ECLI:NL:GHARL:2026:4792

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
200.348.947
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:4 lid 2 BWArt. 3:33 BWArt. 6:253 BWArt. 7:186 lid 2 BWArt. 79 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over legitieme portie en afrekenbeding bij ontbinding landbouwmaatschap

Partijen zijn zussen die in geschil zijn over de legitieme portie na het overlijden van hun ouders en de afwikkeling van een landbouwmaatschap. De ouders hadden een agrarisch bedrijf in maatschapsverband, dat na uittreden van de ouders werd voortgezet door een zus en haar echtgenoot. Bij ontbinding van de maatschap is een afrekenbeding overeengekomen waarbij winst bij vervreemding gedeeld moet worden met de zussen.

De rechtbank had de legitieme portie van appellante vastgesteld en rekening gehouden met bepaalde betalingen als giften van de ouders. Het hof oordeelt dat de betalingen via het afrekenbeding een vermogensverschuiving zijn van de ouders naar appellante en haar zus, en dat het afrekenbeding een derdenbeding is. Het hof wijst de stelling van appellante dat het om giften van de bedrijfsopvolger gaat af.

Verder wijst het hof de vordering van appellante af die betrekking heeft op een vermeende schenking van een woning aan de bedrijfsopvolger en een koopoptie. Ook de waarde van twee zomerhuizen wordt bevestigd op basis van een deskundige taxatie. Het hof vernietigt het deel van het vonnis dat appellante een legitieme portie toekent in de nalatenschap van vader en bekrachtigt het vonnis voor het overige.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot betaling van de legitieme portie in de nalatenschap van vader af en bekrachtigt het vonnis voor het overige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.348.947
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 301279
arrest van 21 juli 2026
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J. Bisschop
en
[geintimeerde] ( [geintimeerde] )
die woont in [woonplaats2] (gemeente [gemeente1] )
advocaat: mr. W.G. van der Kolk

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens (ten dele voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 9 maart 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

overlijden ouders/testamenten
2.1.
Partijen zijn zussen. Zij hebben nog een zus, [naam1] , die niet in deze procedure is betrokken. De ouders van partijen waren gehuwd in de algehele gemeenschap van goederen. Moeder is overleden [in] april 2021; vader [in] december 2021. Zij hebben in 2009 gelijkluidende testamenten gemaakt. Ieder van hen heeft [geintimeerde] tot enig erfgename benoemd en legaten gemaakt aan (o.a.) [appellante] en [naam1] . Zij hebben elk € 25.000 aan [appellante] gelegateerd en aan [naam1] twee zomerhuizen in [gemeente1] met wat daarbij hoort. Het legaat aan [naam1] is vervallen, omdat vader haar [in] 2014 deze zomerhuizen heeft geschonken; de waarde daarvan is destijds getaxeerd op € 70.000.
2.2.
[appellante] heeft aanspraak gemaakt op haar legitieme portie in de nalatenschap van zowel moeder als vader; [naam1] heeft dat (nog) niet gedaan.
de maatschap van [geintimeerde] en [naam2] met de ouders en de ontbinding daarvan
2.3.
De ouders hadden een agrarisch bedrijf dat zij in maatschapsverband uitoefenden in de boerderij gelegen aan de [adres1] te [woonplaats2] . Op enig moment is de echtgenoot van [geintimeerde] , [naam2] , toegetreden tot deze maatschap. De ouders, [naam2] en [geintimeerde] zijn overeengekomen (het bedrijf van) de maatschap met ingang van 1 januari 1998 met z’n vieren voort te zetten. Zij hebben in een onderhandse akte van 11 november 1999 hun overeenkomst van maatschap gewijzigd en geheel vernieuwd.
2.4.
Op 31 december 2005 zijn de ouders uitgetreden uit de maatschap en hebben [geintimeerde] en [naam2] het bedrijf van de maatschap samen voortgezet. De ouders en [naam2] en [geintimeerde] hebben in een notariële akte ‘ontbinding maatschap/levering’ van 29 december 2006 de verdeling van het vermogen van de maatschap en de overname door [geintimeerde] van de onroerende zaken en productierechten die tot het buitenvennootschappelijke vermogen
van de ouders behoorden geregeld. De ouders hebben aan [geintimeerde] overgedragen:
  • de boerderij aan de [adres1] in [woonplaats2] met bedrijfsgebouwen en percelen weiland, bouwland en bos (ongeveer 19.55.84 hectare);
  • het woonhuis met garage, ondergrond, erf en tuin, aan de [adres2] in [woonplaats2] , onder voorbehoud van het beperkt recht van vruchtgebruik voor de ouders en bij opvolging (ongeveer 10 are). In 2012 is aan dit woonhuis een serre aangebouwd voor een bedrag van € 25.000.
2.5.
De ouders en [geintimeerde] zijn verder overeengekomen dat [geintimeerde] bij vervreemding van de onroerende zaken en de productierechten die aan haar zijn overgedragen de winst daarvan moet delen met haar zussen, zodat ieder daarvan 1/3e krijgt. Dit afrekenbeding is verder uitgewerkt in de akte ‘ontbinding maatschap/levering’.
2.6.
Bij het uittreden van de ouders uit de maatschap is de overnamesom van de
agrarische onderneming bepaald op € 664.468,00. Daarnaast is de koopsom van de
onderneming voor [geintimeerde] bepaald op € 98.975,00, van welke koopsom [geintimeerde]
€ 28.572,00 nog niet heeft betaald. Van de overnamesom resteert na aftrek van de koopsom
€ 565.493,00, (€ 664.468,00 minus € 98.975,00) welk bedrag [geintimeerde] nog niet heeft betaald.
optierecht van koop van [appellante]
2.7.
In 2000 hebben de ouders en [appellante] gesproken over een optierecht tot koop van de
woning aan de [adres2] te [woonplaats2] . Er is een document ‘optierecht tot koop' gemaakt, maar nooit ondertekend.
2.8.
Op 19 juni 2000 heeft [de accountant] aan vader een brief gestuurd waarin staat:
“(…)
Door middel van deze brief willen wij kort vastleggen hetgeen wij vanmorgen hebben
besproken met betrekking tot de ondergrond van uw woning aan de [adres2] . U heeft aangegeven de ondergrond van de woning thans niet over te brengen naar uw privévermogen, maar deze in het bedrijf te laten zitten (...) Anderzijds overweegt u de woning en de ondergrond in de toekomst toch aan [geintimeerde] over te dragen (...) De koopoptie, die wij hebben opgesteld ten behoeve van uw dochter [appellante] , zal in verband hiermee niet ondertekend worden. (...)”.
diverse betalingen tussen vader/de ouders en de dochters/zussen
2.9.
Vader heeft op 28 november 2002 aan [naam1] landbouwgrond, bos en schuren in [woonplaats2] verkocht voor € 34.000,00. [naam1] heeft € 19.000 betaald; de rest (€ 15.000) is onbetaald gebleven. In 2002 is aan [appellante] € 15.000 geschonken.
2.10.
Vader heeft in 2005 € 21.506,00 aan [geintimeerde] geschonken.
2.11.
[appellante] heeft in 2015 € 50.000 ontvangen.
betalingen/afspraken tussen de drie zussen/vaststellingsovereenkomst
2.12.
[geintimeerde] heeft op 19 juni 2019 € 6.020,00 betaald aan zowel [naam1] als
[appellante] .
2.13.
[naam1] , [appellante] , [geintimeerde] en [naam2] hebben eind december 2020 een ‘vaststellingsovereenkomst afrekenbeding’ gesloten. Zij hebben afgesproken dat [geintimeerde] en [naam2] uiterlijk op 1 januari 2024 minimaal 4 hectare cultuurgrond te koop aanbieden en dat de opbrengst daarvan na aftrek van de kosten aan [naam1] en [appellante] , ieder voor de helft, wordt uitgekeerd. Inmiddels zijn die 4 hectare verkocht en is de opbrengst daarvan na aftrek van kosten € 270.710. Daarvan komt aan [naam1] en [appellante] elk € 135.355 toe.
de procedure bij de rechtbank
2.14.
[appellante] heeft [geintimeerde] gedagvaard en (na wijziging van eis) gevorderd dat de rechtbank:
  • deskundigen benoemt om de overdrachtsprijs van het agrarisch bedrijf op 31 december 2005 en de waarde van de woning aan [adres2] vast te stellen;
  • [geintimeerde] veroordeelt aan haar te betalen de legitieme porties (bedragen door haar p.m. gesteld) in de nalatenschap van moeder en vader (met de wettelijke rente daarover), een bedrag van € 90.756 (schade in verband met de koopoptie) en een bedrag van € 135.355 (vaststellingsovereenkomst).
2.15.
De rechtbank heeft:
de legitimaire massa bepaald op € 685.814,50 in de nalatenschap van moeder en op € 692.494,50 in de nalatenschap van vader;
voor het vaststellen van de legitimaire massa de bedragen van € 6.020 en de bedragen € 135.355 (die vanwege de ‘vaststellingsovereenkomst afrekenbeding’ aan [naam1] en [appellante] elk toekomen) als giften van de ouders in aanmerking genomen;
de legitieme portie van [appellante] bepaald op € 85.726,80 in de nalatenschap van moeder en op € 115.415,75 in de nalatenschap van vader;
e giften die [appellante] van elk van haar ouders heeft gehad bepaald op € 103.187,50;
de legitimaire aanspraak (de legitieme portie na aftrek van de giften die [appellante] heeft ontvangen) in de nalatenschap van moeder bepaald op nihil en in de nalatenschap van vader op € 12.228,25;
[geintimeerde] veroordeeld aan [appellante] te betalen € 12.228,25 (met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding) en € 135.355 (vaststellingsovereenkomst, met wettelijke rente vanaf 13 maart 2024);
alle andere vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
de procedure bij het hof en de beslissing
De bedoeling van het principaal hoger beroep van [appellante] is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen. De bedoeling van het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van [geintimeerde] is dat het hof anders dan de rechtbank beslist dat de overdracht van de woning aan de [adres2] niet berust op een schenking.
2.16
Het hof zal beslissen dat de overdracht van de woning aan de [adres2] niet berust op een schenking en dat de grieven van [appellante] falen en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank deels in stand en beslist voor een deel anders.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Het hof zal de bezwaren (grieven) die [appellante] heeft tegen de beslissing van de rechtbank hierna een voor een bespreken. Anders dan [geintimeerde] meent is [appellante] ontvankelijk in haar hoger beroep. Haar dagvaarding is betekend aan het kantoor van de advocaat bij wie [geintimeerde] in deze zaak voor het laatst woonplaats had gekozen en dat is in orde (artikel 79 lid 2 Rv Pro en artikel 63 lid 1 Rv Pro)
Grief 1: zijn de bedragen van € 6.020 en € 135.355 giften van de ouders?
3.2.
In de rov. 2.6., 2.12.-2.13. is vermeld dat de ouders en [geintimeerde] ter gelegenheid van de ontbinding van de maatschap zijn overeengekomen dat [geintimeerde] bij vervreemding van de onroerende zaken en de productierechten die aan haar zijn overgedragen de winst daarvan moet delen met haar zussen, zodat ieder daarvan 1/3e krijgt. [geintimeerde] heeft in verband met deze afspraak betalingen verricht aan zowel [naam1] als [appellante] . Het gaat om bedragen van € 6.020 (op 19 juni 2019) en van € 135.355. Volgens [appellante] zijn dit giften van [geintimeerde] aan haar en [naam1] . [geintimeerde] stelt dat dit giften zijn van de ouders aan [appellante] en [naam1] die meetellen bij de legitieme portie. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit giften van de ouders aan [naam1] en [appellante] zijn en bij het bepalen van de legitimaire aanspraak van [appellante] rekening gehouden met deze giften. De vraag of dit giften zijn is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Het hof zal de bezwaren van [appellante] tegen het oordeel van de rechtbank bespreken.
3.3.
Voor de beoordeling is van belang wat [naam1] , [appellante] , [geintimeerde] en [naam2] eind december 2020 in hun ‘vaststellingsovereenkomst afrekenbeding’ hebben vastgesteld. Hierna volgt eerst een citaat van de relevante passages in deze vaststellingsovereenkomst ( [appellante] en [naam1] zijn aangeduid als ‘de zussen’; [geintimeerde] en [naam2] als ‘de bedrijfsopvolgers’):
“ 2. De bedrijfsopvolgers hebben in het jaar 2019 van de hiervoor vermelde onroerende zaken enige percelen cultuurgrond verkocht en geleverd aan derden, deels ten behoeve van verkrijging van vervangende cultuurgrond (ruiling), deels ten behoeve van het voldoen aan financiële verplichtingen aan de (hypotheek)bank en deels ten behoeve van de financiering van investeringen in een nieuwe bedrijfstak op de locatie [adres1] te [postcode1] [woonplaats2] , te weten de exploitatie van een camperplaats (" [naam3] ").
Per saldo is er 5.41.63 hectare cultuurgrond overgedragen aan derden. In verband met deze vervreemdingen hebben de bedrijfsopvolgers aan de zussen te kennen gegeven het afrekenbeding, al dan niet verplicht, uit te willen voeren. De zussen hebben, onder (mondeling) voorbehoud, dit aanbod geaccepteerd, waarna op 19 juni 2019 aan ieder van hen een bedrag van € 6.020,00 is uitgekeerd. De onderbouwing en berekening van dit bedrag blijkt uit een brief van Notariskantoor [naam4] , namens dochter, de 'dato 24 april 2019, aan de zussen, welke brief door elk van de zussen "voor akkoord" is ondertekend.
3. Het door de zussen gemaakte voorbehoud heeft betrekking op de interpretatie en de (verdere) uitvoering van het afrekenbeding. Er is namelijk tussen de zussen enerzijds en de bedrijfsopvolgers anderzijds een geschil ontstaan over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de overgang van het onderhavige agrarische bedrijf van de ouders naar de bedrijfsopvolgers heeft plaatsgevonden, alsmede over de inhoud, de duur en de strekking van het afrekenbeding.
Met name hebben de zussen het standpunt dat de bedrijfsopvolgers met de onder 2 omschreven rechtshandelingen stappen hebben ondernomen die wijzen op/leiden tot bedrijfsbeëindiging zoals bedoeld in het afrekenbeding, waardoor thans sprake zou van een afrekenplicht ten aanzien van alle bij het beding betrokken onroerende zaken. De bedrijfsopvolgers hebben het standpunt dat geen sprake is van bedrijfsbeëindiging maar van herinvestering in de(zelfde) onderneming en dat derhalve een (verdere) afrekenplicht niet aan de orde is.
Over de verschillende standpunten zijn diverse gesprekken en onderhandelingen tussen partijen gevoerd. Deze hebben geresulteerd in een minnelijke schikking tussen partijen bij wijze van vaststellingsovereenkomst, waarvan de inhoud hierna is vermeld.
Middels die overeenkomst hebben partijen, ter beëindiging van hun geschillen en ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar verbonden aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover deze van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.
4. De inhoud van de vaststellingsovereenkomst luidt als volgt.
a.
De bedrijfsopvolgers zullen overgaan tot verkoop van (een) door hen te bepalen perceel (percelen-cultuurgrond met een (totale) oppervlakte van minimaal 4.00.00 hectare.
Het initiatief daartoe (het "te koop zetten") zal plaatsvinden uiterlijk 1 januari 2024.
De opbrengst uit de verkoop zal terstond na de levering geheel worden uitgekeerd door de bedrijfsopvolgers aan de zussen, ieder voor de helft.
Het in 2019 door leder van de zussen ontvangen bedrag, zoals hiervoor onder 2 vermeld, komtnietin mindering op het uit te keren bedrag.
De aan de verkoop verbonden kosten, zoals van de verkoopmakelaar en van de kadastrale afsplitsing van het te verkopen perceel, komen voor rekening van de zussen en dus in mindering op het uit te keren bedrag.
Dit geldt niet voor de gebruikelijke "kosten koper".
De als gevolg van de vervreemding (staking/bestemmingswijziging) eventueel door de
bedrijfsopvolgers verschuldigde belastingen komen voor hun eigen rekening.
(…).
Alle partijen zien hetgeen de zussen verkrijgen op grond van deze overeenkomst als een gift danwel (bij verkrijging na overlijden van een ouder) als erfenis van de ouder(s), omdat de verkrijging is gebaseerd op het door de ouders ten behoeve van de zussen bedongen afrekeningbeding in de akte van ontbinding maatschap.
De ter zake van hun verkrijging te zijner tijd verschuldigde schenk- en/of erfbelasting komt voor rekening van de zussen, ongeacht de daarvoor (te zijner tijd) geldende tarieven en eventuele vrijstellingen. Zij zijn verplicht de daarvoor nodige aangifte(n) bij de Belastingdienst te (laten) doen. De kosten daarvan komen eveneens voor hun rekening.
(…)”
Zoals al is vermeld in 2.13 zijn die 4 hectare inmiddels verkocht en is de opbrengst daarvan na aftrek van kosten € 270.710. Daarvan komt aan [naam1] en [appellante] elk € 135.355 toe.
3.4.
Wat opvalt is dat [naam1] , [appellante] , [geintimeerde] en [naam2] uitdrukkelijk vaststellen dat wat de zussen verkrijgen op grond van de vaststellingsovereenkomst een gift van de ouders is. Dat ondersteunt de stelling van [geintimeerde] . [appellante] is het daarmee niet eens. Zij zegt dat deze vaststelling uit fiscale overwegingen is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst en een fiscale betekenis heeft. Zij bedoelt daarmee kennelijk dat het giften van [geintimeerde] aan haar en [naam1] zijn, maar dat voor de heffing van schenkbelasting wordt gedaan alsof het giften van de ouders zijn. In dat geval zijn [appellante] en [naam1] immers minder schenkbelasting verschuldigd. Volgens [appellante] is – zo begrijpt het hof – de vaststelling dat het hier gaat om giften van de ouders aan haar en [naam1] een schijnhandeling: om de Belastingdienst om de tuin te leiden hebben [naam1] , [appellante] , [geintimeerde] en [naam2] gedaan alsof het gaat om giften van de ouders aan [appellante] en [naam1] , terwijl het in werkelijkheid gaat om giften van [geintimeerde] aan [appellante] en [naam1] . Als klopt wat [appellante] zegt, heeft de schijnhandeling geen gevolg tussen de ‘partijen’ daarbij; een op rechtsgevolg gerichte wil (artikel 3:33 BW Pro) ontbreekt. Stelplicht en bewijslast van het bestaan van de schijnhandeling rusten op [appellante] , omdat zij zich beroept op de rechtgevolgen daarvan, die in dit geval inhouden dat de gesimuleerde handeling voor partijen geen rechtsgevolgen heeft.
3.5.
[appellante] voert aan dat ook [geintimeerde] vond dat het in feite giften van haar aan [appellante] en [naam1] zijn en wijst erop dat [geintimeerde] haar op 1 februari 2020 appte:
“Het is in eerste instantie een schenking van zus naar zus dus dan is schenkbelasting 50%”. [appellante] noemt ook andere appberichten van haar zussen waarin staat dat het fiscaal zo gunstig mogelijk moet en dat ondertekening in 2020 wenselijk is in verband met een lagere schenkbelasting.
3.6.
[appellante] wijst verder op een brief van de notaris aan haar van 12 oktober 2020 met als bijlage een ontwerp van de vaststellingsovereenkomst. De notaris schrijft:
“ De overeenkomst is opgesteld als zijnde een vaststellingsovereenkomst, gebaseerd en
aansluitend op het afrekenbeding zoals is vermeld in de akte d.d. 29 december 2006, waarbij uw genoemde zuster het agrarisch bedrijf van uw ouders in eigendom verkreeg.
Achterliggende gedachte hierbij is dat de afrekenclausule is bedongen door uw ouders ten behoeve van u en uw zuster en dat hetgeen u op grond daarvan heeft verkregen/verkrijgt, wordt aangemerkt als een schenking danwel erfenis van uw ouders.
Door de afrekenplicht op grond van het beding vóór de einddatum te verlengen en uit te
breiden wordt beoogd het door u en uw zuster te verkrijgen bedrag ook als zodanig te (laten)kwalificeren, waardoor dan t.z.t. op de verkrijgingen het laagste tarief voorde
schenk/erfbelasting (ouderkind 10% tot 20%) kan worden toegepast (in plaats van
zuster  zuster 30% tot 40%). Ik kan niet garanderen dat dit beoogde ook zal worden
gerealiseerd. Dit zal pas blijken uit de reactie van de Belastingdienst op de t.z.t. in te dienen aangifte(n).”
3.7.
Het hof is van oordeel dat [appellante] haar stelling dat de vaststelling dat het gaat om giften van de ouders een schijnhandeling is, onvoldoende heeft onderbouwd. [geintimeerde] betwist die stelling. Dat [geintimeerde] in februari 2020 appte dat het een schenking van zus naar zus zou zijn en dat is gesproken over een fiscaal zo gunstig mogelijke regeling zijn onvoldoende om van de vaststelling in december 2020 een schijnhandeling te maken. De brief van de notaris waarnaar [appellante] verwijst vormt eerder een ontkrachting van de stelling van [appellante] . De notaris schrijft met zoveel woorden dat de achterliggende gedachte bij de vaststellingsovereenkomst is dat de afrekening is bedongen door de ouders ten behoeve van [appellante] en [naam1] en dat die verkrijging een schenking dan wel een erfenis van de ouders is. De notaris houdt in zijn brief wel een slag om de arm voor de reactie van de Belastingdienst, maar dat doet er niet aan af dat uitgangspunt van de vaststellingsovereenkomst is en blijft dat het om giften van de ouders aan [appellante] en [naam1] gaat. Het hof merkt op dat [appellante] in hoger beroep wel een algemeen bewijsaanbod heeft gedaan, maar dat op dit punt niet heeft gespecificeerd. Zij geeft niet voldoende concreet aan dat haar bewijsaanbod ook op deze stelling betrekking heeft en wie daarover mogelijk een verklaring zou kunnen afleggen. [1] Dat betekent dat [appellante] , ook als zij wel aan haar stelplicht zou hebben voldaan, niet tot bewijs van haar stelling zou zijn toegelaten.
3.8.
[appellante] brengt verder naar voren dat de vaststelling dat het hier gaat om giften van de ouders nietig is, omdat de vaststellingsovereenkomst volgens haar strekt tot beschikking over de destijds nog niet opengevallen nalatenschappen van de ouders in hun geheel of over een evenredig deel daarvan (artikel 4:4 lid 2 BW Pro). Het hof gaat aan die stelling voorbij. Wat [appellante] zegt is onjuist. Met de vaststelling dat het bij de uitvoering van het afrekenbeding gaat om giften van de ouders aan [appellante] en [naam1] wordt niet beschikt over de nalatenschappen van de ouders of over een evenredig deel daarvan. De afspraak betreft slechts de vraag of de uitvoering van het afrekenbeding leidt tot een gift van de ouders aan [appellante] en [naam1] of tot een gift van [geintimeerde] aan [appellante] en [naam1] .
3.9.
Niet is komen vast te staan dat de vaststelling dat het hier gaat om giften van de ouders een schijnhandeling is en geen rechtsgevolg heeft. Er is ook geen sprake van een overeenkomst die op grond van artikel 4:4 lid 2 BW Pro nietig is. Blijft nog over de vraag wie de ‘gever’ is: de ouders of [geintimeerde] .
3.10.
Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt, mits die ander de prestatie heeft ontvangen of daarop aanspraak kan maken (artikel 7:186 lid 2 BW Pro). Voor een gift is nodig (1) een verrijking van de begiftigde (2) een verarming van de schenker (‘ten koste van eigen vermogen’) en (3) een bevoordelingsbedoeling (handeling of overeenkomst ‘die ertoe strekt’). Het gaat erom dat de schenker zich niet alleen bewust is van de bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordelen heeft. Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld; de rechter kan verder aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. [2] Een gift kan ook besloten liggen in een samenstel van rechtshandelingen. [3] Ook een derdenbeding (artikel 6:253 BW Pro) kan een gift zijn.
3.11.
In dit geval hebben de ouders bij de ontbinding van de maatschap en de afwikkeling van het maatschapsvermogen bedongen dat [geintimeerde] , als zij onroerende zaken of productierechten die aan haar zijn overgedragen vervreemdt of het bedrijf beëindigt, aan elk van haar zussen 1/3e van de winst die zij daarbij maakt moet uitkeren. Deze verplichting vervalt als die vervreemding of bedrijfsbeëindiging zich op 1 januari 2021 niet heeft voorgedaan. De vaststellingsovereenkomst is onder meer aangegaan omdat de partijen daarbij het niet eens waren over het antwoord op de vraag of op enig moment voor 1 januari 2021 sprake was van bedrijfsbeëindiging.
3.12.
Het hof is van oordeel dat het afrekenbeding een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW Pro is. Volgens dat artikel schept een overeenkomst voor een derde het recht een prestatie van een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt. Dat is wat hier is gebeurd. De overeenkomst van de ouders met [geintimeerde] en [naam2] (‘het afrekenbeding’) schept voor [appellante] en [naam1] het recht een prestatie van [geintimeerde] en [naam2] te vorderen (1/3e van de winst bij vervreemding van onroerende zaken of bedrijfsbeëindiging voor 1 januari 2021). Dit beding is door [appellante] en [naam1] aanvaard.
3.13.
Het hof is van oordeel dat dit derdenbeding de strekking heeft [appellante] en [naam1] te verrijken ten koste van het vermogen van de ouders. Er vindt een vermogensverschuiving plaats tussen het vermogen van de ouders (verarming) en dat van [appellante] en [naam1] (verrijking). De ouders hebben zich bij de ontbinding van de maatschap het recht voorbehouden dat [geintimeerde] bij vervreemding van onroerende zaken of bedrijfsbeëindiging voor 1 januari 2021 een deel van de winst moet delen en vervolgens [appellante] en [naam1] aangewezen als de personen die dat recht kunnen uitoefenen. Uit de omstandigheden van het geval leidt het hof af dat de ouders zich bewust waren van de bevoordeling van [appellante] en [naam1] en ook de wil hadden hen te bevoordelen. Het gaat immers om bedrijfsopvolging door een dochter en schoonzoon in de veronderstelling dat het bedrijf door die dochter en schoonzoon dan wel hun kinderen zal worden voortgezet en wel zodanig dat een lonende exploitatie mogelijk is. Zo staat het verwoord in de akte ‘ontbinding maatschap/levering’. Daarin staat vervolgens:
‘Daarom is tussen de ouders en de dochter overeengekomen, dat dochter verplicht is een nadere uitkering te doen’aan ieder van haar zussen bij vervreemding van onroerende zaken of bedrijfsbeëindiging voor 1 januari 2021. Met dit beding beogen de ouders het voordeel dat [geintimeerde] daarbij behaalt te laten delen met haar zussen. In dit geval loopt de vermogensverschuiving van de ouders naar [appellante] en [naam1] via [geintimeerde] . Zij is verplicht tot uitkering van 1/3e van de in het afrekenbeding bedoelde winst. Dat betekent niet dat [appellante] en [naam1] ten koste van haar worden verrijkt. Zij verarmt niet omdat zij al de verplichting heeft de winst te delen. Bij haar is ook geen sprake van een bevoordelingsbedoeling, wel van een verplichting jegens haar ouders die zij moet nakomen.
3.14.
De slotsom is dat grief 1 van [appellante] faalt. Het betekent ook dat de voorwaardelijke grief van [geintimeerde] in verband met de vaststellingsovereenkomst niet meer aan de orde hoeft te komen
Grief 2: is de rente over de vordering van € 28.572 geschonken/benoeming deskundige
3.15.
In deze grief stelt [appellante] twee geschilpunten aan de orde:
[geintimeerde] is nog rente verschuldigd over de vordering van haar ouders die bij het overlijden van moeder € 28.572 bedroeg. Die rente bedraagt € 7.020,22 en moet als schenking meetellen bij het bepalen van de legitimaire massa.
Er moet een deskundige worden benoemd om de overnameprijs opnieuw te berekenen.
onderdeel a
3.16.
Volgens de opgave van de notaris (getiteld ‘Pro forma/Concept d.d. 10-03-2022’) behoorde tot de nalatenschappen van de ouders:
“Vordering: op dochter [geintimeerde] en haar echtgenoot (restschuld bedrijfsovername), conform opgave accountant € 28.572.”
De rechtbank heeft deze vordering meegeteld bij het saldo van de nalatenschappen, in elke nalatenschap voor de helft. Volgens [appellante] is [geintimeerde] nog rente verschuldigd. [appellante] berekent die rente over de periode 29 december 2006 – 10 april 2021 op € 7.020,22. [geintimeerde] betwist dat zij nog rente is verschuldigd. [appellante] concludeert:
‘Dit bedrag dient derhalve als een schenking aan [geintimeerde] bij de berekening van de legitieme portie te worden meegenomen.’[appellante] legt niet uit wat maakt dat dit bedrag is geschonken aan [geintimeerde] . Zij stelt niet dat sprake is van een vermogensverschuiving (verarming ouders/verrijking [geintimeerde] ) en rept ook niet van een bevoordelingsbedoeling. Dat betekent dat de grief op dit onderdeel faalt.
onderdeel b
3.17.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de overnamesom die [geintimeerde] moest betalen voor de agrarische onderneming € 664.468 bedroeg en dat daarvan € 565.493 nog niet is betaald. De rechtbank heeft voor het bepalen van de legitimaire massa dit bedrag meegeteld als gift van de ouders aan [geintimeerde] . [appellante] wil dat het hof een deskundige benoemt om de overnameprijs opnieuw te berekenen op basis van de artikel 14.g jo artikel 15 aanhef Pro van de maatschapsovereenkomst. Zij vindt dat de berekening in het kader van de overname van het bedrijf niet conform die grondslag is gedaan. Zij legt in dit verband een rapport van [de accountant] over.
3.18.
In artikel 14.g van de maatschapsovereenkomst is bepaald dat [geintimeerde] bij uittreding van de ouders uit de maatschap het recht heeft om het door de ouders in gebruik en genot ingebrachte buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen (onroerende zaken, productierechten en andere activa) tegen de waarde in verpachte staat over te nemen. In artikel 15 aanhef Pro is bepaald:
“ Het bepaalde in artikel 14. letter g is overeengekomen in de veronderstelling dat na uittreden door de vennoot A en/of B (hof: de ouders) uit de maatschap, hetzij bij leven, hetzij bij overlijden, het bedrijf geruime lijd door de vennoot D (hof: [geintimeerde] ) of haar afstammelingen. al dan niet samen met de vennoot C (hof: de echtgenoot van [geintimeerde] ) zal worden voortgezet en wel zodanig dat een lonende exploitatie mogelijk is.”
3.19.
Bij de ontbinding van de maatschap is vervolgens uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik die is getaxeerd op € 636.000 (taxatierapport [makelaar2] van 6 januari 2006). Er is niet uitgegaan van de waarde in verpachte staat.
3.20.
[de accountant] komt tot de volgende bevindingen:
“ De voortzettingswaarde als overnamesom
Door partijen is de overnamesom gesteld op de voortzettingswaarde zoals bedoeld binnen de BOR en ook conform het goedgekeurde rekenmodel. (…)
Ook met het hanteren van de voortzettingswaarde als maatstaf voor de vaststelling van de overnamesom wordt in principe in ieder geval recht gedaan aan het beschreven onderrendement bij grondgebonden landbouwbedrijven en aldus met het feit dat een overname tegen marktwaarden onmogelijk en niet financierbaar is.
Tegen het bij de berekening van de voortzettingswaarde hanteren van het goedgekeurde rekenmodel valt wel wat meer in te brengen. De strekking van dit model is dat dit een goedkeuring betreft: als bij de berekening van de totale BOR vrijstelling, waarbinnen de vaststelling van de voortzettingswaarde een tussenstap is, de voortzettingswaarde wordt berekend overeenkomstig het rekenmodel, stemt de belastingdienst op voorhand met die vaststelling in. Voorts is het rekenmodel sterk gebaseerd op macrogegevens, zoals de KWIN-normen, en wordt deze maar in beperkte mate toegespitst op de gegevens van het betreffende bedrijf. Het hanteren van het rekenmodel levert derhalve hooguit een 'ruwe' berekening van de waarde op basis van de kasstromen op en het is daarmee eigenlijk geen middel om tot een weloverwogen overnamesom te komen. Daarnaast kan opgemerkt worden dat zowel het waarderen in verpachte staat als het waarderen op basis van de kasstromen binnen de onderneming impliceert dat de waarde van de onderneming in zekere zin 'vanuit de belegger' plaatsvindt.”
Agrarische waarde: nog juist lonende exploitatie
In de jurisprudentie binnen het erfrecht kiest de Hoge Raad in plaats van de voornoemde rekenmethodieken voor waardering vanuit de optiek van de overnemer. De Hoge Raad gaat uit van de waarde waarbij nog juist een lonende exploitatie mogelijk is en neemt daarbij de financieringsruimte van het bedrijf tot uitgangspunt.(Hof: verwezen wordt naar Hoge Raad 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172, in het bijzonder rechtsoverweging 3.4.4.).
De berekening van de vergoeding voor de bedrijfsovername waarbij de exploitatie nog juist lonend mogelijk is ontbreekt in casu. Als in erfrechtelijke zin getoetst moet worden of de in 2005 vastgestelde overnamesom van € 664.468,- redelijk en passend is, is het noodzakelijk dat beoordeeld wordt in hoeverre die overnamesom strookt met het uitgangspunt dat nog juist een lonende exploitatie voor de overnemer mogelijk is. De maatstaf die de Hoge Raad heeft gegeven is de enige juiste maatstaf om tot een weloverwogen en redelijke overnamesom te komen in geval van voortzetting van het bedrijf.
De berekening van de overnamesom en van het uiteindelijk door [geintimeerde] en [naam2] verschuldigde bedrag in 2005 heeft geheel plaatsgevonden op basis van de fiscale bedrijfsopvolgingsregeling, waarbij het gebruiken van het goedgekeurde rekenmodel ook nog een zekere ruwheid in zich heeft.”
3.21.
Als het hof [appellante] goed begrijpt komt haar stelling erop neer dat de overnamesom hoger is dan € 664.468 en dat ook het meerdere als een gift moet meetellen bij het vaststellen van de legitimaire massa. Om dat vast te stellen wil [appellante] dat het hof een deskundige benoemt die de onroerende zaken, de productierechten en de andere activa tegen de waarde in verpachte staat taxeert. [appellante] licht niet toe dat die waardering tot een hogere overnamesom zou hebben geleid dan de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik. Zij licht ook niet toe dat haar ouders en [geintimeerde] en [naam2] zich daarvan bewust zijn geweest en dat haar ouders om [geintimeerde] en [naam2] te bevoordelen hebben gekozen voor de waardering in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik. [de accountant] noemt in het rapport verschillende wijzen van waardering, onder andere de waardering waarbij nog juist een lonende exploitatie mogelijk is waarbij de financieringsruimte van het bedrijf uitgangspunt is. [appellante] heeft niet het oog op deze waarderingsmethode en zo zij dat wel heeft licht zij ook hier niet toe dat deze wijze van waardering tot een hogere overnamesom zou hebben geleid en dat haar ouders met dat meerdere bedoeld hebben [geintimeerde] en [naam2] in afwijking van de afspraken in de maatschapsovereenkomst te bevoordelen. Grief 2 faalt ook op onderdeel b.
grief 3: [adres2] : het recht van koop en de waarde bij de schenking
grief [geintimeerde] : de woning is niet geschonken
3.22.
Ook in deze grief stelt [appellante] twee geschilpunten aan de orde:
[appellante] heeft van haar ouders een recht van koop gekregen voor de woning aan de [adres2] en [geintimeerde] wist daarvan.
De woning was bij de schenking daarvan aan [geintimeerde] niet € 300.000, maar € 450.000 waard. [geintimeerde] betwist dat de woning aan haar is geschonken.
onderdeel a: het recht van koop
3.23.
[appellante] stelt dat zij op 3 maart 2000 met haar ouders is overeengekomen dat zij een recht van koop heeft voor de woning aan de [adres2] in [woonplaats2] voor een bedrag van f 300.000. [geintimeerde] was ook partij bij deze overeenkomst. [appellante] onderbouwt haar stelling met een stuk met het opschrift
‘OPTIERECHT TOT KOOP’en met een verklaring van haar echtgenoot van 24 februari 2024
.De ouders hebben deze woning op 29 december 2006 geschonken aan [geintimeerde] onder voorbehoud van vruchtgebruik. Dat betekent volgens [appellante] dat zij aan haar de boete zijn verschuldigd van € 90.756 (f. 200.000) die is afgesproken voor het geval dat de ouders handelen in strijd met het recht van koop van [appellante] . Als erfgename van de ouders moet [geintimeerde] dit bedrag aan [appellante] betalen. [geintimeerde] betwist dit en wijst erop dat zij een ouder recht van koop had op grond van artikel 14 letter Pro g van de maatschapsovereenkomst. Zij wijst ook op de brief van 19 juni 2000 van [de accountant] aan vader waarin staat dat het stuk met de koopoptie aan [appellante] niet zal worden ondertekend, omdat vader de woning aan de [adres2] in [woonplaats2] in de toekomst aan [geintimeerde] wil schenken. [geintimeerde] voert tot slot nog aan dat [appellante] als zij wel het recht van koop had, niet tijdig daarvan gebruik heeft gemaakt. In het stuk met de koopoptie staat immers dat [appellante] dat moet doen binnen 1 jaar na het overlijden van de langstlevende van de ouders. [appellante] biedt aan haar stelling te bewijzen.
3.24.
Als [appellante] inderdaad op 3 maart 2000 het recht van koop zou hebben gekregen en wel met de nadere afspraken daarover die in het stuk met de koopoptie staan heeft zij niet tijdig gebruik daarvan gemaakt. Daarover is immers bepaald:
“ 2. De verkoper verleent aan de koper, die zulks voor zich aanneemt: het recht om voornoemde onroerende zaken te kopen binnen één jaar na het moment van overlijden van de langstlevende ouder of het permanent verlaten door ouders of langstlevende ouder van de onroerende zaken. Na het overlijden van de langstlevende ouder zijn de erfgenamen gehouden om, wanneer koper binnen de overeengekomen periode een beroep doet op het optierecht, mee te werken aan de overdracht van de onroerende zaken onder de voorwaarden zoals in deze overeenkomst overeengekomen.
(…)
7. Indien koper van het hem verleende recht van koop wenst gebruik te maken, zal hij daarvan, binnen de in artikel 2 genoemde Pro termijn, bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot aan verkoper moeten kennis geven.”
Ook de rechtbank heeft dit al geoordeeld en [appellante] heeft tegen dat oordeel geen grief gericht.
3.25.
Dan blijft nog wel de vraag of de ouders aan [appellante] een boete verschuldigd zijn geworden omdat zij in 2006 de woning aan de [adres2] aan [geintimeerde] hebben overgedragen. De afspraak die daarover in het stuk met de koopoptie is gemaakt luidt:
“ 10. Indien verkoper, of diens erfgenamen, in strijd handelt met enige bepaling van deze akte of weigert of nalatig is (tijdig) tot de uitvoering of toepassing daarvan behoorlijk mee te werken, zal hij ten behoeve van koper een zonder sommatie en ingebrekestelling onmiddellijk opvorderbare boete van f 200.000,- gulden verbeuren, onverminderd het recht van koper om van verkoper vergoeding van de eventueel door hem geleden meerdere schade te eisen. Koper kan tegelijk nakoming van de boete en nakoming van de hoofdverbintenis vorderen.”
3.26.
[appellante] heeft niet duidelijk gemaakt dat haar ouders in strijd hebben gehandeld met een van de bepalingen van het stuk met de koopoptie. Ook is er geen moment geweest waarop de ouders hebben geweigerd of nalatig zijn geweest tijdig mee te werken aan de uitvoering van de door [appellante] gestelde afspraken over het recht van koop. Het stond de ouders vrij de woning over te dragen aan [geintimeerde] . Zij hadden aan [appellante] wellicht een recht van koop gegeven, niet een voorkeursrecht van koop voor het geval zij de woning wilden vervreemden. Als [appellante] gebruik had gemaakt van haar recht op koop, hadden de ouders de woning aan haar moeten verkopen en leveren en als dat vanwege de overdracht aan [geintimeerde] niet mogelijk was geweest hadden zij [appellante] daarvoor schadeloos moeten stellen.
3.27.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [appellante] . Ook als zij haar stellingen op dit onderdeel zou bewijzen leidt dat niet tot het oordeel dat [geintimeerde] aan haar € 90.756 moet betalen. Grief 3 faalt op onderdeel a.
onderdeel b; is de woning geschonken en wat is de waarde van de gift?
3.28.
[appellante] stelt dat haar ouders de woning aan de [adres2] in [woonplaats2] hebben geschonken aan [geintimeerde] . [geintimeerde] betwist dat. De ouders hebben de woning in de akte ontbinding maatschap/levering van 29 december 2006 aan haar en [naam2] overgedragen onder voorbehoud van het vruchtgebruik. De overnameprijs bedroeg overeenkomstig de taxatie € 240.000 (€ 150.000 voor de woning en € 90.000 voor de ondergrond). Het vruchtgebruik is gewaardeerd op € 144.000. De overnameprijs van € 96.000 is betaald bij de overname.
3.29.
Het hof oordeelt dat [appellante] tegenover de betwisting door [geintimeerde] en de gegevens in de akte van ontbinding maatschap/levering haar stelling dat de woning aan [geintimeerde] is geschonken niet voldoende toelicht. Zij ziet ook over het hoofd dat de overdracht niet alleen aan [geintimeerde] heeft plaatsgehad, maar ook aan [naam2] . [appellante] legt niet uit wat de verarming van haar ouders en wat de verrijking van [geintimeerde] is. Zij heeft ook niet uitgelegd dat haar ouders de bedoeling hadden [geintimeerde] te bevoordelen met deze overdracht en zich van die bevoordeling bewust waren. [appellante] voldoet niet aan haar stelplicht en zal alleen daarom al niet worden toegelaten tot bewijs van haar stelling. De grief van [geintimeerde] in het incidenteel hoger beroep slaagt; grief 3 van [appellante] faalt op onderdeel b. Het hof zal vanwege het slagen van deze grief de berekening van de legitimaire massa van de rechtbank corrigeren. Daarin is nog rekening gehouden met een gift van de woning aan [geintimeerde] van € 299.000. Bij de rechtbank was anders dan in hoger beroep tussen partijen nog niet in geschil dat sprake was van een gift. Omdat de grief van [geintimeerde] slaagt gaat het hof voorbij aan het debat van partijen over de waarde van de schenking.
grief 4: waarde schenking van twee zomerhuizen aan [naam1]
3.30.
Vader heeft op 23 april 2014 twee zomerhuizen met wat daarbij hoort geschonken aan [naam1] ; de waarde daarvan is destijds (februari 2014) getaxeerd op € 70.000. Volgens [appellante] was de waarde van deze zomerhuizen aanmerkelijk hoger, omdat bij de waardebepaling geen rekening is gehouden met alle relevante omstandigheden. Zij heeft taxatierapporten in geding gebracht van [makelaar3] die de waarde op 23 april 2014 schatten op € 115.000 per zomerhuis.
3.31.
Het hof gaat net als de rechtbank voor de omvang van de schenking uit van € 70.000. Deze waarde berust op een destijds uitgevoerde taxatie van de taxateur van de Rijksbelastingen in Zwolle en [makelaar1] , makelaar en taxateur in onroerende zaken. Deze taxatie is gemaakt met het oog op de overdrachtsbelasting. Artikel 9 lid 1 van Pro de Wet belastingen van rechtsverkeer bepaalt dat de overdrachtsbelasting wordt berekend over de waarde van de onroerende zaak, waarmee is bedoeld de waarde in het economisch verkeer. Het hof gaat ervan uit dat dit ook de waarde is die de taxateur van de Rijksbelastingen en [makelaar1] op het oog hadden. In dit rapport staat:
“ Deze taxatie is verricht met inachtneming van de plaatselijke toestanden en huidige koopsommen van soortgelijke objecten, het onderhavige bestemmingsplan, de stand en ligging en andere factoren, welke voor de bepaling van de waarde dienstig kunnen zijn. De aanwezigheid van bodemverontreiniging is niet bekend; met de gevolgen van eventuele aanwezigheid is bij deze taxatie geen rekening gehouden.”
Het hof gaat uit van de deskundigheid van de taxateur van de Rijksbelastingen en [makelaar1] . Dat [appellante] tot een andere weging komt van de factoren die voor de taxatie relevant zijn maakt niet dat de taxatie van de taxateur van de Rijksbelastingen en [makelaar1] indertijd niet deugdelijk en betrouwbaar is en dat vader en [naam1] daarop niet mochten vertrouwen.
In de taxatierapporten van [makelaar3] staat bij de vraag of er bijzonderheden zijn:
“ja, doordat de woning niet van de binnenzijde is opgenomen is geen goed beeld gekregen van de staat van het onderhoud en het woonoppervlakte van de woning.”
Dat maakt deze taxatierapporten minder goed bruikbaar.
[appellante] licht niet toe dat vader en [naam1] weet hadden van een aanmerkelijk hogere waarde en dat vader zich ervan bewust was en ook de bedoeling had [naam1] voor aanmerkelijk meer dan een waarde van € 70.000 te bevoordelen. Grief 4 van [appellante] faalt.
grief 5: herrekenen legitimaire massa
3.32.
Omdat alle grieven van [appellante] falen, faalt ook grief 5 en is er wat de grieven van [appellante] betreft geen aanleiding de legitimaire massa te herrekenen.
herrekening legitimaire massa vanwege slagen grief [geintimeerde] in incidenteel hoger beroep
3.33.
De rechtbank heeft bij de berekening van de legitimaire massa in de nalatenschappen van de moeder en de vader rekening gehouden met een gift van de ouders aan [geintimeerde] van € 299.000 in verband met de overdracht van de [adres2] . Hiervoor is geoordeeld dat de ouders die woning niet hebben geschonken aan [geintimeerde] , maar dat er een andere titel voor de overdracht is.
3.34.
De rechtbank heeft de legitimaire massa in de nalatenschap van moeder berekend op € 685.814,50. Daarop brengt het hof nu in mindering € 154.500 (1/2 x 299.000), zodat blijft € 531.314. De legitieme portie van [appellante] in de nalatenschap van moeder is € 66.414 (1/8 x € 531.314). Zij heeft aan giften ontvangen € 103.187,50. Haar legitieme aanspraak is daarom 0. Dat is in lijn met de beslissing van de rechtbank.
3.35.
De rechtbank heeft de legitimaire massa in de nalatenschap van vader berekend op € 692.494,50. Daarop brengt het hof nu in mindering € 154.500 (1/2 x 299.000), zodat blijft € 537.994. De legitieme portie van [appellante] in de nalatenschap van vader is € 89.665,75 (1/6 x € 537.994). Zij heeft aan giften ontvangen € 103.187,50. Haar legitieme aanspraak in de nalatenschap is daarom ook in deze nalatenschap 0. De rechtbank heeft de legitieme aanspraak van [appellante] in de nalatenschap van vader bepaald op € 12.228,25. Het hof zal die beslissing vernietigen en de vordering van [appellante] tot betaling door [geintimeerde] van haar legitieme portie in de nalatenschap van vader afwijzen.
De conclusie
3.36.
Het principaal hoger beroep slaagt niet; het incidenteel hoger beroep wel. Het hof zal onderdeel 6.1. van het vonnis van de rechtbank van 19 juni 2024 vernietigen en de vordering van [appellante] over betaling van haar legitieme portie in de nalatenschap van vader alsnog afwijzen. Het hof zal dat vonnis voor het overige bekrachtigen.
3.37.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten). Dit geding betreft de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van partijen.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt onderdeel 6.1. van het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 19 juni 2024;
wijst de vordering van [appellante] om [geintimeerde] te veroordelen aan haar de legitieme portie in de nalatenschap van vader te betalen af;
bekrachtigt dit vonnis voor het overige;
compenseert de proceskosten in dit geding in hoger beroep, zodat ieder de eigen proceskosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, J.H. Lieber en R. Prakke-Nieuwenhuizen en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, rov. 3.5.
2.HR 12 juli 2002, BNB 2002/317, rov. 3.5. en HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1715, rov. 3.2.2
3.HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:316, rov. 3.1.2.