Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3647

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/304
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 WroArt. 3.6 WroArt. 3.38 WroArt. 3.39 WroArt. 229 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag leges voor vaststelling bestemmingsplan niet gegrond

Belanghebbende diende een verzoek in bij de gemeente Doetinchem om een bestemmingsplan vast te stellen voor het wijzigen van de bestemming van agrarisch naar recreatief met woningbouwmogelijkheden. De gemeente legde hiervoor een aanslag leges op van €16.447. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in, maar de Rechtbank Gelderland handhaafde de aanslag. In hoger beroep betoogde belanghebbende dat het vaststellen van een bestemmingsplan een publieke taak is en geen individuele dienst waarvoor leges geheven mogen worden.

Het Hof oordeelde dat het vaststellen van een bestemmingsplan primair het publieke belang dient en niet rechtstreeks en in overheersende mate een individuele dienst aan de aanvrager is. Daarom is het heffen van leges op grond van artikel 229 Gemeentewet Pro niet toegestaan. De aanslag leges werd vernietigd.

Daarnaast veroordeelde het Hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten die belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt. De uitspraak bevestigt dat bestemmingsplannen een publiekrechtelijke taak zijn en niet als individuele dienstverlening kunnen worden aangemerkt voor legesheffing.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag leges voor het vaststellen van het bestemmingsplan wordt vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/304
uitspraakdatum: 2 juni 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2024, nummer ARN 22/5578, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem(hierna: de heffingsambtenaar) en
de
Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid)te
Den Haag

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een aanslag leges opgelegd van € 16.447.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak op dit bezwaar de aanslag leges gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten toegekend van respectievelijk € 1.000 en € 218,75.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Namens belanghebbende zijn verschenen [naam1] en [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Namens de heffingsambtenaar is [naam4] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Feiten

2.1
Belanghebbende heeft op 16 september 2021 een verzoek bij de gemeente Doetinchem ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel aan [adres1] en [adres2] te [plaats] Belanghebbende beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming. In samenhang daarmee wordt het bouwen van een woning met bijgebouwen ( [adres3] ) mogelijk gemaakt.
2.2.
Op grond van onderdeel 2.8.1.1 van de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2021 van de gemeente Doetinchem heeft de heffingsambtenaar leges ten bedrage van € 16.477 in rekening gebracht.
2.3.
Belanghebbende heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de aanslag leges. De Rechtbank heeft deze aanslag gehandhaafd. Redengevend daarvoor is dat de door belanghebbende beoogde bestemmingsvaststelling verband houdt met een door haar gewenste herontwikkeling van het perceel (aanwenden voor recreatieve doeleinden en bewoning) en dat daarom sprake is van werkzaamheden door de gemeente die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in dit verband dat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.3.
Tussen partijen is de berekening van de hoogte van de leges niet in geschil.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag leges. De heffingsambtenaar concludeert tot handhaving van deze aanslag.

4.Beoordeling van het geschil

Regelgeving
4.1.
Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) [1] stelt de gemeenteraad voor het grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.
4.2.
Ingevolge artikel 3.6 Wro kan bij een bestemmingsplan onder meer worden bepaald dat met inachtneming van de bij het bestemmingsplan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.
4.3.
In artikel 3.38 Wro is bepaald dat de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening kan vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld.
4.4.
In artikel 3.39, lid 1 Wro is geregeld dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een beheersverordening voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt, het bestemmingsplan vervalt voor zover het op dat gebied betrekking heeft. In het tweede lid is bepaald dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan voor een gebied waarvoor een beheersverordening geldt, de beheersverordening vervalt voor zover zij op dat gebied betrekking heeft.
4.5.
Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Ingevolge artikel 5 Gemeentewet Pro wordt onder gemeentebestuur verstaan ieder bevoegd orgaan van de gemeente.
Overwegingen
4.6.
Ten tijde van het in behandeling nemen van belanghebbendes aanvraag is de beheersverordening ‘Landelijk gebied 2020’ van toepassing. Een dergelijke beheersverordening regelt enkel het beheer overeenkomstig het bestaande gebruik (zie 4.3). Voor het uitvoeren van de door belanghebbende verzochte bestemmingswijziging moet daarom een bestemmingsplan worden vastgesteld als bedoeld in artikel 3.1 Wro (zie 4.1).
4.7.
Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen leges worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (zie 4.5). Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. [2]
4.8.
Naar het oordeel van het Hof gaat het bij het vaststellen door de gemeenteraad van de bestemming van gronden in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro, rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Het vaststellen van een bestemmingsplan door de gemeenteraad, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Bij het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro is derhalve niet, ook niet gedeeltelijk, sprake van een rechtstreeks aan de aanvrager verrichte dienst waarvoor op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet leges kunnen worden geheven. Hoewel ook hier indirect sprake is van een particulier belang, zoals altijd als een bestemmingsplan wordt vastgesteld met betrekking tot een gebied dat (gedeeltelijk) in eigendom is bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het Hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. [3] Nu geen sprake is van een dienst in de zin van artikel 229, lid 1, letter b Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk en dient de aanslag leges te worden vernietigd.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 365 en € 579.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 666 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666), € 1.868 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934) en op € 1.868 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934). Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 218,75 aan kosten in verband met de behandeling van het beroep, en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de door de heffingsambtenaar te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 4.183,25. [4]

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoedingen van immateriële schade en van de proceskosten;
  • vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar;
  • vernietigt de aanslag leges;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 4.183,25; en
  • draagt de heffingsambtenaar op de door belanghebbende betaalde griffierechten van € 365 en € 579 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.De Wet ruimtelijke ordening is per 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingswet.
2.HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105, r.o. 3.3.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.3.
3.Vgl. HR 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2174, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.7; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.5.
4.Vgl. HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:399, r.o. 2.3.