Uitspraak
[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
the proceedings as a whole were not fair”. In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de hiervoor besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging (vgl. Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).
geenuitzetting plaatsvindt in geval de vreemdeling als verdachte van een misdrijf is aangehouden en het strafonderzoek niet door het Openbaar Ministerie is beëindigd (
sub c onder 1), de vreemdeling een strafvervolging wegens een misdrijf heeft lopen en op de strafvervolging niet onherroepelijk is beslist (
sub c onder 2), de vreemdeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel niet is ondergaan (
sub c onder 3) of als aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd en die maatregel niet is ondergaan (
sub c onder 4).
weltot uitzetting worden overgegaan als het Openbaar Ministerie of het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) daartegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt.
weltijdig geïnformeerd zou zijn over het voornemen tot uitzetting, deze uitzetting niet zonder meer zou zijn opgeschort tot het moment waarop in zijn aanwezigheid op de lopende strafzaak (onherroepelijk) zou zijn beslist. De regeling strekt er immers primair toe dat het Openbaar Ministerie het belang van de Staat bij berechting kan stellen tegenover het algemene belang dat met uitzetting van de vreemdeling is gemoeid. Gelet op de context van voornoemde bepaling kan niet worden gesteld dat deze is bedoeld om het aanwezigheidsrecht van verdachten zonder verblijfsstatus in Nederland te garanderen (zie in dat kader ook de conclusie van advocaat-generaal Harteveld van 14 mei 2013, ECLI:NL:PHR:2013:69, overweging 6.5).
laissez-passerkunnen vragen.