ECLI:NL:GHARL:2026:770

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.341.259
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:83 BWArt. 6:271 BWArt. 6:272 BWArt. 6:277 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst reparatie auto en toewijzing schadevergoeding wegens niet-teruggave

Appellant en geïntimeerde sloten een overeenkomst waarbij geïntimeerde een Chevrolet G20 uit 1996 zou repareren. Geïntimeerde voltooide de opdracht niet en gaf de auto niet terug. De rechtbank ontbond de overeenkomst en veroordeelde tot afgifte van de auto met dwangsom, maar wees schadevergoeding af wegens onvoldoende bewijs van niet-teruggave.

In hoger beroep vordert appellant schadevergoeding van € 35.000 wegens niet-teruggave, terugbetaling van € 1.414,53 voor de voorruit en kosten van een vervangende auto. Geïntimeerde verscheen niet en leverde geen verweer. Het hof oordeelt dat geïntimeerde in verzuim is en onrechtmatig handelt door de auto niet terug te geven.

De waarde van de auto wordt vastgesteld op € 35.000, mede vanwege de zeldzaamheid en eerdere revisies. De vordering tot vergoeding van de vervangende auto wordt afgewezen omdat er geen sprake was van verzuim op het moment van aankoop. De terugbetaling van de voorruit wordt toegewezen omdat de ontbinding ongedaanmaking van prestaties vereist.

Het hof bekrachtigt het vonnis grotendeels, wijst de schadevergoeding en terugbetaling toe, veroordeelt geïntimeerde tot betaling van proceskosten en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst schadevergoeding van € 35.000 en terugbetaling van € 1.414,53 toe wegens niet-teruggave van de auto en ontbinding van de overeenkomst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.259
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 419393
arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1] , Duitsland
advocaat: mr. D.G.A. Rossi
en
[geïntimeerde] , handelend onder de namen Jewill en/of JM Techniek
die woont in [woonplaats2] , Duitsland
advocaat: mr. R. de Lange

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 19 november 2024 heeft [appellant] dat arrest, de memorie van grieven en een akte van eiswijziging betekend aan [geïntimeerde] , die inmiddels in Duitsland woont. [appellant] heeft ook de in dat arrest verzochte stukken in het geding gebracht. [geïntimeerde] heeft vervolgens het verstek gezuiverd en is alsnog verschenen. Hij heeft tweemaal gelegenheid gekregen een memorie van antwoord in te dienen maar heeft dat niet gedaan, waarna het recht daarop is vervallen. Vervolgens heeft op 17 december 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. [geïntimeerde] noch zijn advocaat is verschenen. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] is met [geïntimeerde] overeengekomen dat [geïntimeerde] zijn auto, een Chevrolet G20 uit 1996, zou repareren en reviseren. [geïntimeerde] heeft de opdracht niet voltooid en heeft de auto niet teruggegeven. [appellant] heeft bij de rechtbank onder meer ontbinding van de overeenkomst, afgifte van de auto (met dwangsom) en, voor het geval de auto niet wordt teruggegeven, schadevergoeding ter grootte van de waarde van de auto van € 35.000 gevorderd. Verder heeft [appellant] de kosten van een vervangende auto gevorderd, en rente en kosten.
2.2.
De rechtbank heeft de overeenkomst ontbonden en [geïntimeerde] veroordeeld de auto af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 25.000. De vordering tot schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk was geworden dat [geïntimeerde] de auto niet zou teruggeven. De gevorderde kosten van een vervangende auto zijn ook afgewezen omdat dit geen schade was als gevolg van de ontbinding en omdat [geïntimeerde] nog niet in verzuim was toen [appellant] die auto kocht.
2.3.
Het hoger beroep richt zich met name tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de waarde van de auto; [appellant] gaat ervan uit dat de auto niet meer wordt teruggegeven. Verder heeft [appellant] bezwaar tegen de maximering van de dwangsom tot € 25.000 en de afwijzing van de kosten van de vervangende auto. Na eisvermeerdering vordert hij ook terugbetaling van een deelbetaling van € 1.414,53 voor het vervangen van de voorruit.
2.4.
Het hof zal het vonnis grotendeels bekrachtigen maar de vordering tot betaling van schadevergoeding van € 35.000 toewijzen, net als de vordering tot betaling van € 1.414,53. Het hof licht die beslissing hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten en achtergronden
3.1.
[appellant] is in december 2021 mondeling met [geïntimeerde] overeengekomen dat [geïntimeerde] reparatie- en revisiewerkzaamheden zou verrichten aan [appellant] auto, een Chevrolet G20 uit 1996 met voormalig Duits kenteken [kentekennummer] . Op 18 december 2021 heeft [appellant] de auto aan [geïntimeerde] meegegeven. Hij heeft in januari 2022 € 1.716,53 betaald, waarvan € 302 voor het transport van [appellant] naar [geïntimeerde] en € 1.414,53 voor de vervanging van de voorruit.
3.2.
[appellant] is in 2022 enkele malen bij [geïntimeerde] langs geweest, maar het werk was ondanks overleg en aansporing nog niet gereed. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 1 februari 2023 gesommeerd de auto te repareren en binnen 20 dagen af te geven; hij heeft op 14 februari 2023 nogmaals gesommeerd. [geïntimeerde] heeft de auto niet teruggegeven.
3.3.
[appellant] heeft het vonnis van de rechtbank op 1 februari 2024 door de deurwaarder laten betekenen, heeft [geïntimeerde] daarbij gesommeerd de auto af te geven en heeft dwangsommen aangezegd. [geïntimeerde] heeft aan de deurwaarder een voorstel tot betaling gedaan maar heeft de auto niet teruggegeven.
De vordering van € 35.000 wegens het niet teruggeven van de auto
3.4.
De rechtbank heeft de overeenkomst ontbonden. Als gevolg daarvan was [geïntimeerde] gehouden de auto aan [appellant] terug te geven. Het hof verstaat de grondslag van [appellant] schadevordering in hoger beroep zo dat [geïntimeerde] tekortschiet in de nakoming van de verbintenis tot teruggave van de auto na de ontbinding (en overigens onrechtmatig inbreuk maakt op [appellant] eigendomsrecht), en dat [appellant] daardoor schade lijdt ter grootte van de waarde van de auto.
3.5.
[appellant] heeft aangevoerd dat de auto niet is teruggegeven en heeft toegelicht dat de auto (mogelijk) bij [geïntimeerde] gestolen is. De deurwaarder heeft in een e-mail van 19 juni 2024 aan [appellant] geschreven dat [geïntimeerde] hem die dag had verklaard dat de auto gestolen was maar inmiddels terecht was. Ook daarna is de auto echter niet teruggegeven, waarvoor [geïntimeerde] verder geen redenen heeft aangevoerd, terwijl bovendien is gebleken dat zijn bedrijf niet meer bestaat. [geïntimeerde] heeft een en ander niet weersproken. Al met al moet ervan worden uitgegaan dat de verbintenis tot teruggave niet meer zal worden nagekomen en [geïntimeerde] in verzuim is, zeker gezien de sommatie door de deurwaarder waaraan [geïntimeerde] ook niet voldaan heeft. Het niet teruggeven van de auto is overigens onrechtmatig tegenover [appellant] als eigenaar. Het hof zal de vordering tot schadevergoeding daarom toewijzen.
3.6.
[appellant] heeft aangevoerd dat de waarde van de auto € 35.000 euro bedraagt. Hij heeft dat betoog onderbouwd met vier advertenties van Chevrolets van ongeveer hetzelfde bouwjaar, met vraagprijzen uiteenlopend van € 20.900 tot € 44.900, gemiddeld € 35.950. Het hof heeft [appellant] bij de mondelinge behandeling enkele advertenties van andere op het oog vergelijkbare Chevrolets voorgehouden die een lagere prijs hebben. [appellant] heeft daarop toegelicht dat die auto’s niet goed vergelijkbaar zijn. Hij heeft daarbij gewezen op de zeldzaamheid van zijn auto, waarvan er in deze uitvoering maar drie in Europa zijn, en heeft toegelicht dat hij zijn auto voordat hij die aan [geïntimeerde] afgaf, al in veel opzichten had laten reviseren. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg betwist dat de auto € 35.000 waard was en daarbij (slechts) aangevoerd dat de auto in slechte staat verkeerde, wijzend op de door hem te verrichten werkzaamheden. [appellant] heeft dat betoog weersproken, toegelicht wat hij al aan de auto had laten doen en heeft het werk dat [geïntimeerde] nog moest doen in die zin gerelativeerd. Bij deze stand van zaken zal het hof de schade vaststellen op € 35.000. Het hof weegt daarbij mee dat, zoals [appellant] ook heeft aangevoerd, [geïntimeerde] hem heeft belemmerd in de verdere onderbouwing van de waarde, met foto’s of een taxatie, door de auto niet ter beschikking te stellen. Daarbij komt dat het hof ook aan het niet verschijnen van [geïntimeerde] op de mondelinge behandeling, gelet op artikel 88 lid 2 Rv Pro, de conclusie verbindt dat hij de stellingen van [appellant] over de waarde van de auto onvoldoende heeft weersproken.
3.7.
Bij deze stand van zaken heeft [appellant] geen zelfstandig belang meer bij de door hem gevorderde verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst, dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en dat de waarde van de auto € 35.000 bedraagt. Die vorderingen zal het hof afwijzen. Verder bestaat, nu ervan uitgegaan moet worden dat de auto niet wordt afgegeven maar schadevergoeding verschuldigd is, geen belang meer bij de grieven tegen het oordeel dat [geïntimeerde] de auto niet bij [appellant] hoeft af te leveren maar [appellant] deze moet ophalen.
3.8.
[appellant] heeft wettelijke rente gevorderd over het bedrag van € 35.000 vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg. De verbintenis tot schadevergoeding is echter ontstaan toen [geïntimeerde] na de ontbinding van de overeenkomst door de rechtbank in het vonnis van 17 januari 2024 en het bevel van de deurwaarder van 1 februari 2024 tot onmiddellijke afgifte van de auto, niet aan dat bevel voldeed. Vanaf dat moment handelde [geïntimeerde] ook onrechtmatig door de auto niet terug te geven. Het hof zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf 2 februari 2024.
De vordering van € 2.500 aan schadevergoeding wegens de koop van een vervangende auto
3.9.
[appellant] heeft aangevoerd dat hij op 17 juli 2022 voor € 2.500 een vervangende auto heeft moeten kopen omdat [geïntimeerde] zijn Chevrolet niet tijdig teruggaf. De vordering is gebaseerd op artikel 6:277 althans Pro 6:74 BW. Het eerste artikel bepaalt dat als een overeenkomst wordt ontbonden vanwege de tekortkoming van een partij, die partij de schade moet vergoeden die de andere partij lijdt doordat geen nakoming maar ontbinding plaatsvindt. Het tweede artikel bepaalt dat een partij die tekortschiet in de nakoming van een verbintenis en in verzuim is geraakt, de schade die de andere partij door lijdt, moet vergoeden, tenzij de tekortkoming niet kan worden toegerekend. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Het gaat bij de kosten van een vervangende auto niet om schade die is ontstaan doordat de overeenkomst werd ontbonden in plaats van nagekomen, waarop artikel 6:277 BW Pro doelt. En aan de voorwaarden van artikel 6:74 BW Pro is niet voldaan omdat [geïntimeerde] op het moment dat [appellant] de vervangende auto kocht, nog niet in verzuim was, aldus de rechtbank.
3.10.
[appellant] heeft aangevoerd dat als [geïntimeerde] tijdig was nagekomen, er geen reden was geweest voor de ontbinding van de overeenkomst en de aankoop van een vervangende auto. Verder heeft hij aangevoerd dat [geïntimeerde] wel in verzuim verkeerde, omdat partijen hadden afgesproken dat de overeenkomst binnen zes maanden, te weten uiterlijk 30 juni 2022, klaar zou zijn, wat volgens [appellant] een fatale termijn is waarop artikel 6:83 aanhef Pro en sub a BW het oog heeft. Van verzuim is volgens [appellant] ook sprake omdat hij uit de mededelingen en houding van [geïntimeerde] moest afleiden dat [geïntimeerde] niet zou nakomen.
3.11.
[appellant] argumenten over niet-tijdige nakoming en de fatale termijn nemen als vertrekpunt dat partijen hebben afgesproken dat de auto uiterlijk 30 juni 2022 gereed zou zijn. [geïntimeerde] heeft in de rechtbankprocedure het bestaan van die afspraak betwist. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [appellant] gewezen op een verklaring van zijn ex-echtgenote die met hem bij [geïntimeerde] is geweest en twee andere getuigen waarvan [appellant] zegt dat zij met hem bij [geïntimeerde] zijn geweest. Uit die verklaringen volgt zo’n afspraak naar het oordeel van het hof echter niet. De ex-echtgenote heeft verklaard dat zij in juni of juli 2022 met [appellant] bij [geïntimeerde] is geweest, dat [geïntimeerde] toen heeft gezegd dat hij de auto met twee weken gereed kon hebben en dat [appellant] daarop heeft gezegd dat [geïntimeerde] ook twee maanden mocht nemen, maar dat de auto dan echt gereed moest zijn. De andere twee getuigen hebben verklaard dat de oplevertermijn steeds is verschoven maar dat de auto in november 2022 uiteindelijk klaar zou zijn. Hieruit blijkt geen afspraak over oplevering op 30 juni 2022, en als zo’n afspraak er zou zijn geweest, geven de verklaringen er blijk van dat [appellant] alsnog heeft ingestemd met latere oplevering. Bij deze stand van zaken heeft [appellant] de afspraak waar hij zich op beroept, in het licht van de betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende onderbouwd.
3.12.
Daaruit volgt dat, op het moment dat [appellant] de vervangende auto kocht, [geïntimeerde] de auto nog niet gereed hoefde te hebben of terug hoefde te geven. Daarom was op dat moment nog geen sprake van niet-nakoming en evenmin van schade die [appellant] heeft geleden doordat niet wordt nagekomen maar ontbonden. Verder is ook geen sprake van verzuim wegens overschrijding van een fatale termijn per 30 juni 2022. Dat op het moment dat [appellant] de vervangende auto kocht, sprake zou zijn van verzuim doordat [appellant] uit de houding van [geïntimeerde] moest afleiden dat die tekort zou schieten, is met deze verklaringen, nu [geïntimeerde] het gestelde verzuim heeft weersproken, evenmin voldoende onderbouwd.
3.13.
De vordering van [appellant] wijst het hof, net als de rechtbank, af.
De vordering van € 1.414,53 met betrekking tot de voorruit
3.14.
Onderdeel van de overeenkomst was het vervangen van de voorruit van de auto. Beide partijen gaan ervan uit dat de voorruit is vervangen. [appellant] heeft daarvoor € 1.414,53 betaald. In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis vermeerderd en terugbetaling van dat bedrag gevorderd. De vordering is gebaseerd op artikel 6:271 BW Pro, dat bepaalt dat partijen na ontbinding van de overeenkomst hun ontvangen prestaties ongedaan moeten maken. Als de prestatie niet ongedaan gemaakt kan worden, moet op grond van artikel 6:272 BW Pro de waarde vergoed worden. Tussen partijen staat vast dat [appellant] voor het vervangen van de voorruit heeft betaald. Die betaling dient als gevolg van de ontbinding ongedaan gemaakt te worden; [geïntimeerde] moet het bedrag dan ook terugbetalen.
3.15.
Op de eisvermeerdering tot terugbetaling heeft [geïntimeerde] niet gereageerd. Hij heeft bij de rechtbank wel aangevoerd dat hij de voorruit heeft vervangen, daarvoor onderdelen heeft ingekocht en 21 uur arbeid heeft verricht. Voor zover in die stelling een aanspraak op vergoeding van de waarde daarvan moet worden gelezen, slaagt dat niet. [appellant] heeft in hoger beroep betwist dat [geïntimeerde] de voorruit heeft vervangen. [geïntimeerde] heeft zijn stelling dat de voorruit is vervangen niet onderbouwd met bijvoorbeeld inkoopfacturen, urenregistratie of foto’s. Nu deze gegevens – en de auto – zich in zijn domein bevinden of bevonden, had het op zijn weg gelegen zijn stelling te onderbouwen. [1] Nu hij dat niet heeft gedaan, is de vervanging van de voorruit niet vast komen te staan en is er geen reden tot vergoeding. Het hof zal de vordering van [appellant] tot betaling van € 1.414,53 toewijzen. [appellant] heeft wettelijke rente over dit bedrag gevorderd vanaf de datum van betekening van de akte met de eiswijziging; dat is 23 december 2024. De terugbetalingsverplichting is ontstaan door de ontbinding van de overeenkomst. Het hof zal de wettelijke rente vanaf de gevorderde datum, die overigens niet is weersproken, toewijzen.
Dwangsommen
3.16.
[appellant] heeft een grief gericht tegen de maximering van de dwangsom tot € 25.000. De maximale dwangsom is volgens [appellant] een onvoldoende prikkel tot nakoming gebleken en had minimaal de waarde van de auto van € 35.000 moeten bedragen. Deze grief slaagt niet. De dwangsom is niet bedoeld als schadevergoeding, die wordt zoals hiervoor toegelicht nu wel toegewezen, maar is een (financiële) prikkel tot nakoming. Daarbij komt dat niet aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] bij een hoger maximum aan dwangsommen de verbintenis tot afgifte wel zou zijn nagekomen.
De conclusie
3.17.
Het hoger beroep slaagt deels. Het hof zal het vonnis grotendeels bekrachtigen maar de vorderingen tot betaling van schadevergoeding ter grootte van de waarde van de auto en tot terugbetaling van de kosten voor de voorruit toewijzen. Omdat [geïntimeerde] overwegend in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [2]
3.18.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 17 januari 2024, behalve de beslissing onder 5.8 die hierbij wordt vernietigd en beslist;
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 35.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 februari 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 1.414,53, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] :
€ 798 aan griffierecht
€ 140,17 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 139,89 aan kosten voor het betekenen van het arrest van 19 november 2024, de memorie van grieven en een akte van eiswijziging aan [geïntimeerde]
€ 3.340 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief III);
4.5.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, R.A. Dozy en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058, rov. 3.2.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.