Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1997:AA2174

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31253
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Urlings
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 148 ProvinciewetArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat legesheffing voor verklaring van geen bezwaar niet aan gemeente toerekenbaar is

In deze zaak ging het om de legesheffing door de gemeente 's-Gravenhage voor het derde kwartaal van 1990, met betrekking tot de behandeling door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van aanvragen tot het verkrijgen van verklaringen van geen bezwaar op grond van artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De gemeente had een aanslag leges opgelegd, die na bezwaar door Gedeputeerde Staten werd verminderd, waarna de gemeente in beroep ging bij het Hof. Het Hof vernietigde zowel de uitspraak van Gedeputeerde Staten als de aanslag.

Gedeputeerde Staten stelden vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad bekeek de Legesverordening Zuid-Holland 1989 en de relevante bepalingen omtrent de legesheffing. De kernvraag was of het in behandeling nemen van aanvragen tot verklaring van geen bezwaar door Gedeputeerde Staten een dienst aan de gemeente oplevert waarvoor leges geheven kunnen worden.

De Hoge Raad oordeelde dat Gedeputeerde Staten als hoger bestuursorgaan bestuursrechtelijk toezicht uitoefenen op burgemeester en wethouders, waarbij het belang vooral het algemene ruimtelijke ordeningsbelang van de provincie betreft en niet het individuele belang van de gemeente. Daarom is het in behandeling nemen van de aanvraag geen dienst aan de gemeente in de zin van de Legesverordening en Provinciewet. Het beroep van Gedeputeerde Staten werd verworpen en de legesheffing bleef vernietigd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van Gedeputeerde Staten wordt verworpen en de legesheffing blijft vernietigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 april 1995 betreffende de aan de gemeente 's-Gravenhage opgelegde aanslag legesheffing.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: de gemeente) is over het derde kwartaal van 1990 ter zake van het in die periode door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (hierna: Gedeputeerde Staten) in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van verklaringen van geen bezwaar op grond van artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bedrag van ƒ 8.580,- aan leges geheven, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Gedeputeerde Staten is verminderd tot een aanslag van ƒ 3.240,--. De gemeente is van de uitspraak van Gedeputeerde Staten in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Gedeputeerde Staten hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De gemeente heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Verordening Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben in hun openbare vergadering van 15 december 1988 vastgesteld de Legesverordening Zuid-Holland 1989, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 27 februari 1989, nr. 89.004575, laatstelijk gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten van 15 maart 1990, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 16 mei 1990, no. 90.011890 (hierna: de Legesverordening). De hier van belang zijnde bepalingen van de Legesverordening luiden als volgt:
"Artikel 1 Onder Pro de naam leges worden rechten geheven ter zake van het door of vanwege de provincie verlenen van diensten, bedoeld in deze verordening en in de daarbij behorende tabel.
Artikel 2 1. De leges worden geheven van de aanvrager dan wel van degene te wiens behoeve de dienst wordt aangevraagd. 2. Indien op grond van het bepaalde in het eerste lid meer dan één belastingplichtige ten opzichte van een verleende dienst valt aan te wijzen en
één van dezen het verschuldigde bedrag voldoet, is de andere belastingplichtige van de belastingschuld bevrijd. Artikel 3 1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tabel. 2. (...)
Tarieventabel leges (...) Hoofdstuk 2 Ruimte en Groen (...) 2.5. Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van: 2.5.1. een aanvraag tot het verkrijgen van een veklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening, al dan niet in combinatie met artikel 50, lid 8, van de Woningwet en de artikelen 15,16 en 46, lid 8, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor een aanvraag met een bouwsom/aanlegsom (...)"
4. Beoordeling van de middelen 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Van de gemeente is een bedrag van ƒ 3.240,-- aan leges geheven ter zake van het door Gedeputeerde Staten in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van verklaringen van geen bezwaar op grond van artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening. 4.2. Ingevolge artikel 19, lid 1, van die wet kunnen burgemeester en wethouders - behoudens een hier niet ter zake doende uitzondering - voor het gebied, waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Vrijstellingen als hier bedoeld plegen te worden aangevraagd door aanvragers van een bouwvergunning, die wegens strijd met de (nog) geldende bestemming zou moeten worden geweigerd. 4.3. De bevoegheid van burgemeester en wethouders om vrijstelling te verlenen is derhalve gebonden aan een machtiging van gedeputeerde staten. Dezen oefenen preventief (bestuurs)toezicht uit op de wijze waarop van de vrijstellingsbevoegheid door burgemeester en wethouders gebruik wordt gemaakt. 4.4. Het Hof heeft geoordeeld dat met het in behandeling nemen van een aanvraag van burgemeester en wethouders tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar gedeputeerde staten als naast hoger bestuursorgaan bestuurstoezicht uitoefenen ten opzichte van burgemeester en wethouders, welk toezicht niet gericht is op de bevordering van een individueel belang van de gemeente maar op het algemeen belang dat is gebaat bij een goede ruimtelijke ordening in de gehele provincie. 4.5. Met dit oordeel heeft het Hof kennelijk en terecht tot uitdrukking gebracht dat het bij de werkzaamheden die voor gedeputeerde staten verbonden zijn aan het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar rechtstreeks en vooral gaat om het dienen van het publieke belang. Wel is indirect een particulier belang van de "achterliggende" aanvrager - in voorkomende gevallen de gemeente zelf - in het geding, maar gelet op het hiervoor in 4.3 overwogene, niet rechtstreeks en in overheersende mate. Bij het in behandeling nemen van een aanvraag tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar is derhalve niet, ook niet gedeeltelijk, sprake van een rechtstreeks aan de gemeente dan wel aan de "achterliggende" aanvrager verrichte dienst, zoals voor de toepasselijkheid van artikel 1 van Pro de Legesverordening in verbinding met artikel 148, lid 1, letter a, van de Provinciewet is vereist. De middelen 2 en 3 die van een andere opvatting uitgaan falen derhalve. 4.6. Gelet op het onder 4.5 overwogene hebben Gedeputeerde Staten geen belang bij behandeling van middel 1.
5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 11 juni 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Provincie Zuid-Holland wordt ter zake van dit beroepschrift in cassatie een recht geheven van ƒ 300,--.