ECLI:NL:GHARL:2026:4224

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
200.359.637/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 RvArt. 347 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken kenbare grieven in verbouwingsgeschil woning

In deze civiele zaak gaat het om een geschil over de uitvoering van een aannemingsovereenkomst voor de verbouwing en verduurzaming van een woning. Geïntimeerden hadden de overeenkomst gedeeltelijk ontbonden en vorderden vervangende schadevergoeding wegens gebreken en niet-uitgevoerde werkzaamheden. De rechtbank had appellant veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding.

Appellant stelde hoger beroep in, maar het hof constateerde dat de memorie van grieven identiek was aan de conclusie van antwoord bij de rechtbank en geen kenbare grieven tegen het eindvonnis bevatte. Hierdoor was appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep. Tevens was het beroep tegen een tussenvonnis niet ontvankelijk omdat daartegen geen beroep openstaat.

Het hof overwoog dat appellant geen nieuwe gronden of argumenten had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank konden ondermijnen. De twee-conclusieregel werd strikt toegepast, waardoor nieuwe verweren in hoger beroep niet in behandeling werden genomen. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en de vordering wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.637/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 196407
arrest van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis
en

1.[geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2] (samen: [geïntimeerden] c.s.)
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Geurts

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
In het arrest van 27 januari 2026 heeft het hof een enkelvoudige mondelinge behandeling bepaald.
1.2
Daarna is op 23 april 2026 van de zijde van [appellant] een H12 formulier ontvangen met een nieuwe ‘vervangende’ memorie van grieven. Dat stuk is door het hof geweigerd omdat [appellant] op 9 december 2025 al een memorie van grieven had genomen. Vervolgens is op
11 mei 2026 van de zijde van [appellant] een H12 formulier ontvangen met een productie. Ook dat stuk is geweigerd omdat het niet om een productie (bewijsstuk) bleek te gaan, maar om een deel van de geweigerde memorie van grieven. Een en ander is met de advocaten besproken tijdens een regiegesprek op 13 mei 2026.
1.3
Vervolgens heeft op 21 mei 2026 de enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[geïntimeerden] c.s. hebben [appellant] in juni 2022 opdracht gegeven hun woning te [woonplaats] te verbouwen en te verduurzamen. Zij hebben de overeengekomen aanneemsom en het overeengekomen meerwerk volledig voldaan. Over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden is onenigheid ontstaan. [geïntimeerden] c.s. hebben de aannemingsovereenkomst op
7 maart 2024 gedeeltelijk ontbonden en hun vordering tot nakoming voor het overige omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Daarover gaat dit geschil.

3.De feiten

3.1
[appellant] , die handelt onder de naam “ [naam1] ”, heeft op 2 juni 2022 een offerte van € 66.550 inclusief btw uitgebracht aan [geïntimeerden] c.s. voor “verduursamen woning betreft het verbouwen van de woning totale kosten van het geheel, zie bijlage.” Het betreft de woning van [geïntimeerden] c.s. te [woonplaats] . In de bijlage is een groot aantal werkzaamheden opgenomen, waaronder het verbouwen van de garage tot slaapkamer en badkamer.
Deze offerte is door [geïntimeerden] c.s. voor akkoord ondertekend.
3.2
Partijen hebben daarna een aantal werkzaamheden geschrapt en zijn daarbij overeengekomen dat de prijs met € 10.000 zou worden verminderd tot
€ 56.550 inclusief btw. Dit bedrag is door [geïntimeerden] c.s. in delen voldaan. Ook de prijs van het overeengekomen meerwerk is door [geïntimeerden] c.s. voldaan.
3.3
In een brief van 13 juli 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerden] c.s. opgesomd welke werkzaamheden nog uitgevoerd dienden te worden. [appellant] is gesommeerd om binnen 14 dagen aan te vangen met deze werkzaamheden en deze uiterlijk op 4 september 2023 af te ronden.
3.4
In een brief van 11 augustus 2023 heeft de advocaat van [appellant] onder meer het volgende aan de advocaat van [geïntimeerden] c.s. medegedeeld:
“[…] U geeft een opsomming van de werkzaamheden die gaandeweg uit de overeenkomst zijn geschrapt, waaronder de ventilatie unit op zolder […] en de hybrideketel. Daarnaast zijn echter ook de zonnepanelen en de vloerverwarming geschrapt (en zijn ook daarmee verband houdende werkzaamheden zoals het verwijderen van de vloeren en het verwijderen van de radiatoren niet verricht), met name omdat er aanzienlijk meer meerwerk c.q. aanvullende opdrachten zijn geweest en de gelden daarvoor moesten worden gevonden binnen de offerte.[…]”
3.5
[geïntimeerden] c.s. hebben vervolgens een kort geding aanhangig gemaakt tegen [appellant] , waarbij zij nakoming van de overeenkomst door [appellant] hebben gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling van dat kort geding op 8 december 2023 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten die inhield dat [appellant] kosteloos een aantal herstelwerkzaamheden zou verrichten voor 19 februari 2024.
3.6
In een e-mail van 8 februari 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerden] c.s. aan de advocaat van [appellant] medegedeeld welke werkzaamheden vóór 19 februari 2024 nog uitgevoerd zouden moeten worden.
3.7
In een e-mail van 7 maart 2024 heeft (de advocaat van) [geïntimeerden] c.s. aan (de advocaat van) [appellant] medegedeeld dat [geïntimeerden] c.s. hun vordering tot nakoming omzetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Verder is in die e-mail medegedeeld dat de overeenkomst van 2 juni 2022 gedeeltelijk (buitengerechtelijk) wordt ontbonden, meer specifiek het deel uit de overeenkomst dat ziet op de posten “Het voorzien van zonnepanelen plus aansluiting” en ”De vloer voorzien van vloerverwarming zoals doorgenomen”.
3.8
In opdracht van [geïntimeerden] c.s. heeft ing. [naam2] van [naam3] (hierna: [naam2] ) op 26 juni 2024 een bouwkundig onderzoek uitgevoerd in de woning van [geïntimeerden] c.s. [appellant] is uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Dat heeft hij in een e-mail van 25 juni 2024 aan [naam2] laten weten. In die e-mail heeft hij ook een aantal aandachtspunten vermeld.
3.9
[naam2] heeft op 19 juli 2024 een rapport uitgebracht. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:
“[…]
8. Conclusie
In het hoofdstuk 6 Constateringen/Eigen beschouwing en Hoofdstuk 7 Bevindingen zijn per onderwerp en per foto de conclusies genoteerd.
Op hoofdlijnen kan geconcludeerd worden dat de overeengekomen werkzaamheden grotendeels zijn uitgevoerd. De uitgevoerde werkzaamheden bevatten veel gebreken. De gebreken in de badkamer zijn dusdanig van aard dat deze geheel gesloopt en opnieuw opgebouwd dient te worden.
[…]”
3.1
In hoofdstuk 10 van zijn rapportage heeft [naam2] een globale herstelkostenraming opgenomen. Hij heeft daarbij opgemerkt dat gelet op de huidige en snelle economische ontwikkelingen wereldwijd, de herstelkosten moeilijk te ramen zijn en hoger kunnen uitvallen. Het totaal van de door [naam2] geraamde herstelkosten betreft
€ 45.428,32 inclusief btw.

4.De vordering en de beslissing van de rechtbank

4.1
[geïntimeerden] c.s. hebben bij de rechtbank gevorderd [appellant] – ter zake van zijn ongedaanmakingsverbintenis en schadevergoeding – te veroordelen tot betaling van
€ 52.732,30, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, proceskosten en nakosten met rente.
4.2
De rechtbank heeft onder meer overwogen:
- dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen;
- dat de zonnepanelen en vloerverwarming niet uit de overeenkomst zijn geschrapt maar in de aanneemsom begrepen zijn;
- dat [appellant] geen verweer heeft gevoerd tegen de ontbinding door [geïntimeerden] c.s. van de overeenkomst ten aanzien van de zonnepanelen en vloerverwarming;
- dat de enkele omstandigheid dat [naam2] door [geïntimeerden] c.s. is ingeschakeld onvoldoende is voor de rechtbank om een andere deskundige te benoemen;
- dat [appellant] de bevindingen en conclusies van [naam2] niet gemotiveerd heeft weersproken;
- dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de bevindingen van [naam2] .
De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om ter zake van zijn ongedaanmakingsverbintenis en vervangende schadevergoeding € 49.152,21 aan [geïntimeerden] c.s. te betalen, vermeerderd met rente en proceskosten.
4.3
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
4.4
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep faalt. Het hof licht dat hierna toe.

5.Het incident

5.1
In de dagvaarding in hoger beroep concludeert [appellant] in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 18 juni 2025 totdat in hoger beroep een definitieve beslissing is gegeven in de hoofdzaak. Deze vordering is in de memorie van grieven niet herhaald en evenmin van enige toelichting voorzien.
5.2
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van [appellant] opgemerkt dat dat punt niet besproken hoeft te worden, maar is de vordering ook niet expliciet ingetrokken. De vordering ligt wegens gebrek aan enige onderbouwing hoe dan ook voor afwijzing gereed.

6.Niet-ontvankelijk in de hoofdzaak

6.1
[appellant] heeft met zijn dagvaarding in hoger beroep zowel beroep tegen het eindvonnis ingesteld als tegen het tussenvonnis van 22 januari 2025. Laatstgenoemd vonnis is echter een comparitievonnis waartegen geen beroep open staat (art. 131 Rv Pro). [appellant] is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen dat vonnis.
6.2
[geïntimeerden] c.s. hebben er terecht op gewezen dat de inhoud van de memorie van grieven exact gelijk is aan de inhoud van de conclusie van antwoord die [appellant] bij de rechtbank heeft genomen en dat de memorie geen kenbare grieven tegen het eindvonnis van de rechtbank bevat.
6.3
De advocaat van [appellant] heeft zich ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er uit de memorie van grieven drie grieven “kunnen worden afgeleid”. Uit die bewoordingen blijkt al dat van duidelijk kenbare grieven geen sprake is. Genoemd standpunt komt erop neer dat een aantal oorspronkelijke verweren van [appellant] moeten worden aangemerkt als grieven tegen het vonnis. Dat betoog faalt. De (beperkte) verweren die in de conclusie van antwoord zijn opgeworpen (en in de memorie van grieven herhaald), zijn alle door de rechtbank besproken en verworpen. In de memorie van grieven is geen enkel argument te vinden waarom het oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn, laat staan dat op kenbare wijze uiteen is gezet tegen welke overwegingen wordt gegriefd en waartoe dat zou moeten leiden. Dat kan ook niet, omdat de tekst van de memorie van grieven gelijk is aan die van de conclusie van antwoord in eerste aanleg en dus is geschreven voordat het eindvonnis is gewezen. Het gaat dus per definitie niet in op de inhoud van het eindvonnis.
6.4
De in art. 347 lid 1 Rv Pro besloten liggende twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd, tenzij zich een van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel voordoet. [1] Al hetgeen namens [appellant] ter zitting is aangevoerd
- wat erop neerkomt dat hij niet in verzuim zou hebben verkeerd en dat de rechtbank ten onrechte aan zijn bezwaren tegen het rapport van [naam2] voorbij is gegaan - is te laat, want in strijd met de twee-conclusie-regel, opgeworpen. Dat van een uitzondering op de in beginsel strakke twee-conclusie-regel sprake is, is namelijk gesteld noch gebleken.
6.5
Dat geldt ook voor wat ter zitting onder verwijzing naar de bijlagen bij de memorie van grieven is aangevoerd. In de memorie van grieven zelf is immers met geen woord over die bijlagen gerept. Er is in de memorie niet naar die bijlagen verwezen en ook is niet uitgelegd wat het belang van die stukken is. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van zijn standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat hij zich ter ondersteuning van zijn standpunt op dat feit beroept. [2]
6.6
[appellant] zal wegens het ontbreken van grieven niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

7.De conclusie

7.1
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [3]
7.2
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

8.De beslissing

Het hof:
in het incident:
8.1
wijst de vordering af;
in de hoofdzaak:
8.2
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
in de hoofdzaak en het incident:
8.3
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] c.s.:
€ 827 aan griffierecht
€ 7.056 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] c.s. (3 procespunten x tarief € 2.352);
8.4
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
8.5
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
8.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, H. de Hek en J.E. Wichers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 juni 2026.

Voetnoten

1.Vgl onder meer HR 23 september 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ7064, HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045 en HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2906.
2.HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, r.o. 3.3.2. en de daar vermelde jurisprudentie.
3.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.