ECLI:NL:GHARL:2026:470

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
200.347.480
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:376 BWArt. 7:312 BWArt. 237 RvArt. 238 RvArt. 239 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding pachtovereenkomst wegens beëindiging bedrijfsmatige landbouw

In deze zaak staat de ontbinding van een pachtovereenkomst centraal omdat het perceel niet langer voor bedrijfsmatige landbouw wordt gebruikt. De vader van de geïntimeerden was eigenaar van het perceel, dat na zijn overlijden in 2015 aan hen is overgegaan. De appellant gebruikte het perceel sinds 2002, zonder schriftelijke overeenkomst, en betaalde vanaf 2013 jaarlijks €1.500.

De geïntimeerden vorderden schriftelijke vastlegging van een pachtovereenkomst en ontbinding daarvan wegens het niet-bedrijfsmatig gebruik. De pachtkamer in Roermond stelde de reguliere pachtovereenkomst vast, ontbond deze en veroordeelde appellant tot ontruiming.

Het hof bevestigt dat appellant het perceel niet meer bedrijfsmatig exploiteert, mede omdat hij sinds 2015 niet meer ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel en slechts een beperkte gecombineerde opgave overlegt. Appellant gaf aan vanwege gezondheidsklachten te zijn gestopt met het bedrijf en het perceel door loonwerkers te laten bewerken. Het hof bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer en wijst het hoger beroep van appellant af.

De vordering van geïntimeerden tot vergoeding van werkelijke proceskosten wordt afgewezen wegens gebrek aan misbruik van procesrecht. De proceskostenveroordeling wordt beperkt tot griffierecht en advocaatkosten, en de overige vorderingen worden afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de pachtovereenkomst wegens het niet-bedrijfsmatig gebruik van het perceel en veroordeelt appellant tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.347.480
zaaknummer rechtbank Limburg 10857666
arrest van de pachtkamer van 27 januari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats 1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in Roermond optrad als gedaagde partij
en hierna [appellant] wordt genoemd
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

die woont in [woonplaats 2] , en

2. [geïntimeerde 2]

3. [geïntimeerde 3]

4. [geïntimeerde 4]

5. [geïntimeerde 5]

die wonen in [woonplaats 3]
die (voorwaardelijk) hoger beroep hebben ingesteld
en bij de pachtkamer in Roermond optraden als eisende partijen
en hierna [geïntimeerden] c.s. (meervoud) worden genoemd
advocaat: mr. D.A. Bates

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 26 augustus 2025 heeft op 8 januari 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Het gaat in de zaak om het perceel landbouwgrond aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduiding 1] , groot 3.38.06 hectare (hierna: het perceel). De vader van [geïntimeerden] c.s. was eigenaar van dit perceel. Na zijn overlijden op 14 juni 2015 zijn [geïntimeerden] c.s. op grond van erfopvolging eigenaar geworden. De ouders van [geïntimeerden] c.s. hebben het perceel in 2002 aan [appellant] in gebruik gegeven. Er is geen schriftelijke pachtovereenkomst opgesteld. In ieder geval vanaf 2013 heeft [appellant] € 1.500 per jaar voor het gebruik van de grond betaald.
2.2.
[geïntimeerden] c.s. hebben bij de pachtkamer in Roermond de schriftelijke vastlegging gevorderd van een geliberaliseerde pachtovereenkomst voor het perceel voor de duur van één jaar met ingang van 1 april 2022 voor € 1.500 per jaar. Als die vordering niet wordt toegewezen, hebben [geïntimeerden] c.s. gevorderd dat een reguliere pachtovereenkomst wordt vastgelegd, met als ingangsdatum 1 januari 2013, althans 1 april 2013, voor € 1.500 per jaar, maar ook dat deze pachtovereenkomst wordt ontbonden en [appellant] wordt veroordeeld het perceel te ontruimen.
2.3.
De pachtkamer in Roermond heeft de gevraagde reguliere pachtovereenkomst vastgelegd, deze ontbonden en heeft [appellant] veroordeeld om het gepachte 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.
2.4.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [geïntimeerden] c.s. worden veroordeeld om dat wat [appellant] ter uitvoering van het vonnis aan hen heeft betaald terug te betalen. [geïntimeerden] c.s. zijn in voorwaardelijk hoger beroep gekomen: als in hoger beroep wordt geoordeeld dat de ontbinding van de reguliere pachtovereenkomst onterecht is op de daarvoor aangenomen gronden, willen [geïntimeerden] c.s. dat alsnog het vonnis wordt bekrachtigd, omdat [appellant] het perceel zonder toestemming niet meer persoonlijk gebruikt of onderverpacht. Ook willen [geïntimeerden] c.s. dat [appellant] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten.
2.5.
Het hof zal het vonnis bekrachtigen. [appellant] zal niet in de werkelijke proceskosten veroordeeld worden. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Er is geen sprake meer van bedrijfsmatige landbouw en dus wordt de pachtovereenkomst ontbonden
3.1.
De pachtkamer in Roermond heeft geoordeeld dat [appellant] het gepachte niet langer voor bedrijfsmatige landbouw gebruikt. [appellant] klaagt daarover.
3.2.
Een pachter wordt in ieder geval geacht in de nakoming van zijn verplichtingen te zijn tekortgeschoten, als hij het gepachte niet langer voor de uitoefening van de landbouw gebruikt (artikel 7:376 BW Pro), waaronder op grond van artikel 7:312 BW Pro moet worden verstaan: bedrijfsmatige landbouw. Een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte veronderstelt dat sprake is van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Op de verpachter die ontbinding vordert, rust de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van zijn stelling dat de pachter tekortschiet door geen bedrijfsmatig gebruik te maken van het gepachte. Dat neemt niet weg dat indien er aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog bedrijfsmatig exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verstrekken, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven.
3.3.
[geïntimeerden] c.s. hebben gesteld dat [appellant] geen landbouwbedrijf meer exploiteert. Zij hebben er onder andere op gewezen dat [appellant] (sinds 2015) niet meer is ingeschreven bij de kamer van koophandel. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 26 augustus 2025 [appellant] geboden de gecombineerde opgave en boekhoudrapporten van zijn bedrijf voor de laatste drie jaren over te leggen. [appellant] heeft alleen een gecombineerde opgave van 2022 overgelegd. Uit deze gecombineerde opgave blijkt dat [appellant] in 2022 in totaal ongeveer 7 ha exploiteerde, waarvan op 3,40 ha mais en verder aardappelen en gladiolen. Andere bedrijfsgegevens heeft [appellant] niet kunnen overleggen. [appellant] zelf heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij vanwege ernstige gezondheidsklachten zijn bedrijf heeft gestaakt, maar dat hij het perceel nog wel door loonwerkers wil laten bewerken. [appellant] heeft verder nog gewezen op een factuur voor het samenstellen van zijn gecombineerde opgave 2024, maar heeft deze opgave zelf niet kunnen overleggen. De niet-onderbouwde stelling dat hij een bedrijf met machinepark heeft is in het licht van het voorgaande een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de stelling dat geen sprake meer is van bedrijfsmatige landbouw. Wat over zijn persoon en bedrijf uit het dossier blijkt, wijst niet op bedrijfsmatige landbouw.
3.4.
Het hof zal het oordeel van de pachtkamer in Roermond op dit punt dus bekrachtigen. De overige klachten van [appellant] tegen het vonnis kunnen niet tot een andere conclusie leiden en laat het hof daarom onbesproken. [appellant] heeft bij de behandeling daarvan dan ook geen belang. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod kan ook niet tot een andere conclusie leiden en wordt daarom gepasseerd.
3.5.
Omdat [appellant] in zijn eigen hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van [geïntimeerden] c.s. veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. Rente over deze bedragen is niet gevorderd. [1]
Het incidenteel appel van [geïntimeerden] c.s.
3.6.
[geïntimeerden] c.s. hebben ook hoger beroep ingesteld, waarin zij een extra ontbindingsgrond hebben aangedragen. Dit onderdeel van het hoger beroep is ingesteld op de voorwaarde dat het hof zou oordelen dat de ontbinding die de pachtkamer in Roermond heeft uitgesproken onterecht is. Die voorwaarde is niet vervuld. Voor de extra ontbindingsgrond was ook geen hoger beroep nodig, omdat daarmee niets anders werd gevraagd dan wat de pachtkamer in Roermond al had toegewezen. Het hof hoeft dit onderdeel van het hoger beroep dan ook niet te behandelen.
3.7.
[geïntimeerden] c.s. hebben echter ook gevorderd dat [appellant] in de werkelijke proceskosten veroordeeld wordt, zowel van de procedure bij de pachtkamer in Roermond als in het hoger beroep van [appellant] en van [geïntimeerden] c.s. Blijkbaar geldt voor deze klacht tegen het vonnis van de pachtkamer in Roermond geen voorwaarde, zodat het hof deze klacht wel zal behandelen.
3.8.
Het hof ziet geen aanleiding [appellant] te veroordelen in de werkelijke proceskosten. De artikelen 237-240 Rv bevatten een limitatieve en exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Een volledige vergoedingsplicht voor proceskosten is alleen denkbaar in ‘buitengewone omstandigheden’, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Van een dergelijk misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer tegen een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro.
3.9.
Dat onduidelijk was op welk adres [appellant] woonde en dat de advocaat van [appellant] [geïntimeerden] c.s. lang heeft laten wachten voordat hij duidelijk maakte of hij nu wel of niet voor [appellant] optrad is onvoldoende grond om misbruik van procesrecht aan te nemen. Het hof is ook van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [appellant] feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of dat [appellant] zich verweerd heeft terwijl hij op voorhand moest begrijpen dat zo evident was dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. toegewezen zouden worden, dat hij geen verweer mocht voeren. Dat [appellant] zijn zaak onvoldoende heeft onderbouwd, betekent niet dat het voeren van verweer misbruik van procesrecht oplevert of onrechtmatig is.
3.10.
Het hoger beroep van [geïntimeerden] c.s. slaagt dus niet. Omdat [geïntimeerden] c.s. in hun eigen hoger beroep in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in het hoger beroep van [appellant] veroordelen. Deze proceskosten begroot het hof echter op nihil, omdat [appellant] aan dit punt slechts één alinea in zijn memorie van antwoord in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep heeft hoeven wijden.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 26 juni 2024;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] c.s.:
€ 349 aan griffierecht;
€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] c.s. (2 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.214);
4.3.
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling van de proceskosten van [appellant] in het hoger beroep van [geïntimeerden] c.s., begroot op nihil;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad;
4.13.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel en S.C.P. Giesen en de deskundige leden ing. C.R.M. Francissen en ir. J.H. Jurrius en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.