ECLI:NL:GHARL:2026:4547

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
200.353.778/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 2 Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand ondanks vroegsignalering

De huurder had herhaaldelijk een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd, ondanks meldingen aan de gemeente op grond van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening (vroegsignalering) en het inzetten van schuldhulpverlening. De kantonrechter had de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming toegewezen bij verstek, wat de bewindvoerder in verzet betwistte, maar dit verzet werd ongegrond verklaard.

In hoger beroep stelde de bewindvoerder dat de verhuurder te snel had gedagvaard na de melding aan de gemeente en dat de ontbinding in strijd was met redelijkheid en billijkheid, mede gezien de financiële situatie en ziekte van de huurder. Het hof oordeelde dat de huurder herhaaldelijk tekort was geschoten in zijn betalingsverplichtingen, dat de verhuurder tijdig had gemeld en dat uitstel van dagvaarden niet tot betaling had geleid.

Het hof benadrukte dat de financiële problemen van de huurder binnen zijn risicosfeer liggen en dat het aanbod van een vervangend appartement was afgewezen. De ontbinding en ontruiming zijn gerechtvaardigd gelet op de omvang van de huurachterstand en het ontbreken van een reële betalingsregeling. De vordering tot ontbinding en ontruiming blijft daarom in stand en de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens herhaalde huurachterstanden en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.778/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 11362889
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[bewindvoerder] .in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[huurder]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres in het verzet
hierna:
[bewindvoerder]
advocaat: mr. D.A. IJpelaar
en

1.[geintimeerde1]

2. [geintimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats1]
en bij de kantonrechter optraden als gedaagden in het verzet
advocaat: mr. H.J.G.M. te Woerd

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 20 januari 2026 heeft op 23 april 2026 een tweede (enkelvoudige) mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, nadat eerder de zaak op een mondelinge behandeling na aanbrengen van 22 juli 2024 was behandeld, samen met het beroep tegen het executiekortgeding. Van beide mondelinge behandelingen is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Op 23 april 2026 hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[huurder] huurde een woning van [verhuurders] Op verschillende momenten is er een huurachterstand ontstaan. [verhuurders] hebben bij de kantonrechter gevorderd om de huurovereenkomst te ontbinden en [huurder] te veroordelen tot ontruiming van de woning en betaling van de verschuldigde huur en gebruiksvergoeding, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter heeft deze vorderingen bij verstek toegewezen. De [bewindvoerder] is in verzet gekomen. De kantonrechter heeft in een mondeling vonnis, neergelegd in het proces-verbaal, het verzet ongegrond verklaard. Kort voor het mondeling vonnis heeft [huurder] de woning moeten ontruimen.
2.2
De [bewindvoerder] heeft hoger beroep ingesteld. Het doel van dit hoger beroep is dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning alsnog worden afgewezen.
2.3
Het hof zal hierna beslissen dat de kantonrechter terecht de huurovereenkomst heeft ontbonden en de ontruiming heeft toegewezen. Het vonnis van de kantonrechter blijft dus in stand. Het hof zal deze beslissing toelichten nadat eerst de feiten zijn vastgesteld.

3.De feiten

3.1
[huurder] is in 2014 van de toenmalige eigenaresse TPV Vastgoed B.V. gaan huren de woning aan [adres 1] .
3.2
Op 1 oktober 2015 zijn [verhuurders] de eigenaren van de woning geworden. [verhuurders] hebben de huurafspraken met [huurder] vastgelegd in een brief van 12 oktober 2015 die door zowel [verhuurders] als [huurder] is getekend. Op de huurovereenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing.
3.3
Op 1 januari 2024 bedroeg de huurprijs € 1.252,62 per maand.
3.4
Op 25 januari 2024 is namens [verhuurders] aan de [gemeente] een melding gedaan dat [huurder] een huurachterstand van € 3.127,62 heeft, bestaande uit de huur over de maanden oktober en november 2023 en een restant bedrag aan huur over de maanden mei 2023 en januari 2024.
3.5
[verhuurders] hebben voor het incasseren van de huurschuld een deurwaarder ingeschakeld. De e-mail van de deurwaarder van 5 april 2024 heeft [huurder] doorgezonden aan Budget Adviesbureau Deventer (BAD) , de integraal schuldhulpverlener in opdracht van de [gemeente] . De schuldhulpverlener BAD heeft de deurwaarder geantwoord in een e-mail van 10 april 2024. Daarin wordt gemeld dat [huurder] op dat moment geen inkomen uit zijn onderneming heeft, dat op zijn aanvraag voor een uitkering en krediet van de Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) nog moet worden beslist en dat hij een eenmalig voorschot heeft ontvangen om zijn vaste lasten in april te voldoen. In de e-mail wordt verder gemeld dat op dat moment voor de aflossing van de huurschuld een betalingsregeling van € 25,- per maand het meest haalbare is.
3.6
In april 2024 hebben [verhuurders] [huurder] gedagvaard. De huurschuld bedroeg toen € 5.632,86. Tijdens de procedure heeft [huurder] de huurschuld tot en met juni 2024 teruggebracht naar € 1.875,-. De kantonrechter heeft in het vonnis van 2 juli 2024 dit laatste bedrag aan huurschuld toegewezen. De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zijn afgewezen.
3.7
In de e-mail van 15 oktober 2024 hebben [verhuurders] de [gemeente] geïnformeerd dat [huurder] opnieuw een huurschuld heeft laten ontstaan. De huurschuld bedraagt dan € 2.505,24. Ook staat volgens het bericht nog een oude huurschuld over de maanden mei, oktober en november 2023 open.
3.8
Bij beschikking van de kantonrechter van 16 oktober 2024 is bewind ingesteld over de goederen en gelden van [huurder] , waarbij [bewindvoerder] . is benoemd tot bewindvoerder. De benoeming van [bewindvoerder] is op 17 oktober 2024 gepubliceerd in het Openbare Centrale Curatele- en bewindsregister.
3.9
Daags voor de publicatie van de onderbewindstelling, op 16 oktober 2024, hebben [verhuurders] een dagvaarding aan [huurder] uitgebracht en daarin gevorderd de ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van de huurschuld t/m oktober 2024 van € 2.505,24, de maandelijkse huur vanaf november 2024 tot de ontbinding van de huurovereenkomst en de gebruiksvergoeding gelijk aan de maandelijkse huur vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst tot de ontruiming. Deze vorderingen zijn in het vonnis van 29 oktober 2024 bij verstek toegewezen.
3.1
Bij dagvaarding van 22 november 2024 is de [bewindvoerder] van het verstekvonnis in verzet gekomen.
3.11
Daarnaast heeft de [bewindvoerder] in kort geding schorsing van de executie van het verstekvonnis gevorderd. De kantonrechter heeft in het kort geding vonnis van 11 december 2024 die vordering afgewezen. Het hof heeft het hoger beroep van de [bewindvoerder] tegen dat vonnis bij arrest in kort geding van 5 augustus 2025 verworpen. [1]
3.12
De schuldhulpverlener BAD heeft de deurwaarder in de brief van 23 december 2024 laten weten dat [huurder] met hem een schuldregelings-, stabilisatie- en financieel beheer (FBR) overeenkomst heeft gesloten.
3.13
Vervolgens heeft [huurder] bij de rechtbank een verzoek voor een moratorium ingediend, waarbij is gevraagd de tenuitvoerlegging van gelegde beslagen en het ontruimingsvonnis te schorsen. Bij beschikking van 3 februari 2025 is dit verzoek afgewezen.
3.14
Op 4 en 5 maart 2025 is de door [huurder] gehuurde woning ontruimd.
3.15
In een mondelinge uitspraak van 21 maart 2025, neergelegd in het proces-verbaal van de zitting, heeft de kantonrechter het verzet van [bewindvoerder] ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd.
3.16
[verhuurders] hebben de woning in november 2025 verkocht en de eigendom inmiddels aan de koper overgedragen.

4.Toelichting op de beslissing van het hof

Omvang van het appel
4.1
Met één grief komt de [bewindvoerder] op tegen de overwegingen en de beslissing van de kantonrechter de huurovereenkomst te ontbinden en [huurder] te veroordelen de woning te ontruimen.
4.2
Het hof merkt op dat de [bewindvoerder] bij de kantonrechter had aangevoerd dat de vordering ten onrechte tegen [huurder] was ingesteld. Tegen de verwerping van dat verweer is geen grief gericht en ter zitting heeft [bewindvoerder] desgevraagd nog verklaard dit verweer niet te handhaven in het licht van het oordeel in het executiekortgeding.
Maatstaf ontbinding huurovereenkomst
4.3
Voor de beoordeling van de grief stelt het hof het volgende voorop. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In deze bepaling komt de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst.
De structuur van hoofdregel en tenzij-bepaling brengt mee dat de schuldeiser moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar en dat het aan de schuldenaar is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op de tenzij-bepaling.
De afweging die in het kader van de tenzij-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW Pro plaatsvindt bij beantwoording van de vraag of de ontbinding in het concrete geval gerechtvaardigd is, geschiedt aan de hand van alle omstandigheden van het geval. [2]
4.4
Deze regeling van artikel 6:265 BW Pro geldt ook voor huurovereenkomsten. Voor ontbinding van de huurovereenkomst vanwege een betalingsachterstand is sinds januari 2021 één van de mee te wegen omstandigheden of de verhuurder van de woning op grond van artikel 2 Besluit Pro gemeentelijke schuldhulpverlening (Bgs) een huurschuld bij de gemeente heeft gemeld. De melding strekt ertoe de gemeente in staat te stellen om aan de huurder vroegtijdig schuldhulpverlening aan te bieden (de zogenoemde ‘vroegsignalering’).
In de Nota van Toelichting bij het Bgs is onder meer opgenomen dat alle verhuurders van woningen, woningcorporaties en particuliere verhuurders, een huurachterstand hebben te melden en dat “mag worden verwacht dat zij sociaal incasseren”. Voorts is opgenomen:
“Er is geen sanctie op niet melden en de verhuurder houdt de mogelijkheid om aan de rechter ontbinding van de huurovereenkomst te vragen. De verwachting is dat de rechter de vroegsignalering van schulden gaat betrekken bij de afweging of huisuitzetting te rechtvaardigen is”.
Is ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd?
4.5
[huurder] is verplicht de maandelijkse huur tijdig aan [verhuurders] te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat [huurder] herhaaldelijk de maandelijks verschuldigde huur niet of niet geheel heeft voldaan. In de eerste gerechtelijke procedure, die heeft geleid tot het vonnis van 1 juli 2024, had [huurder] bij dagvaarding een huurschuld van € 5.632,86. Dat is een huurschuld van meer dan vier maanden. Tijdens de procedure heeft hij de huurschuld teruggebracht tot € 1.875,-. In de tweede gerechtelijke procedure, die leidde tot het verstekvonnis van 29 oktober 2024, had [huurder] een huurschuld van € 2.595,24 laten ontstaan. Op de mondelinge behandeling in de verzetprocedure van 21 maart 2025 was de huurschuld verder opgelopen tot € 5.632,86. Opnieuw een huurschuld van meer dan vier maanden.
4.6
Dit betekent dat [huurder] herhaaldelijk is tekortgeschoten in zijn contractuele verplichting tot tijdige betaling van de huur. De [bewindvoerder] heeft een beroep gedaan op feiten en omstandigheden in het kader van de tenzij-bepaling.
4.7
Een ontbinding van de huurovereenkomst en een daarop gebaseerde ontruiming heeft voor een huurder het verstrekkende gevolg dat hij zijn woning moet verlaten. Voldoende aannemelijk is geworden dat [huurder] ten tijde van de ontruiming geen vervangende zelfstandige woonruimte had. Bij deze omstandigheid heeft mee te wegen dat [verhuurders] in een eerder stadium, toen [huurder] kennelijk vanwege zijn lastige financiële situatie ook al de maandelijkse huur niet tijdig kon voldoen, een vervangend appartement met een lagere huur in de nabijheid van de woning hebben aangeboden. Weliswaar had dat appartement een kleiner oppervlakte en was het minder gunstig gelegen dan de woning, maar daartegenover staat dat het woonoppervlakte voor een eenpersoonshuishouden - [huurder] is alleenstaand en heeft geen inwonende minderjarige kinderen - royaal was en de maandelijkse huurlast lager was en daardoor passender bij de financiële situatie van [huurder] . Ondanks de financiële zorgen die [huurder] had, heeft hij er toen voor gekozen dat aanbod van [verhuurders] af te wijzen. Dat weegt ten nadele van hem mee.
4.8
Volgens de [bewindvoerder] had [huurder] door de ontruiming verhuiskosten te maken. Dat acht het hof op zichzelf aannemelijk, maar om welk bedrag het daarbij gaat heeft de [bewindvoerder] niet inzichtelijk gemaakt en evenmin is aannemelijk gemaakt dat [huurder] die kosten met zijn geringe inkomsten ten tijde van de ontruiming niet kon dragen of dat deze kosten hem in (meer) financiële problemen heeft gebracht. Los daarvan zijn de verhuiskosten het gevolg van het tekortschieten van [huurder] in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, zodat de omstandigheid dat verhuiskosten worden gemaakt op zichzelf niet in de weg kan staan aan de toewijzing van de ontbinding en ontruiming.
4.9
Sinds 2014 exploiteerde [huurder] in Kampen een opticienzaak. Ter zitting heeft [huurder] verklaard dat zijn inkomen uit die onderneming altijd beperkt is geweest en dat ten gevolge van de uitbraak van het coronavirus COVID-19 en de in verband daarmee genomen overheidsmaatregelen, zijn op zichzelf al beperkte inkomen substantieel terugliep. Volgens [huurder] heeft hij zijn winkel noodgedwongen moeten sluiten en heeft hij enige tijd zonder inkomen gezeten. Het hof stelt vast dat een en ander in de e-mail van 10 april 2024 van de schuldhulpverlener BAD aan de deurwaarder wordt bevestigd. Deze door [huurder] beschreven financieel zorgelijke situatie past in de stelling van [verhuurders] dat [huurder] al langere tijd zijn maandelijkse huur niet of niet tijdig voldeed en huurschulden liet ontstaan. Het hof waardeert dit aspect aldus dat de financiële situatie van [huurder] het wellicht verklaarbaar maakt dat huurschulden ontstonden, maar dat dit in de risicosfeer van [huurder] ligt en geen gevolg is van de ontbinding van de huurovereenkomst en/of ontruiming.
4.1
Bij beschikking van 16 oktober 2024 is [huurder] onder bewind gesteld. Volgens de [bewindvoerder] heeft [huurder] zich bij de gemeente aangemeld voor de minnelijke schuldhulpverlening en in dat kader onder meer een verzoek voor een moratorium gedaan. De [bewindvoerder] heeft er op gewezen dat de - door [verhuurders] ingeschakelde - deurwaarder bij brief van 23 december 2024 is geïnformeerd dat [huurder] een schuldregelings-, stabilisatie- en financieel beheer overeenkomst met de schuldhulpverlener BAD is aangegaan. Dit heeft er volgens de [bewindvoerder] toe geleid dat sindsdien de lopende huurtermijnen zijn voldaan en geen nieuwe huurschuld is ontstaan. Het hof stelt vast dat hier tegenover staat dat uit het mondeling vonnis van de kantonrechter blijkt dat de huurschuld van oktober 2024 van € 2.595,24 in maart 2025 is opgelopen tot € 5.632,86. Verder leidt het hof uit de brief van de schuldhulpverlener BAD van 7 mei 2025 aan de deurwaarder af dat de aanvraag voor de minnelijke schuldregeling is afgewezen. Ter zitting is gebleken dat [huurder] de geldvorderingen met rente en kosten in de tegen hem gewezen vonnissen en arrest nog steeds niet heeft voldaan en zelfs daarvoor geen afbetalingsregeling met [verhuurders] is aangegaan. Volgens opgave van [verhuurders] gaat het om een bedrag van € 18.111,25, dat nog steeds onbetaald is gelaten. [huurder] heeft dit bedrag niet gemotiveerd betwist. Kennelijk is de financiële situatie van [huurder] nog steeds zodanig zorgelijk dat hij zijn schuld aan [verhuurders] - zelfs niet het deel dat na de onderbewindstelling is ontstaan - niet kan aflossen.
4.11
Eind 2023 is bij [huurder] een ernstige ziekte vastgesteld. Op zichzelf vindt het hof het begrijpelijk dat [huurder] voor de behandeling van zijn ziekte een stabiele woonsituatie wil. [huurder] heeft echter geen toelichting gegeven over zijn ziekte, het behandelplan, de toekomstperspectieven en of een ontruiming überhaupt in of omstreeks maart 2025 een negatieve invloed op de ziekte en/of zijn herstel heeft.
4.12
De [bewindvoerder] heeft er terecht op gewezen dat [verhuurders] op grond van artikel 2 Bgs Pro van de huurachterstand een melding aan de [gemeente] hebben te doen. [verhuurders] hebben die melding gedaan op 25 januari 2024 (voorafgaande aan de eerste gerechtelijke procedure over de huurschuld) en op 15 oktober 2024 (voorafgaande aan de tweede gerechtelijke procedure). De [bewindvoerder] betwist ook niet dat deze meldingen zijn gedaan. Evenmin is door de [bewindvoerder] gesteld dat de meldingen niet voldoen aan de eisen die artikel 2 Bgs Pro daaraan stelt.
De [bewindvoerder] heeft aangevoerd dat [verhuurders] na de melding te snel tot dagvaarden is overgegaan en eerst had moeten afwachten of de gemeente op basis van die melding in overleg met [huurder] een schuldhulptraject zou aangaan. Temeer, omdat tijdens de procedure is gebleken dat daags voor het uitbrengen van de dagvaarding de goederen en gelden van [huurder] onder bewind waren gesteld, [huurder] alle medewerking aan het schuldhulptraject verleende en er geen nieuwe huurachterstanden ontstonden. Het hof volgt [huurder] hierin niet. Zoals in de toelichting op het Bgs is opgenomen (zie 4.4), is de bevoegdheid tot het instellen van een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst niet afhankelijk gesteld of de melding is gedaan en of een specifieke termijn na een gedane melding is afgewacht. Bovendien dateert de eerste melding van 25 januari 2024 en is de dagvaarding voor deze procedure pas in oktober 2024 uitgebracht. In die tussenliggende periode is de huurschuld van april 2024 niet voldaan, is in april 2024 namens [huurder] gemeld dat voor de schuld aan [verhuurders] een betalingsregeling van € 25,- per maand het hoogst haalbare is, is zelfs aan die geringe betalingsregeling geen uitvoering gegeven, en is de huurschuld in de verzetprocedure - toen [huurder] onder bewind stond - nog verder toegenomen. Uit dit alles blijkt dat zelfs al zou [verhuurders] na de melding in oktober 2024 nog enige tijd met dagvaarden hebben gewacht dit niet tot tijdige betaling van de huur vanaf oktober 2024 en betaling van de schuld aan hen binnen een redelijke termijn zou hebben geleid.
4.13
Volgens de [bewindvoerder] had de kantonrechter de door haar aangevoerde omstandigheden rond de melding moeten meewegen en een zodanig gewicht daaraan moeten toekennen dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming werden afgewezen. Het andersluidende oordeel van de kantonrechter ondermijnt volgens de [bewindvoerder] de werking van het Bgs en maakt de verplichting tot melden van betalingsachterstanden een zinloze bepaling omdat de aanvaarding van hulp door [huurder] als schuldenaar en het tot stand brengen van een stabiele financiële situatie, waarbij aan alle lopende verplichtingen kan worden voldaan, teniet wordt gedaan door de ontbinding en ontruiming. Het hof volgt de [bewindvoerder] hierin niet. Zo is ten tijde van het vonnis in verzet de huurschuld verder toegenomen, was er geen enkel uitzicht op betaling van de opgebouwde schulden en is een verzoek tot een moratorium in het kader van een schuldsanering afgewezen. Bovendien moet de afweging in het kader van de tenzij-bepaling in artikel 6:265 lid 1 BW Pro worden genomen met in achtneming van alle omstandigheden van het geval.
4.14
Aldus brengen deze afgewogen omstandigheden in onderlinge samenhang bezien naar het oordeel van het hof niet mee dat sprake van een tekortkoming die van geringe betekenis is en die de ontbinding met ontruiming niet rechtvaardigt.
Redelijkheid en billijkheid en belang
4.15
De [bewindvoerder] heeft verder nog aangevoerd dat het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is de huurovereenkomst te ontbinden. Kennelijk wordt bedoeld dat [verhuurders] misbruik van hun bevoegdheid maken.
4.16
Verder voert de [bewindvoerder] nog aan dat [verhuurders] geen rechtens te respecteren belang hebben om vast te houden aan de vorderingen tot ontbinding en ontruiming. Volgens de [bewindvoerder] werd de lopende huur voldaan, was er de bereidheid een betalingsregeling voor de achterstand te treffen en was er een bewindvoerder benoemd.
4.17
Ook deze verweren slagen niet. De huurschuld liep ook na de onderbewindstelling in oktober 2024 verder op. Er is een betalingsregeling van 25 euro aangeboden, wat uitgaande van de door [verhuurders] opgegeven schuld van € 18.111,25 een aflossing in circa 60 jaar zou inhouden. Een voorstel tot aflossing van de schuld binnen een redelijke termijn heeft [huurder] , zijn schuldhulpverlener BAD of zijn bewindvoerder niet gedaan, althans is daarvan niet gebleken. Verder heeft de [bewindvoerder] de stelling dat [huurder] in afwijking van zijn financieel gedrag over een lange periode voortaan de lopende huurtermijnen tijdig wel volledig zou voldoen niet met bijvoorbeeld financiële stukken onderbouwd. Onder deze omstandigheid stond het [verhuurders] vrij en hadden zij er ook belang bij de huurovereenkomst te ontbinden en de woning te ontruimen om op zoek te gaan naar een andere huurder die zonder hun bemoeienis met de daarmee gepaard gaande kosten en tijd de maandelijkse huur tijdig voldoet. Dat [verhuurders] er uiteindelijk voor hebben gekozen de woning te verkopen, maakt dit niet anders.
De conclusie
4.18
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [bewindvoerder] . in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Het hof kent aan de mondelinge behandeling na aanbrengen een half punt toe doordat gelijktijdig bij het hof de mondelinge behandeling van het hoger beroep tegen de schorsing van de executie plaatsvond. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [3]
4.19
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 21 maart 2025;
5.2
veroordeelt [bewindvoerder] . tot betaling van de volgende proceskosten van [verhuurders] :
€ 362,- aan griffierecht,
€ 3.225,- aan salaris van de advocaat van [verhuurders] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief II);
5.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. J.H. Kuiper en mr. H de Hek, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
14 juli 2026.

Voetnoten

2.HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
3.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.