloer heeft [naam3] bij de eerste verdiepingsvloer geen oneigenlijke spanningen op de vloer geconstateerd en zijn de niveauverschillen minder dan op de tweede verdieping. [naam3] heeft vervolgens alleen de herstelkosten van de tweede verdiepingsvloer begroot. Ten aanzien van de eerste verdiepingsvloer heeft hij uit oogpunt van proportionaliteit een waardevermindering begroot ter hoogte van de helft van de herstelkosten (€ 11.250,00).
3.5.
[appellant sub 1 en 2] kan zich met beide deskundigenoordelen niet verenigen.
Wat betreft het rapport van [naam2] heeft [appellant sub 1 en 2] - samengevat - de vraagstelling en de onderzoeksopzet in twijfel getrokken en gesteld dat [naam2] van onjuiste premissen is uitgegaan. [appellant sub 1 en 2] verzoekt om een nieuwe expertise met betrekking tot de vloerverwarming.
Volgens [appellant sub 1 en 2] is [naam3] zijn opdracht te buiten gegaan, waardoor het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [appellant sub 1 en 2] daaraan te houden. Om die reden beroept hij zich op vernietiging van het betreffende deel van het bindend advies en om toekenning van de volledige herstelkosten.
Het hof zal hierna bespreken waarom zijn bezwaren geen doel treffen.
De vloerverwarming
3.6.
[appellant sub 1 en 2] heeft in de procedure naar voren gebracht dat [naam2] in de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen een collega is van de rechter die in eerste aanleg het eindvonnis heeft gewezen en trekt daarmee de onafhankelijkheid van het oordeel van die rechter in twijfel. Het hof stelt in dit kader voorop dat het enkele feit dat de tweede rechter in eerste aanleg net als [naam2] ook wel optreedt als arbiter voor de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen, onvoldoende is voor redelijke twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van die rechter. Bovendien wordt het deskundigenbericht in hoger beroep opnieuw beoordeeld en is de toegang tot onafhankelijke rechtspraak ook om die reden gewaarborgd.
3.7.
Ter zitting van het hof is gebleken dat niet of niet langer in geschil is dat tussen partijen is overeengekomen dat de benedenverdieping uitsluitend met de aan te leggen vloerverwarming verwarmd zou worden. [naam2] heeft geconstateerd dat (enkel) de kantoorruimte niet toereikend kan worden verwarmd met de gerealiseerde vloerverwarming. Dat de vloerverwarming in de kantoorruimte ondeugdelijk is, is tussen partijen niet in geschil. [geïntimeerde] is niet in hoger beroep gekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat zij in zoverre tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenis uit hoofde van de aannemingsovereenkomst en schadeplichtig is.
3.8.
In geschil is wel of de vloerverwarming ook de overige ruimten van de benedenverdieping ontoereikend verwarmt. Anders dan [appellant sub 1 en 2] heeft betoogd, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een gerechtelijke erkentenis van de zijde van [geïntimeerde] op dat punt. Weliswaar heeft [geïntimeerde] bij de rechtbank toegegeven dat de aangelegde vloerverwarming ontoereikend is om de hele benedenverdieping afdoende te verwarmen en ook heeft zij op de mondelinge behandeling toegegeven dat verzuim ten aanzien van de vloerverwarming is ingetreden, maar dat betreft een algemene erkentenis die redelijkerwijs niet zo kan worden uitgelegd dat [geïntimeerde] afzonderlijk heeft erkend dat de vloerverwarming voor iedere ruimte ontoereikend is. Dat geldt ook voor de stellingname van [geïntimeerde] in haar verweerschrift dat ‘de gehele installatie onvoldoende capaciteit levert op de begane grond’. Bovendien is die stellingname gevolgd door de opmerking dat de installatie nog niet was ingeregeld ten tijde van deze constatering, en dat de prestaties daarvan in een later stadium zijn verbeterd. Dat strookt met het proces-verbaal van oplevering waarin eveneens wordt vermeld dat de vloerverwarming niet goed werkt maar ook dat deze per ruimte nog moet worden ingeregeld. [geïntimeerde] heeft zich in het verweerschrift bovendien nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat na vervanging van een onderdeel van de CV-ketel het huis wel voldoende warm werd. Dat betekent dat [naam2] niet van een onjuiste premisse is uitgegaan door de werking van de gerealiseerde vloerverwarming in alle ruimten te onderzoeken en dat wordt toegekomen aan de waardering van de conclusies van [naam2] .
3.9.
[appellant sub 1 en 2] heeft naar aanleiding van het conceptrapport bezwaren geuit tegen de berekeningen waarop [naam2] zijn conclusie heeft gebaseerd dat de aangelegde vloerverwarming de overige ruimten van de benedenverdieping (wel) toereikend verwarmt. [naam2] heeft in zijn definitieve rapport overtuigend gemotiveerd dat de door [appellant sub 1 en 2] berekende tekorten niet tot een andere conclusie leiden, omdat deze berekeningen onvolledig zijn door het buiten beschouwing laten van de door [naam2] gehanteerde correcties (marges) in zijn berekeningen. Tegen het overnemen door de rechtbank van die gehandhaafde conclusie heeft [appellant sub 1 en 2] geen andere bezwaren ingebracht. Wel heeft hij zijn eerder ten aanzien van de rapportage aangevoerde bezwaren tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep herhaald, maar hij heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd waarom de berekeningen van [naam2] zijn conclusies niet zouden kunnen dragen. Anders dan [appellant sub 1 en 2] ter zitting suggereerde, is [naam2] bij zijn berekeningen juist wel uitgegaan van een 15 cm hart op hart aangelegde installatie (in plaats van de door [appellant sub 1 en 2] geopperde 10 cm hart op hart). Dat maakt dat ook het hof zich achter de conclusie van [naam2] schaart dat de aangelegde vloerverwarming de overige ruimten van de benedenverdieping (wel) toereikend verwarmt.
3.10.
[appellant sub 1 en 2] betwist daarnaast de conclusie van [naam2] dat het kantoor hoe dan ook niet toereikend kan worden verwarmd met uitsluitend vloerverwarming en dat aanvullende verwarming nodig is. Volgens [appellant sub 1 en 2] heeft [naam2] ten onrechte de situatie beoordeeld zoals die zich in 2022 voordeed, terwijl volgens hem beoordeeld had moeten worden of de benedenverdieping door middel van bouwkundige aanpassingen (die in 2018 nog in de verbouwing meegenomen hadden kunnen worden) wel uitsluitend met vloerverwarming had kunnen worden verwarmd. Het hof stelt vast dat de bevindingen van [naam2] in dit verband niet worden betwist, maar dat enkel de onderzoeksopzet in twijfel wordt getrokken en de aan hem voorgelegde vragen. [appellant sub 1 en 2] verwijst in dat verband naar het rapport van prof. dr. ir. [naam4] van 24 april 2023 die kort gezegd de mening is toegedaan dat destijds in 2018 door [geïntimeerde] een meer integrale benadering had moeten worden gevolgd. Volgens hem had eerst een transmissieberekening moeten worden gemaakt en zonodig de opties moeten worden voorgelegd voor aanvullend installeren van radiatoren/convectoren dan wel aanvullende bouwkundige voorzieningen in de vorm van isolatie en/of ventilatie. [appellant sub 1 en 2] heeft [naam2] daarop in zijn commentaar op diens eerste bevindingen bij brief van 7 november 2022 (bijlage 4 bij het deskundigenbericht) ook al gewezen en gesteld dat [geïntimeerde] bij blijkende belemmeringen een aanvullende cv-installatie had moeten adviseren. [naam2] heeft daar niet adequaat op gereageerd, aldus [appellant sub 1 en 2] .
3.11.
Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of [geïntimeerde] is tekortgeschoten in zijn verplichting om te wijzen op onjuistheden in de opdracht en dat daarom ook de bezwaren van [appellant sub 1 en 2] tegen de vraagstelling en de onderzoeksopzet onbesproken kunnen blijven en ook geen aanleiding geven voor het gelasten van een nieuw deskundigenbericht. Het hof legt uit waarom. Bij de keuze tussen herstel of schadevergoeding in de zin van artikel 7:759 lid 2 BW Pro zijn partijen gebonden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, waarbij hun over en weer gerechtvaardigde belangen een rol spelen. [1] Ook als ervan uit wordt gegaan dat het kantoor met een integrale benadering wel goed verwarmbaar zou zijn geweest met uitsluitend vloerverwarming met leidingen met een kleinere onderlinge afstand, dan nog kan [appellant sub 1 en 2] in redelijkheid geen herstel verlangen in de vorm van vervanging van de vloerverwarming van de gehele benedenverdieping (in combinatie met noodzakelijke bouwkundige aanpassingen). Die vervangingskosten staan namelijk, de belangen van partijen afwegende, in geen verhouding tot de kosten van het plaatsen van een radiator in het kantoor, waarmee voor toereikende verwarming van het kantoor kan worden gezorgd. [appellant sub 1 en 2] heeft daartegenover geen voldoende zwaarwegende bezwaren aangevoerd tegen het bijplaatsen van een radiator, anders dan dat dit afwijkt van de overeengekomen werkzaamheden.
In dit geval vordert [appellant sub 1 en 2] geen herstel maar schadevergoeding, maar daarbij geldt eveneens dat [appellant sub 1 en 2] in redelijkheid geen aanspraak kan maken op vergoeding van de volledige herstelkosten omdat [geïntimeerde] uitsluitend verplicht was om een werkende radiator in de studeerkamer te plaatsen. Dat de door [naam2] begrote en door de rechtbank toegekende schadevergoeding niet toereikend is om voldoende bijverwarming in de studeerkamer te realiseren, heeft [appellant sub 1 en 2] niet toegelicht. Uit het voorgaande volgt overigens ook dat het door [naam2] geconstateerde gebrek aan de vloerverwarming naar het oordeel van het hof de gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst niet rechtvaardigt.
De verdiepingsvloeren
3.12.
Wat betreft het bindend advies zijn partijen het erover eens dat de opdracht aan [naam3] bestond uit het opstellen van een herstelkostenbegroting. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant sub 1 en 2] aangegeven dat het enkel nog gaat om de scheve verdiepingsvloeren. Met [appellant sub 1 en 2] is het hof van oordeel dat [naam3] met het begroten van een waardevermindering voor de (gebrekkige) eerste verdiepingsvloer in plaats van de herstelkosten buiten het bestek van zijn opdracht is getreden. Toch acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar in de zin van artikel 7:904 BW Pro om [appellant sub 1 en 2] aan de strekking van het bindend advies te houden, niet op grond van het overeengekomen bindende karakter daarvan, maar omdat het hof bij beoordeling van de verschuldigdheid van de gevorderde schadevergoeding niet tot een voor [appellant sub 1 en 2] gunstiger oordeel komt. Ook in dat geval geldt namelijk dat [appellant sub 1 en 2] in redelijkheid geen vervanging van de gehele verdiepingsvloer had kunnen verlangen, nu het niveauverschil daarvoor te gering blijkt te zijn. [appellant sub 1 en 2] heeft niet toegelicht dat de gevolgen van deze tekortkoming in onvoldoende mate worden weggenomen door toekenning van een schadevergoeding van € 11.250,00, zoals door [naam3] bepaald.
Verrekening3.13. Dan resteert de vraag of [geïntimeerde] het door [naam3] begrote totaalbedrag van € 31.486,84 inclusief btw aan [appellant sub 1 en 2] heeft voldaan. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] ter uitvoering van het bindend advies een bedrag van € 22.415,09 aan [appellant sub 1 en 2] heeft overgemaakt. In geschil is enkel of het resterende bedrag van € 9.071,75 (€ 31.486,84 - € 22.415,09) door middel van verrekening is betaald. [geïntimeerde] beroept zich thans op verrekening met een bedrag van € 11.524,47 dat nog openstond van de eindafrekening inclusief meer- minderwerk. Het hof is van oordeel dat het beroep op verrekening faalt omdat het saldo van het meer- en minderwerk niet eenvoudig kan worden bepaald. Uit de concept-eindafrekening en de afrekening die [geïntimeerde] heeft toegezonden aan [appellant sub 1 en 2] heeft zij daarvoor eerst (23 augustus 2018) € 36.287,42 gerekend en later (16 oktober 2018) € 46.337,28, beide keren exclusief btw. [appellant sub 1 en 2] heeft volgehouden dat die bedragen niet kloppen, ook niet het laatste bedrag. Volgens de conceptfactuur en de eindfactuur zijn de berekeningen die [geïntimeerde] heeft gemaakt aan [appellant sub 1 en 2] gestuurd, maar zij ontbreken in de stukken die partijen aan het hof hebben gegeven. Het lag op de weg van [geïntimeerde] om het meer- minderwerk deugdelijk te onderbouwen en de onderliggende stukken daarvan in het geding te brengen nu de verschuldigdheid daarvan gemotiveerd is betwist. Daarmee is de vermeende tegenvordering van [geïntimeerde] niet eenvoudig vast te stellen en wordt het verrekeningsverweer gepasseerd (artikel 6:136 BW Pro). In zoverre slaagt het hoger beroep. [geïntimeerde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van € 9.071,75 inclusief btw, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum procesinleiding bij de rechtbank (19 juli 2019), nu daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd. [appellant sub 1 en 2] heeft ook de verschenen wettelijke rente tot datum procesinleiding gevorderd, maar heeft niet toegelicht vanaf welke datum dit wordt gevorderd, zodat dit niet toewijsbaar is.
De begrotíngsbeschikking
3.14.
[geïntimeerde] heeft ook hoger beroep aangetekend tegen de begrotings-beschikking van 8 maart 2023. In die beschikking heeft de rechtbank de kosten van het deskundigenbericht van [naam2] bepaald, met verwerping van de bezwaren die [appellant sub 1 en 2] met het oog op de vaststelling van het honorarium van de deskundige had ingebracht. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg blijkbaar geen standpunt ingenomen en heeft in elk geval in hoger beroep niet duidelijk gemaakt wat zij tegen de beschikking inbrengt. Vanwege dit laatste verwerpt het hof het hoger beroep tegen de begrotings-beschikking. De beslissing in die beschikking heeft consequenties voor de proceskosten en in het eindvonnis staat dat partijen elk de eigen proceskosten moeten dragen. Het hof zal deze proceskostenbeslissing bekrachtigen omdat elk van beide partijen op onderdelen in het ongelijk wordt gesteld.
De conclusie in de hoofdzaak
3.14.
Het hoger beroep slaagt deels. Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ook in hoger beroep ieder deels ongelijk hebben gekregen. Weliswaar zijn er gebreken aan het aangenomen werk komen vast te staan, maar een groot deel van de gevorderde schadevergoeding is afgewezen.
3.15.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De toelichting op de beslissing van het hof in de vrijwaringszaak

4.1.
Naar het hof begrijpt heeft [geïntimeerde] [geïntimeerde in vrijwaring] in vrijwaring betrokken voor het geval dat zij in de hoofdzaak zou worden veroordeeld tot een hoger bedrag ten aanzien van gebreken die betrekking hebben op door [geïntimeerde in vrijwaring] gerealiseerde werken, (de vloerverwarmingsinstallatie, de waterleidingen voor koud en warm water en de elektrische installatie rondom de ventilatie). Omdat [geïntimeerde] in de hoofdzaak op dat punt niet tot betaling van een hoger bedrag wordt veroordeeld, wordt aan beoordeling van de vrijwaringszaak niet toegekomen. [geïntimeerde] heeft geen belang bij bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, omdat partijen daarover een regeling hebben getroffen tegen finale kwijting.
4.2.
Het hof zal [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [2] De proceskostenveroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
in de hoofdzaak
5.1.
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland met zaaknummer 379125 die op 30 juni 2021, 13 juli 2022, 30 augustus 2023 en 29 mei 2024 zijn gewezen, alsmede de begrotingsbeschikking van 8 maart 2023;
5.2.
veroordeelt [geïntimeerde] (daarnaast) tot betaling van een bedrag van
€ 9.071,75, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 juli 2019;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;
5.4.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
in de vrijwaring
5.6.
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland met zaaknummer 363286 die op 30 juni 2021, 13 juli 2022, 30 augustus 2023 en 29 mei 2024 zijn gewezen;
5.7.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde in vrijwaring] in hoger beroep:
€ 6.803,00 aan griffierecht
€ 2.580,00 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde in vrijwaring] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
5.8.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
5.9
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.1
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.P. Heijmans, M. Schoemaker en H.E. de Boer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9311
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.