ECLI:NL:GHARL:2026:439

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
200.360.879
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 806 lid 1 onder a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn in familierechtzaak

In deze civiele familierechtzaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 27 januari 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2025.

De vader had zijn beroepschrift ingediend op 30 oktober 2025, ruim na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn van drie maanden die startte op de datum van de mondelinge uitspraak, 24 juli 2025. De vader stelde dat de termijn pas op 1 augustus 2025 begon, omdat de beschikking toen schriftelijk was vastgesteld en het afschrift was verzonden.

Het hof oordeelde dat de termijn strikt moet worden gehanteerd en dat de datum van de mondelinge uitspraak geldt als aanvangsdatum van de beroepstermijn. De schriftelijke vaststelling en verzending van de beschikking wijzigen hier niets aan. Hierdoor was het hoger beroep te laat ingediend en werd de vader niet-ontvankelijk verklaard.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep vond niet plaats omdat de vader het beroep had ingetrokken. De uitspraak bevestigt het belang van strikte naleving van termijnen in het belang van rechtszekerheid en goede procesvoering.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.879
(zaaknummer rechtbank Gelderland 453086)
beschikking van 27januari 2026
inzake
[vader](de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. G.J.P.C.G. Verheijen
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland
die is gevestigd in Arnhem.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[moeder](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
en
[grootmoeder](de grootmoeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. K.J.M. Slangen

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 juli 2025, op schrift gesteld op 31 juli 2025 en uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een beroepschrift met producties, ingekomen op 30 oktober 2025;
- een journaalbericht van mr. Verheijen van 6 november 2025;
- een journaalbericht van mr. Slangen van 13 november 2025;
- een journaalbericht van mr. Verheijen van 10 december 2025.
2.2
De op 10 november 2025 geplande mondelinge behandeling (ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vader in hoger beroep) heeft niet plaatsgevonden.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
Namens de vader heeft mr. Verheijen het hof op 10 november 2025 laten weten dat het verzoek in hoger beroep wordt ingetrokken en dat de mondelinge behandeling geen doorgang hoeft te vinden.
De vraag die daaraan voorafgaat is de vraag of de vader wel tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 806 lid 1 onder Pro a Rv moet binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld. De termijn voor het instellen van het hoger beroep was, gerekend vanaf de datum van de bestreden beschikking (24 juli 2025), op de dag van het indienen van het verzoekschrift in hoger beroep (30 oktober 2025) dan ook verstreken.
3.2
Mr. Verheijen heeft namens de vader verzocht om hem (toch) te ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep, omdat de beschikking op 31 juli 2025 pas op schrift is gesteld en op 1 augustus 2025 in afschrift is afgegeven. Volgens de vader is (daarmee) het beroepschrift wel tijdig ingediend.
3.3
Wat de vader heeft aangevoerd doet niet af aan wat hiervoor onder 3.1 is overwogen. Voorop staat dat termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel van openbare orde zijn. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan de beroepstermijn moet dan ook strikt de hand worden gehouden. Zoals ook mr. Slangen namens de grootmoeder heeft geschreven, is de termijn voor het instellen van hoger beroep drie maanden vanaf 24 juli 2025, de datum waarop mondeling uitspraak is gedaan. [1]
De omstandigheid dat de schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op 31 juli 2025 en dat de griffier van de rechtbank op 1 augustus 2025 het afschrift van de beschikking heeft verzonden, doet niet af aan het feit dat op 24 juli 2025 in het openbaar uitspraak is gedaan. Die datum heeft te gelden als aanvangsdatum voor de beroepstermijn van drie maanden. De vader had dus tot en met 24 oktober 2025 de gelegenheid om hoger beroep in te stellen tegen die beschikking.
3.4
Hieruit volgt dat de vader niet kan worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en R. Feunekes, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 27 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650).