ECLI:NL:GHARL:2026:612

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
200.342.677
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:166 BWArt. 3:170 BWArt. 3:171 BWArt. 6:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid deelgenoot en handhaving erfdienstbaarheid mandelige grond in woonwijk

In deze zaak gaat het om de bevoegdheid van een deelgenoot om rechtsvorderingen in te stellen ten behoeve van een mandelige gemeenschap en de uitleg en handhaving van een erfdienstbaarheid die het oprichten van bouwwerken op bepaalde gedeelten van mandelige grond beperkt.

De mandelige grond betreft een park rondom villa’s en appartementen in een woonwijk, waarbij de eigenaren gezamenlijk eigenaar zijn van het park. Een erfdienstbaarheid verbiedt het oprichten van bouwwerken met een inhoud van meer dan twee kubieke meter en/of een hoogte van meer dan één meter op bepaalde stroken grond. Appellanten hebben bouwwerken geplaatst die deze beperkingen overschrijden, waarop geïntimeerden verwijdering vordert.

Het hof oordeelt dat iedere deelgenoot bevoegd is om rechtsvorderingen ten behoeve van de mandelige gemeenschap in te stellen, ook zonder instemming van andere deelgenoten. De bouwwerken van appellanten zijn in strijd met de erfdienstbaarheid. Er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid door geïntimeerden. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, wijzigt enkele veroordelingen tot terugbrengen van bouwwerken binnen de toegestane afmetingen en stelt een termijn van zes maanden voor aanpassing met dwangsom bij niet-naleving.

De proceskosten worden aan appellanten opgelegd. Het arrest bevestigt de uitleg van de akte van mandeligheid en de erfdienstbaarheid en benadrukt het belang van het behoud van het groene karakter van het park.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de veroordeling tot verwijdering of terugbrengen van bouwwerken die in strijd zijn met de erfdienstbaarheid binnen zes maanden met dwangsom.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.342.677, 200.342.679, 200.342.680
zaaknummer rechtbank C/05/420250
arrest van 3 februari 2026
in de zaak 200.342.677

1.[appellanten zaak1]

2.
[appellanten zaak1]
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Stokdijk
tegen

1.[geïntimeerden]

2.
[geïntimeerden]
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. F.B.M. van Aanhold
in de zaak 200.342.679:
[appellant zaak2]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Stokdijk
tegen

1.[geïntimeerden] en

2. [geïntimeerden]
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. F.B.M. van Aanhold
en in de zaak 200.342.680:

1.[appellanten zaak3] en

2. [appellanten zaak3]
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Stokdijk
tegen

1.[geïntimeerden] en

2. [geïntimeerden]
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. F.B.M. van Aanhold

1.Het verdere verloop van de procedures in hoger beroep

Na het tussenarrest van 26 november 2024 hebben [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] een memorie van grieven en [geïntimeerden] een memorie van antwoord genomen. Vervolgens heeft op 5 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan de dossiers is toegevoegd (het proces-verbaal). Het hof heeft aan het eind van de mondelinge behandeling bepaald dat opnieuw arrest zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

[appellanten zaak1] , [appellant zaak2] , [appellanten zaak3] en [geïntimeerden] hebben allen een villa in het voormalige [woonwijk] , een kleine woonwijk in [woonplaats] . Samen met de eigenaren van 7 andere villa’s en 16 appartementen in die woonwijk zijn zij elk voor 1/27e deel eigenaar van het park/de grond rondom die villa’s en appartementen. Een deel van de grond die vroeger ook tot het park behoorde is (in afzonderlijke percelen) aan de eigenaren van de villa’s in eigendom overgedragen en aan hun tuinen toegevoegd. Op deze overgedragen grond is een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van de resterende mandelige grond, die onder meer inhoudt dat op deze grond geen bouwwerk mag worden opgericht met een inhoud van meer dan twee kubieke meter en/of een hoogte van meer dan een meter. [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] hebben bouwwerken in hun tuin geplaatst op de grond waarop de erfdienstbaarheid rust. Deze bouwwerken hebben een inhoud van meer dan twee kubieke meter en/of zijn hoger dan een meter.
[geïntimeerden] heeft verwijdering gevorderd van de bouwwerken, dan wel terugbrenging daarvan tot de toegestane inhoud van twee kubieke meter en hoogte van één meter.
Die vorderingen zijn door de rechtbank toegewezen.
Het hof is het daarmee eens, voor zover de bouwwerken op de grond staan waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd, en wijst daarom (in zoverre) het door [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] tegen de beslissing van de rechtbank ingestelde hoger beroep af. Het hof zal een termijn van zes maanden geven om het deel van de bouwwerken, dat niet in overeenstemming is met de uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende verplichting, te verwijderen. Dat wordt hierna toegelicht.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1.
Op 23 augustus 1999 heeft de gemeente [woonplaats] de grond behorende tot het voormalige [woonwijk] in [woonplaats] geleverd aan een projectontwikkelaar ten behoeve van de realisatie van een kleinschalige woonwijk. Aan deze projectontwikkelaar is toen de last opgelegd om het niet te bebouwen gedeelte van de grond zodanig aan te leggen dat het een openbaar karakter verkrijgt en om maatregelen te nemen om het aanleggen, in stand houden en onderhoud van het park, de weg, de straatverlichting, het voetpad en het hekwerk te waarborgen. Voor de inrichting daarvan had de projectontwikkelaar een plan opgesteld, omvattende een tekening en een beschrijving. Dit niet te bebouwen gedeelte van de grond zou door de (toekomstige) eigenaren van de 11 te bouwen villa’s en 16 te realiseren appartementen gemeenschappelijk moeten worden onderhouden. Daarom is dat deel van de grond bestemd als mandelige (daarmee wordt bedoeld: gemeenschappelijke) grond. Waar in deze uitspraak verder ‘de mandelige grond’ wordt genoemd, wordt daarmee bedoeld deze mandelige grond.
3.2.
Bij akte van mandeligheid van 23 augustus 1999 is bepaald dat de grond voor gelijke delen aan de eigenaren van de villa’s en appartementen zal worden geleverd, ieder voor 1/27e deel. Het door de projectontwikkelaar opgestelde plan, met de tekening en beschrijving van het aan te leggen, in stand te houden en te onderhouden park, is aan die akte gehecht.
In die akte is ook een reglement opgenomen, waarin bepalingen staan over het beheer van de mandelige grond.
Artikel 6 van Pro het reglement luidt als volgt:
“1. Het beheer van de mandelige zaak geschiedt door de mandelige eigenaren tezamen middels een of meer beheerders.
2. Onder beheer wordt verstaan het verrichten van alle handelingen welke dienstig kunnen zijn voor het onderhoud van en de instandhouding van de mandelige zaak.
3. Tot alle andere handelingen dan beheershandelingen zijn de deelgenoten slechts gezamenlijk bevoegd.
4. (…)
In artikel 8 van Pro het reglement staat vervolgens:
“1. Het beheer geschiedt door tenminste één persoon.
2.a. In de volgorde waarvan de villa’s en casu quo de appartementen (…) in eigendom worden geleverd, is iedere deelgenoot, casu quo diens rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel, verplicht om bij toerbeurt gedurende een periode van twaalf aaneengesloten maanden als beheerder van de mandelige zaak op te treden.
2.b. (…)
3. (…)
4.a. In afwijking van het tweede lid kan bij besluit van de algemene vergadering voor een in dat besluit aangegeven periode of voor onbepaalde duur een of meer van de deelgenoten of een derde als beheerder worden aangewezen.”
In artikel 10 van Pro het reglement is onder meer bepaald dat de beheerder met goedkeuring van de algemene vergadering bevoegd is tot het verrichten van alle rechtshandelingen. Deze goedkeuring is niet nodig voor rechtshandelingen die het in stand houden en het onderhouden van de mandelige zaak betreffen en een nader door de algemene vergadering vast te stellen bedrag of waarde niet te boven gaan.
3.3.
Bij akte van 4 juli 2003 is de stichting Beheer [woonwijk] opgericht met als uitsluitend doel het fungeren als beheerder van de mandelige zaak en het beheer van de door de deelgenoten in de mandeligheid bijeengebrachte gelden. De mandelige zaak is daarbij omschreven als
“het park met groenvoorzieningen, de weg en een voetpad, straatverlichting en riolering op het [woonwijk] te [woonplaats] , en het om dit terrein geplaatste hekwerk (…)”.
3.4.
De projectontwikkelaar is nadien in staat van faillissement komen te verkeren.
3.5.
In het dossier bevindt zich een brief van 31 maart 2004 die is gericht aan de eigenaars/medebewoner. Bovenaan deze brief is met de hand bijgeschreven:
“Brief [naam1] & [naam2] .
In deze brief staat:
Mede naar aanleiding van de op 9 maart jongstleden gehouden vergadering van onze Mandeligheid hebben wij gemeend onderstaande te moeten opstellen om de reeds geruime tijd bestaande impasse te doorbreken. Hierbij doelen wij de op de impasse betreffende de Mandeligheid, dat wil zeggen, de overdracht van de grond, de uitvoering van het groenplan (in brede zin), als ook het doven van de straatverlichting betreffende.
In nauw overleg met een aantal van de eigenaars/bewoners, zijn wij tot onderstaand voorstel gekomen, waarbij wij menen ieders individuele belang, alsmede het gemeenschappelijke belang, een zorgvuldige plek te kunnen geven. (…)
Het voorstel omvat het verkavelen van stukken mandelige grond t.b.v. verkoop aan de eigenaars van de woningen in het [woonwijk] .
De opbrengst van de verkoop stelt ons in staat de huidige klachten op te lossen, een uitkering te doen aan alle eigenaren en een reserve op te bouwen voor toekomstig onderhoud (…). De te verwerven stukken grond dienen het parkachtige karakter te behouden en dienen derhalve als zodanig gebruikt te worden. Uitgangspunt is dan ook de huidige akte van Mandeligheid. (…)”
3.6.
In notulen van de vergadering van toekomstige eigenaren van het mandelige terrein in het [woonwijk] van 24 november 2004 is vermeld:
“Naar aanleiding van vragen over de beperkende erfdienstbaarheden wordt gesteld dat het uitgangspunt hierbij moet zijn . wij willen het park behouden zoals het bedoeld was, dus groen! Derhalve zijn opstallen zoals schuttingen, bergingen, zwembaden etc. verboden.”
3.7.
De mandelige grond is op 28 september 2005 door de curator in het faillissement van de projectontwikkelaar aan de 27 eigenaren van de villa’s en appartementen geleverd.
Vervolgens zijn bij akte van 30 september 2005 elf te onderscheiden delen van de mandelige grond geleverd aan de individuele eigenaren van de villa’s. Daarmee werd deze grond onttrokken aan de mandeligheid. Als verkoper zijn de 27 eigenaren van de grond “
zo tezamen als ieder afzonderlijk” aangemerkt.
Er is gelijktijdig een erfdienstbaarheid gevestigd, die is omschreven in artikel 7b van de akte. Deze bepaling luidt als volgt:
“Ten laste van het gekochte en ten behoeve van de aan verkoper in eigendom verblijvende gedeelte van voormeld perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie M nummer [perceelnummer1] en van het perceel kadastraal bekend alsvoor nummer [perceelnummer2] wordt als erfdienstbaarheid gevestigd:
1.
(…)
2.
op het gekochte mag geen zwembad worden aangelegd, en er mag daarop geen tuinhuisje garage of ander bouwsel worden opgericht met een inhoud van meer dan twee kubieke meter en/of een hoogte van meer dan een meter, ook al zou dit volgens een vigerend bestemmingsplan wel mogelijk zijn.
3.
(…)”
Er is ook een kettingbeding in de akte opgenomen, dat onder meer inhoudt dat de verplichting uit de erfdienstbaarheid overgaat op de opvolgende verkrijgers van de verkochte grond.
3.8.
[appellanten zaak1] heeft omstreeks 2014 zijn tuin opnieuw ingericht. Daarbij heeft hij een keerwand geplaatst die hoger was dan één meter. Na het vonnis in deze procedure heeft [appellanten zaak1] de keerwand verlaagd tot één meter.
[appellant zaak2] heeft in de periode 2015-2017 een tuinhuis geplaatst, die voor iets meer dan de helft (1,80 meter) op de grond staat waar de erfdienstbaarheid op rust en hoger is dan een meter. Hij heeft ook als erfafscheiding met zijn buren aan beide zijden schuttingen geplaatst die hoger zijn dan één meter en voor ongeveer de helft op de grond staan waar de erfdienstbaarheid op rust.
[appellanten zaak3] heeft in 2013 een stalen pergola en in 2015 een boomhut geplaatst op de grond waar de erfdienstbaarheid op rust. Beide bouwwerken zijn hoger dan één meter.
[geïntimeerden] is bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen
3.9.
Het hof ziet zich eerst gesteld voor de vraag of [geïntimeerden] bevoegd is tot het instellen van de rechtsvorderingen, die er kort samengevat op neerkomen dat [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] de in 3.8. vermelde bouwwerken moeten verwijderen, althans terugbrengen tot een inhoud van niet meer dan twee kubieke meter en een hoogte van niet meer dan één meter.
3.10.
Bij de beantwoording van die vraag wordt eerst gekeken naar de regels die in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn opgenomen over de bevoegdheid tot het instellen van rechtsvorderingen ten behoeve van een gemeenschappelijk goed. De hoofdregel is dat deelgenoten in een gemeenschap gezamenlijk bevoegd zijn om het beheer uit te voeren. Dat staat in artikel 3:170 lid 2 BW Pro. Onder dat beheer vallen volgens deze bepaling alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn. Tot andere handelingen zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd, aldus artikel 3:170 lid 3 BW Pro. In artikel 3:171 BW Pro staat vervolgens dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen. Een regeling die het beheer (exclusief) toekent aan een of meer deelgenoten sluit deze bevoegdheid om rechtsvorderingen in te stellen echter uit.
De hoofdregel van de wet is dus dat iedere deelgenoot afzonderlijk een rechtsvordering ten behoeve van de gemeenschap kan instellen, tenzij er een specifieke regeling is die het beheer toekent aan een of meer deelgenoten. Dan kunnen alleen die deelgenoten die in de specifieke regeling genoemd zijn rechtsvorderingen ten behoeve van de gemeenschap instellen.
Het staat deelgenoten vrij om een andere regeling op te stellen, die afwijkt van wat hierover in de wet staat.
3.11.
De vraag is vervolgens of in het reglement, dat opgenomen is in de akte van mandeligheid van 23 augustus 1999, is geregeld wie bevoegd is om rechtsvorderingen ten behoeve van de mandelige grond in te stellen. Daarvoor is een uitleg nodig van dit reglement. Het reglement beoogt naar zijn aard niet alleen de partijen bij het opstellen van dit reglement te binden, maar strekt ook ertoe de rechtspositie van niet direct bij het opstellen van dit reglement betrokken deelgenoten vast te stellen, zoals van de eerste en opvolgende eigenaren van de villa’s en appartementen. Daarom moet de objectieve uitlegmaatstaf gehanteerd worden, waarbij het aankomt op de in de akte en het reglement tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die de mandeligheid heeft ingesteld. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de in de akte en het reglement gebezigde bewoordingen, bezien in het licht van de gehele inhoud van het reglement. [1] Het komt er dus op neer dat zoveel mogelijk moet worden gekeken naar de betekenis van de woorden in het reglement, tegen de achtergrond van de rest van het reglement.
3.12.
De bewoordingen van artikel 6 van Pro het reglement sluiten aan bij de bewoordingen van artikel 3:170 BW Pro. Daarom ligt het voor de hand dat met dit artikel 6 niet Pro is beoogd om daarbij een (meer omvattende) regeling te treffen, die ook ziet op het instellen van rechtsvorderingen. Voor de vraag wie daartoe bevoegd is, moet dan ook aansluiting gezocht worden bij artikel 3:171 BW Pro. In beginsel is dus iedere deelgenoot bevoegd om rechtsvorderingen ten behoeve van de gemeenschap in te stellen, tenzij er een specifieke regeling is die het beheer (exclusief) toekent aan een of meer deelgenoten.
Het beheer over de mandelige grond is bij akte van 4 juli 2003 toegekend aan de stichting Beheer [woonwijk] . Deze stichting is echter geen deelgenoot, zodat niet voldaan is aan het criterium van artikel 3:171 BW Pro.
Dit betekent dat iedere deelgenoot van de mandelige grond afzonderlijk bevoegd is om rechtsvorderingen ten behoeve van deze mandelige grond in te stellen.
3.13.
[appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] hebben zich op het standpunt gesteld dat de door [geïntimeerden] ingestelde vorderingen geen vorderingen betreffen die zijn ingesteld ten behoeve van de gemeenschap. Zij wijzen er daarbij op dat alle andere deelgenoten juist niet wensen op te treden tegen de gestelde overtreding van de uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende last en zelfs afstand wensen te doen van deze erfdienstbaarheid. In hoger beroep hebben zij daartoe een conceptakte tot het doen van afstand van de erfdienstbaarheid overgelegd, waar volgens hen alle deelgerechtigden in de mandeligheid, met uitzondering van [geïntimeerden] , hun goedkeuring aan hebben gegeven.
3.14.
De omstandigheid dat de andere gerechtigden tot de mandeligheid (de overige 26 eigenaren van het heersende erf) niet zouden wensen op te treden tegen de in deze procedure aan de orde gestelde inbreuk op de erfdienstbaarheid, maakt echter niet dat de door [geïntimeerden] ingestelde vorderingen niet kunnen worden aangemerkt als vorderingen ten behoeve van de gemeenschap(pelijke grond). Deze vorderingen strekken immers tot niet meer en niet minder dan dat [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] zich houden aan de ten behoeve van het heersende erf gevestigde erfdienstbaarheid. Er is geen wettelijke bepaling of reden die zou maken dat een mede-eigenaar niet zonder de medewerking van de andere mede-eigenaar zou mogen optreden tegen een handelen in strijd met een erfdienstbaarheid.
Daarbij wordt opgemerkt dat slechts alle deelgerechtigden tezamen, dus inclusief [geïntimeerden] , bevoegd zijn om de gevestigde erfdienstbaarheid te wijzigen of daarvan afstand te doen.
De zojuist genoemde omstandigheid kan ook niet tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerden] de onderhavige rechtsvorderingen instelt. [geïntimeerden] handelt ook niet in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de deelgenoten jegens elkaar in acht moeten nemen.
3.15.
De conclusie luidt dat [geïntimeerden] bevoegd is om de onderhavige rechtsvorderingen in te stellen. Hij heeft daarvoor niet de medewerking of toestemming van de andere deelgerechtigden nodig.
De bouwwerken van [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] waren/zijn in strijd met de erfdienstbaarheid
3.16.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de onder 3.8. genoemde bouwwerken van [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] in strijd met de uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende last zijn opgericht. Daarvoor moet gekeken worden naar de akte van levering van 30 september 2005, waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd.
Bij de uitleg van deze akte wordt eveneens de objectieve uitlegmaatstaf gehanteerd. Het komt hier dus ook aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de daarin gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. [2] Daarbij wordt rekening gehouden met de behoeften van het heersende erf, de plaatselijke situatie, de plaatselijke gewoonten, de feitelijke wijze van uitoefening na de totstandkoming van de erfdienstbaarheid en de tijd waarin de akte wordt uitgelegd. Daarnaast spelen de beginselen van redelijkheid en billijkheid een rol bij de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend. [3] Voor de uitleg komt geen betekenis toe aan niet uit de openbare registers blijkende stukken. Partijbedoelingen die niet kenbaar zijn uit de openbare registers, doen bij de uitleg van de akte niet ter zake. [4]
3.17.
Artikel 7b van de akte van levering van 30 september 2005 laat geen andere uitleg van de gevestigde erfdienstbaarheid toe dan dat daarin ten behoeve van de 27 eigenaren van de mandelige grond, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, is gelast dat op de bij die akte geleverde individuele percelen grond geen bouwwerken mogen worden geplaatst die een inhoud hebben van meer dan twee kubieke meter en/of een hoogte van meer dan één meter. Alle 11 eigenaren van de individuele percelen grond hebben zich daar tot 2013 ook aan gehouden.
3.18.
De keerwand die [appellanten zaak1] in zijn tuin had geplaatst was hoger dan een meter. Daarmee had [appellanten zaak1] de bepalingen van de erfdienstbaarheid overtreden.
Het tuinhuis van [appellant zaak2] staat voor ongeveer de helft op de grond waar de erfdienstbaarheid op rust en is daardoor voor zover dat deel van het tuinhuis een inhoud heeft van meer dan twee kubieke meter en/of hoger is dan één meter met die erfdienstbaarheid in strijd. Dit geldt ook voor de schuttingen, voor zover die hoger zijn dan één meter en op de grond staan waar de erfdienstbaarheid op rust.
De stalen pergola en de boomhut van [appellanten zaak3] overschrijden ook de in de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid vermelde hoogte.
Er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [geïntimeerden] en [geïntimeerden] handelt niet in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid
3.19.
[appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] hebben zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerden] de bevoegdheid, om verwijdering van de met de erfdienstbaarheid strijdige bouwwerken te vorderen, misbruikt. Zij wijzen daarbij op de omstandigheid dat [geïntimeerden] in zijn eigen tuin al voor 2016 een bijgebouw had opgericht. Daarnaast wijzen zij er op dat in 2021 de erfdienstbaarheid van waterinfiltratie, die op het perceel van [geïntimeerden] was gevestigd, op verzoek van [geïntimeerden] is opgeheven. Zij stellen zich daarbij op het standpunt dat met de erfdienstbaarheid niet kan worden bewerkstelligd dat het groene en parkachtige karakter van het park behouden blijft, omdat daarin niet is voorgeschreven dat op het gekochte aanwezige bomen of het talud in stand moet worden gehouden of dat zorg moet worden gedragen voor het groene en parkachtige karakter van het park. Daarnaast is volgens hen van belang dat de erfdienstbaarheid en gebruiksbepaling enkel drukken op de individuele strookjes grond geheel aan de achterzijde van de percelen en niet op de rest van de percelen. Ook is volgens [appellanten zaak1] de keermuur vanaf de openbare weg of het perceel van [geïntimeerden] slechts beperkt zichtbaar. Datzelfde geldt volgens [appellant zaak2] voor zijn tuinhuis en zijn schutting en volgens [appellanten zaak3] voor de pergola en boomhut.
Verder wijzen zij er op dat [geïntimeerden] jarenlang niet heeft geprotesteerd tegen de aanwezigheid van de bouwwerken, maar daar pas een punt van heeft gemaakt toen de verhoudingen tussen [geïntimeerden] en de overige bewoners van het [woonwijk] waren verslechterd. Tot slot vinden zij van belang dat [geïntimeerden] niet wil meewerken aan overleg of mediation.
3.20.
Volgens de wet (artikel 3:13 BW Pro lid 2) is onder meer sprake van misbruik van bevoegdheid als deze wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden, of met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend. Tevens is sprake van misbruik van bevoegdheid indien, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid gekomen had kunnen worden.
3.21.
In dit kader wordt vooropgesteld dat in het bestemmingsplan [woonwijk] de nadruk is gelegd op handhaving van de ecologische betekenis van het terrein en het groene en bosachtige karakter daarvan. Dit komt ook tot uitdrukking in de koopovereenkomst tussen de Gemeente [woonplaats] en de projectontwikkelaar, waarbij de last is opgelegd om het niet te bebouwen gedeelte van de grond zodanig aan te leggen dat het een openbaar karakter verkrijgt en maatregelen te nemen om het behoud en het onderhoud van het groene karakter te waarborgen. Deze last is ook vermeld in de akte van mandeligheid, waaraan het plan met de tekening en beschrijving van het aan te leggen, in stand te houden en te onderhouden park is gehecht. Uit de brief van 31 maart 2004 aan de 27 eigenaren en de notulen van de vergadering van de Stichting Beheer [woonwijk] van 24 november 2004 blijkt verder dat de eigenaren het groene karakter van het park wilden behouden. Dat in de erfdienstbaarheid als zodanig niet met zoveel woorden is vermeld dat er geen bomen gekapt mogen worden of dat het groene karakter behouden moet blijven, laat dan ook onverlet dat dit groene karakter steeds het uitgangspunt is geweest. [geïntimeerden] heeft er ook op gewezen dat de overdracht van individuele stukjes grond vanuit de mandeligheid aan de 11 eigenaren van de villa’s juist was ingegeven door de behoefte om met de financiële middelen die daarbij vrij kwamen het (overige) park te kunnen onderhouden. Dat is onvoldoende weersproken door [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] Daarbij past de gevestigde erfdienstbaarheid die de verplichting aan de eigenaren van de villa’s oplegt om op die stukjes grond geen bouwwerken te plaatsen. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom [geïntimeerden] misbruik maakt van zijn bevoegdheid om te vorderen dat [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] met de erfdienstbaarheid strijdige bouwwerken van de grond waarop deze erfdienstbaarheid rust te verwijderen.
3.22.
De omstandigheid dat de erfdienstbaarheid en gebruiksbepaling enkel drukken op de individuele strookjes grond geheel aan de achterzijde van de percelen en niet op de rest van de percelen, maakt dit niet anders. Die omstandigheid was immers verdisconteerd bij de vestiging van de erfdienstbaarheid, die uitsluitend zag op deze strookjes grond.
3.23.
Ook de omstandigheid dat de bouwwerken vanaf de openbare weg en/of vanaf het perceel van [geïntimeerden] slechts beperkt zichtbaar zouden zijn, leidt niet tot de conclusie dat [geïntimeerden] misbruik maakt van zijn bevoegdheid om te vorderen dat [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] zich houden aan hun uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende verplichtingen.
3.24.
Het vorenstaande wordt niet anders door het feit dat [geïntimeerden] een bijgebouw in zijn eigen tuin heeft geplaatst, ook niet als dat groter zou zijn dan de bouwwerken waarvan [geïntimeerden] verwijdering heeft gevorderd.
[geïntimeerden] heeft dit bijgebouw immers geplaatst op het deel van zijn tuin dat niet toebehoorde aan de mandeligheid, zodat daarop geen erfdienstbaarheid rust. Dat de tuin van [geïntimeerden] daardoor niet een volledig groen karakter heeft mag zo zijn, maar de erfdienstbaarheid strekt er juist toe dat het
achterste deelvan de tuinen van de eigenaren van de villa’s een volledig groen karakter blijft behouden.
3.25.
Verder stond het [geïntimeerden] vrij om aan de andere eigenaren van de villa’s en appartementen te verzoeken om mee te werken aan opheffing van een ten laste van hun perceel gevestigde erfdienstbaarheid ten behoeve van de waterinfiltratie en daarvoor een andere oplossing te creëren, omdat er teveel water in hun tuin achterbleef. De instemming en medewerking die [geïntimeerden] daarop verkreeg, betekent echter niet dat hij zich vervolgens moest onthouden van het nemen van rechtsmaatregelen tegen overtredingen van de erfdienstbaarheid die hier voorligt en dat hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid om dat wel te doen.
Dat [geïntimeerden] jarenlang niet zou hebben geprotesteerd tegen de bouwwerken maakt evenmin dat daarmee de bevoegdheid om dat op een gegeven moment wel te doen niet meer bestaat, of dat er dan misbruik wordt gemaakt van die bevoegdheid.
3.26.
Er is ook geen sprake van onevenredigheid tussen de betrokken belangen van partijen. Weliswaar vergt verwijdering van de bouwwerken de nodige kosten en inspanningen van [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] , maar daar staat tegenover dat zij zich moeten hebben gerealiseerd dat zij door de plaatsing van die bouwwerken op de grond waarop de erfdienstbaarheid rustte, daarmee in strijd handelden. Dan kunnen zij vervolgens niet aan [geïntimeerden] tegenwerpen dat hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid om hen aan de uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende last te houden.
3.27.
Nog daargelaten dat een procespartij niet verplicht is zijn medewerking te verlenen aan mediation of een andere vorm van overleg en dat een weigering om dat te doen nog geen misbruik van (proces)bevoegdheid oplevert, heeft [geïntimeerden] gemotiveerd aangegeven waarom er geen (succesvolle) mediation of ander overleg van de grond is gekomen. Dit kan [geïntimeerden] daarom niet worden tegengeworpen.
3.28.
Er is dus geen sprake van misbruik van de bevoegdheid die [geïntimeerden] toekomt om te vorderen dat [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] zich houden aan de krachtens de erfdienstbaarheid opgelegde last. Om dezelfde redenen kan [geïntimeerden] evenmin worden tegengeworpen dat hij handelt in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de deelgenoten op grond van artikel 3:166 BW Pro in verbinding met artikel 6:2 BW Pro tegenover elkaar in acht moeten nemen.
Geen bewijslevering
3.29.
Omdat [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] geen voldoende concrete feiten hebben gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering.
De veroordeling van [appellanten zaak1]
3.30.
De veroordeling die de rechtbank tegenover [appellanten zaak1] had uitgesproken blijft in stand, omdat er geen aanleiding is om daarover anders te oordelen dan de rechtbank had gedaan.
3.31.
[appellanten zaak1] is inmiddels overgegaan tot verlaging van de keermuur tot een hoogte van één meter. Volgens [appellanten zaak1] heeft hij daarmee voldaan aan hetgeen waartoe de erfdienstbaarheid hem verplicht. [geïntimeerden] is het daar niet mee eens, omdat het volgens hem gaat om de U-vorm van de keermu(u)r(en), de constructie die ervoor zorgt dat de tuin opgehoogd werd en blijft. Volgens [geïntimeerden] dienen de keermuren om de opvulling, de inhoud ervan, op de plaats te houden.
3.32.
Het hof volgt [geïntimeerden] niet in dit standpunt. Volgens de tekst van de erfdienstbaarheid mag er geen “
bouwsel worden opgericht met een inhoud van meer dan twee kubieke meter en/of een hoogte van meer dan een meter”. De omstandigheid dat de keermuur een U-vorm zou hebben en dat deze U-vorm vervolgens kan worden opgevuld met aarde of zand, betekent niet dat de opvulling als een bouwsel kan worden gezien. Nu [appellanten zaak1] zijn keermuur heeft verlaagd tot een hoogte van één meter, voldoet dit bouwwerk aan de maximale afmetingen zoals vermeld in de akte van 30 september 2005 waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd.
De veroordeling van [appellant zaak2]
3.33.
Zoals hiervoor overwogen, voldoen de bouwwerken van [appellant zaak2] (een deel van het tuinhuis en van de schuttingen) niet aan de maximaal toegestane afmetingen en/of hoogte. [appellant zaak2] heeft opgemerkt dat hij slechts kan worden veroordeeld tot het terugbrengen van het tuinhuis en de schuttingen tot een inhoud van niet meer dan twee kubieke meter en een hoogte van niet meer dan een meter. Het hof leest de beslissing van de rechtbank in 6.7 ook in die zin. Het staat [appellant zaak2] vanzelfsprekend vrij de bouwwerken volledig te verwijderen, maar daartoe is hij niet verplicht. Het hof zal duidelijkheidshalve een veroordeling uitspreken die zich tot het terugbrengen beperkt en de veroordeling van de rechtbank onder 6.7 vernietigen.
3.34.
Partijen zijn het verder niet eens over het niveau van waaruit de hoogte moet worden gemeten. Volgens [appellant zaak2] is het niveau vanaf de straat [woonwijk] aan de voorzijde van de woningen bepalend, volgens [geïntimeerden] moet dat het niveau zijn vanaf de achterkant van de woningen.
Het hof sluit hiervoor weer aan bij uitlegmaatstaf zoals vermeld in 3.16 van dit arrest. De akte van vestiging van de erfdienstbaarheid geeft geen peilpunt voor de maximaal toegestane hoogte van aan te brengen bouwwerken. Het hof kan uit de akte daarom niet anders opmaken dan dat die hoogte moet worden gemeten vanaf de grond van het perceel dat is belast met de erfdienstbaarheid. De in 3.33. bedoelde veroordeling van [appellant zaak2] moet dienovereenkomstig worden begrepen.
3.35.
[appellant zaak2] verzoekt verder om de termijn waarbinnen tot aanpassing moet worden overgegaan te koppelen aan het onherroepelijk worden van de last onder dwangsom, zoals die door de Gemeente bij besluit van 7 juli 2023 is opgelegd, dan wel de vernietiging of herroeping daarvan.
Het hof vindt die termijn echter te onbepaald, vooral omdat [appellant zaak2] het voor een deel zelf in de hand heeft om die termijn te verlengen, door bijvoorbeeld zelf rechtsmiddelen aan te wenden.
Wel ziet het hof het belang van [appellant zaak2] om een redelijke termijn te krijgen om de bouwwerken zodanig aan te passen dat zij niet meer inbreuk maken op de gevestigde erfdienstbaarheid. De termijn zal daarom worden gesteld op zes maanden na betekening van dit arrest.
3.36.
[appellant zaak2] heeft geen grief gericht tegen de door de rechtbank opgelegde dwangsom. Het hof zal die dwangsom, die ook niet onredelijk voorkomt, dan ook overnemen.
De veroordeling van [appellanten zaak3]
3.37.
Het hof heeft hiervoor overwogen dat de pergola en de boomhut van [appellanten zaak3] niet voldoen aan de maximaal toegestane afmetingen.
Daarbij geldt ook hier dat [appellanten zaak3] slechts kan worden veroordeeld tot het terugbrengen van de pergola en de boomhut tot een inhoud van niet meer dan twee kubieke meter en een hoogte van niet meer dan een meter, waarbij die hoogte moet worden gemeten vanaf de grond van het perceel dat is belast met de erfdienstbaarheid Het hof leest de beslissing van de rechtbank in 6.12 ook in die zin. Het staat [appellanten zaak3] vanzelfsprekend vrij de bouwwerken volledig te verwijderen, maar daartoe is hij niet verplicht. Het hof zal duidelijkheidshalve een veroordeling uitspreken die zich tot het terugbrengen beperkt en de veroordeling van de rechtbank onder 6.12 vernietigen.
3.38.
Voor de door [appellanten zaak3] verzochte termijn om tot aanpassing over te gaan, geldt hetzelfde als wat het hof hiervoor onder 3.35. ten aanzien van [appellant zaak2] heeft overwogen. [appellanten zaak3] krijgt dus ook een termijn van zes maanden na betekening van dit arrest voor de aanpassing van de pergola en de boomhut.
3.39.
[appellanten zaak3] heeft ook geen grief gericht tegen de door de rechtbank opgelegde dwangsom, die het hof ook niet onredelijk voorkomt. Het hof zal die dwangsom daarom overnemen.
De conclusie
3.40.
De conclusie luidt dat de beslissing van de rechtbank grotendeels in stand blijft. [appellanten zaak1] heeft inmiddels de keermuur al aangepast, maar dit laat onverlet dat de beslissing die de rechtbank heeft uitgesproken in stand blijft.
De veroordelingen van [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] worden aangepast in die zin dat zij niet verder strekken dan tot het terugbrengen van de bouwwerken op de met de erfdienstbaarheid belaste percelen tot een inhoud van niet meer dan twee kubieke meter en een hoogte van niet meer dan een meter. De termijn waarbinnen de bouwwerken moeten worden aangepast, wordt gesteld op zes maanden na betekening van dit arrest.
3.41.
Omdat [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] (grotendeels) in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in elk van de onderscheiden procedures in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
De door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling zal het hof in stand laten.

4.De beslissing

Het hof:
in de zaak met nummer 200.342.677
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2024;
4.2.
veroordeelt [appellanten zaak1] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 349,- aan griffierecht
€ 3.870,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (3 procespunten x het toepasselijke tarief II)
4.3.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.4.
wijst af wat verder is gevorderd;
in de zaak met nummer 200.342.679
4.5.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2024, behalve de beslissing onder 6.7. die hierbij wordt vernietigd en beslist op dat punt als volgt:
4.6.
veroordeelt [appellant zaak2] om het tuinhuis (berging/schuur) en schuttingen voor zover die zijn gelegen op het perceel van [appellant zaak2] kadastraal bekend als gemeente [woonplaats] sectie M, nummer [perceelnummer3] , binnen zes maanden na betekening van dit arrest terug te brengen tot een inhoud van niet meer dan twee kubieke meter en een hoogte van niet meer dan één meter, op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat niet aan de veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 10.000,-;
4.7.
veroordeelt [appellant zaak2] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 349,- aan griffierecht
€ 3.870,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (3 procespunten x het toepasselijke tarief II)
4.8.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.9.
verklaart de veroordeling in 4.6 uitvoerbaar bij voorraad;
4.10.
wijst af wat verder is gevorderd;
in de zaak met nummer 200.342.680
4.11.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2024, behalve de beslissing onder 6.12. die hierbij wordt vernietigd en beslist op dat punt als volgt:
4.12.
veroordeelt [appellanten zaak3] om de stalen pergola/overkapping en een bouwwerk/tuinhuis op een kolom/afgezaagde boom voor zover die zijn gelegen op het perceel van [appellanten zaak3] kadastraal bekend als gemeente [woonplaats] sectie M, nummer [perceelnummer4] , binnen zes maanden na betekening van dit arrest terug te brengen tot een inhoud van niet meer dan twee kubieke meter en een hoogte van niet meer dan één meter, op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat niet aan de veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 10.000,-
4.13.
veroordeelt [appellanten zaak3] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 349,- aan griffierecht
€ 3.870,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (3 procespunten x het toepasselijke tarief II)
4.14.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.15.
verklaart de veroordeling in 4.12. uitvoerbaar bij voorraad;
4.16.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, M. Wallart en E.H.P. Brans, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933 en HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078.
2.HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904 en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511.
3.HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2397 en HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815.
4.HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078.