ECLI:NL:GHARL:2026:836

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
21-004323-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling poging zware mishandeling en bedreiging met auto

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 9 februari 2026 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en opnieuw recht gedaan in de zaak tegen verdachte, geboren in 2004. Verdachte werd vrijgesproken van poging doodslag, maar veroordeeld voor poging zware mishandeling, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en rijden onder invloed van alcohol.

De feiten betreffen een incident op 13 november 2022 waarbij verdachte met hoge snelheid en onder invloed van alcohol met zijn auto meerdere personen, waaronder twee slachtoffers, heeft aangereden en bedreigd. Getuigenverklaringen en medische rapporten bevestigen het gevaarlijke rijgedrag en de ernst van de bedreigingen. Verdachte ontkende opzet tot doodslag, hetgeen het hof onderschreef vanwege onvoldoende bewijs voor voorwaardelijk opzet op overlijden.

De strafoplegging houdt rekening met de ernst van de feiten, de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. Het hof legde een taakstraf van 180 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een rijontzegging van zes maanden op. Vordering tot schadevergoeding door een slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard, maar een schadevergoedingsmaatregel van €695,30 werd opgelegd.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag, veroordeeld voor poging zware mishandeling, bedreiging en rijden onder invloed met taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en rijontzegging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004323-24
Uitspraakdatum: 9 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 30 september 2024 met parketnummer 16-185380-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 26 januari 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank op 16 september 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. M. van Viegen, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Uit de bewijsoverweging van de rechtbank en het dictum volgt dat de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de poging tot doodslag, de poging tot zware mishandeling en de mishandeling van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] . Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraken zijn aan te merken als beschermde vrijspraken. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Nu het hoger beroep namens verdachte onbeperkt is ingesteld, zal het hof verdachte niet-ontvankelijk verklaren voor zover het hoger beroep is gericht tegen voornoemde beschermde vrijspraken.

Het vonnis

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag, meermalen gepleegd (
feit 1 primair), bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (
feit 2) en overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (
feit 3). De rechtbank heeft verdachte voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft naast algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden aan de proeftijd verbonden. Daarnaast heeft de rechtbank verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van twaalf maanden.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 3] is toegewezen tot een bedrag van
€ 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs voor wat betreft feit 1 en (daarmee ook) tot een andere strafoplegging. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 13 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met hoge snelheid, althans al snelheid verhogend, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is ingereden met een auto, en/of, een of meerdere van deze, personen daarvan heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 13 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met hoge snelheid, althans al snelheid verhogend, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is ingereden met een auto, en/of, een of meerdere van deze, personen daarvan heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 13 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met hoge snelheid, althans al snelheid verhogend, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan te rijden met een auto, en hen daarbij meermalen, althans eenmaal, te raken;
2.
hij op of omstreeks 13 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: 'ik maak je dood', en/of 'je moet voor mij oppassen', en/of daarbij, met een voertuig, op die [slachtoffer 1] en/of anderen in te rijden;
3.
hij op of omstreeks 13 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk Volkswagen, type Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 595 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen [1]
Het hof neemt de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen over en zal deze hierna citeren en gecursiveerd weergeven. Waar in de hierna weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat moet ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven.

Ten aanzien van feit 1 en 2

De verklaring van verdachte ter terechtzitting vande rechtbank van16 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 13 november 2022 bestuurde ik mijn auto in [plaats] , waarin een aantal mensen zaten. Later bleken deze mensen te zijn: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [slachtoffer 1] , [benadeelde 3] en [slachtoffer 2] .
Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 12 november 2022 ben ik met vrienden naar [naam discotheek][plaats]
gegaan om een leuke avond te hebben. Rond sluitingstijd wilden wij naar huis (de rechtbank begrijpt: het is inmiddels 13 november 2022). Ik zat uiteindelijk in de auto die bestuurd werd door [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte). Ik zat samen met [slachtoffer 2] , [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] in de auto. [2]
Toen de auto in [plaats] tot stilstand kwam, ben ik naar [verdachte] gelopen om hem aan te spreken op zijn rijgedrag. Ik vond het onverantwoord hoe hijmet zeven man zo hard is gaan rijden
. [3]
Ik zag dat [verdachte] in zijn auto stapte. Ik zag en hoorde dat [verdachte] vol gas vooruit reed. Ik zag ineens dat [verdachte] achteruit kwam rijden. Ik zag en hoorde dat dit vol gas gebeurde. Ik hoorde de auto ronken. Ik voelde dat de auto vol gas tegen mij aanreed. Ik werd gelanceerd tegen de grond aan. Ik nam hierbij [benadeelde 3] (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 3] ) en [benadeelde 2] (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 2] ) mee naar de grond. Ik zag dat [verdachte] weer vooruit reed. Ik zag dat [verdachte] zijn auto weer achteruit reed. Ik zag dat [verdachte] op [slachtoffer 2] inreed. Ik zag dat [slachtoffer 2] een paar keer de auto kon ontwijken. Ik zag dat [slachtoffer 2] een oprit op liep. Ik zag dat [slachtoffer 2] viel doordat [verdachte] tegen hem aan reed. [4]
Ik zag dat [verdachte] weer volop achteruit reed. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen dat hij mij dood ging maken. [5]
Een geschrift, inhoudende een Letselrapportage Forensische Geneeskunde van GGD Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naam: [slachtoffer 1]
Datum letselonderzoek 23 november 2022
Datum incident 13 november 2022 [6]
(...)
gemelde toedracht: Per ambulance naar ziekenhuis gebracht, in ambulance pijnstilling toegediend, daarna opname ziekenhuis ter observatie. Schouder zwaar gekneusd, hand zwaar gekneusd, rechter been is pijnlijk boven knieschijf. Geen botbreuken. [7]
Letsel(s):
Op de linker handrug is een zwelling over de gehele handrug zichtbaar.
Beoordeling:
Past de gemelde toedracht bij het letsel: mogelijk [8]
Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Toen wij in [plaats] waren aangekomen, heeft [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) [verdachte] aangesproken op zijn rijgedrag. Ik besloot erbij te gaan staan. Ik zag dat [verdachte] in de auto stapte en naar voren reed. Vervolgens zag ik dat de auto hard naar achter gereden kwam en hierbij mij en [slachtoffer 1] raakte. Ik hoorde dat de banden van de auto slipten en ik hoorde dat de auto flink in de toeren ging. [9] Ik zag dat de auto weer omgedraaid was en dat hij met een hoge snelheid op mij af kwam rijden. Ik kon nog net op tijd aan de kant springen. Nadat [verdachte] mij voorbij gereden was, zag ik dat hij wederom zijn auto had gedraaid en nog een keer op mij af kwam rijden. Ik kon hem voor een tweede keer ontwijken. Ik ben toen op een oprit gaan staan bij een woning. Nadat ik op de oprit was gaan staan, zag ik dat [verdachte] nog een derde keer mijn richting op kwam rijden. Wederom zag ik dat hij dit met hoge snelheid deed. Hij kwam de oprit oprijden en zette de auto vervolgens stil op mijn linker voet en enkel. Ik kon mijn voet niet onder de band vandaan halen. [10]
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] spraken [verdachte] aan op zijn rijgedrag op een rustige manier. Hierdoor werd [verdachte] erg boos en stapte in zijn auto. Ik zag dat [verdachte] zijn auto parkeerde. Er kwam verkeer aan en hij ging daarom aan de kant. Toen de auto gepasseerd was hoorde ik
dat [verdachte] het gaspedaal intrapte en in volle vaart achteruit reed. [verdachte] raakte vervolgens [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] . Hierdoor werden ze gelanceerd richting [benadeelde 2] en mij. Ik zag en hoorde [verdachte] een paar keer heen en weer rijden om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan te rijden. [11]
(…)
Ik hoorde [benadeelde 2] zeggen tegen [verdachte] dat ik naar het ziekenhuis moest. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij niks tegen [benadeelde 2] had. De reden dat wij
[het hof begrijpt: opnieuw]ingestapt zijn bij [verdachte] is dat [benadeelde 2] wilde dat [verdachte] wegging bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voordat er echt doden gingen vallen. [verdachte] had namelijk tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij zijn vrienden op hen af zou sturen en hen dood wilde maken. Dit had ik ook gehoord. [12]
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
We zijn naar [plaats] gaan rijden en toen merkte ik al dat er iets mis was met [verdachte] .
Er liep bijvoorbeeld iemand op straat en [verdachte] stuurde daar dan op in, als grapje om te doen alsof hij hem aanreed. [verdachte] reed ook belachelijk over rotondes heen, hij reed de rotonde over links in plaats van over rechts, ook reed hij met 60 kilometer per uur over de rotonde zodat het leek alsof we bijna uit de bocht vlogen.
Hij reed 160 kilometer per uur, wat ik zag. Maar vrienden hebben een filmpje dat hij 200+ reed. We zijn via het centrum naar [straat] gereden, [verdachte] reed in het centrum ook als een debiel, zeker 80 a 90 kilometer per uur. [slachtoffer 1] sprak [verdachte] aan over zijn rijgedrag. [13]
Een paar tellen later zag ik dat [verdachte] in zijn auto stapte en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] kwamen naar [benadeelde 3] , [benadeelde 2] en mij toegelopen. Ineens hoor in [benadeelde 3] gillen 'jongens hij gaat ons aanrijden! 'En ineens zag ik dat [verdachte] met zijn auto voluit achteruit reed, wel met 40 a 50 kilometer per uur.
Ik stond aan het einde van een bocht en kon de auto nog net ontwijken, ik zag dat [slachtoffer 1]
[het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ]aan de linker achterkant van de auto stond en [slachtoffer 2]
[het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ]aan de rechter achterkant van de auto. Ik zag dat de auto vol tegen hen aan knalde.
Ik zag dat de auto rechtdoor weg reed en toen verderop in de straat weer omkeerde, ik zag dat [verdachte] de auto weer op ons afstuurde, ik zag dat [verdachte] de auto stil zette en ik hoorde hem door het open raam van de bijrijderskant zeggen 'ik ga jullie doodrijden'.
Ik zag dat [verdachte] weer verder reed en verderop weer omdraaide en terug kwam rijden. Ik zag dat hij alle keren vooral op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in wilde rijden. [14]

Ten aanzien van feit 3

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zondag 13 november 2022, omstreeks 03:45 uur, waren wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , in uniform gekleed en belast met de incidenten-afhandeling te gemeente [gemeente] . Diezelfde dag, omstreeks 03:45 uur, kregen wij, de melding van het operationeel centrum om richting de [adres] te [plaats] te gaan, omdat een persoon onder invloed van alcohol meerdere mensen zou hebben aangereden. Deze persoon zou in een zwarte Volkswagen rijden met kenteken [kenteken] .
Aanrijdend kregen wij van het operationeel centrum te horen dat het voorgenoemde
voertuig richting het [naam ziekenhuis] , [adres] te [plaats] zou zijn gereden met 2 slachtoffers erin.
Wij zagen dat het genoemde voertuig met het kenteken [kenteken] op de parkeerplaats
geparkeerd stond voor de ingang van het ziekenhuis.
Ik, verbalisant [verbalisant] vroeg deze persoon hoe hij heette. Wij, verbalisanten, hoorde hem zeggen dat hij [verdachte] heette. Ik, [verbalisant] , vroeg hem of hij zojuist een auto had bestuurd. Wij hoorden hem zeggen dat dit inderdaad het geval was en dat hij 2 personen naar het ziekenhuis had gebracht in het voertuig met het bovengenoemde kenteken. [15]
Een proces-verbaal rijden onder invloed, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant] , hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat.
Als resultaat van deze test zag ik, [verbalisant] , dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: G/F.
De verdachte gaf mij, [verbalisant] , op te zijn genaamd:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 2004. [16]
Op zondag 13 november 2022 om 04:31 uur, heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [verbalisant] , opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid Pro 3, onder a, Wegenverkeerswet 1994. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, waarvan de uitslag is vermeld op de bijgevoegde afdruk(ken). [17]
Ademonderzoek-resultaat: 595 µg/L [18]
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Jij bent die nacht aangehouden en hebt ruim 595 ugl geblazen. Best wel veel toch?
A: Ik heb wel alcohol gedronken. [19]

Bewijsoverwegingen

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair (poging doodslag), feit 2 (bedreiging) en feit 3 (rijden onder invloed).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak voor feit 1 primair (poging doodslag) bepleit. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dodelijk letsel zouden oplopen. De raadsman heeft zich voor wat betreft feit 1 subsidiair (poging zware mishandeling) dan wel feit 1 meer subsidiair (mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat hij daarbij heeft opgemerkt dat verdachte in paniek (en dus niet opzettelijk) achteruit is gereden en een snelheidsmeting of een verkeersongevallenanalyse (VOA) ontbreekt.
De raadsman heeft ook vrijspraak voor feit 2 bepleit. Verdachte ontkent [slachtoffer 1] bedreigd te hebben en de verklaringen van getuigen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] bieden onvoldoende steun voor de verklaring van aangever.
Ten slotte heeft de raadsman vrijspraak voor feit 3 bepleit. Hij heeft daartoe opgemerkt dat artikel 8,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ten laste is gelegd en uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte onder zodanige invloed van alcohol verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

Oordeel van het hof

Ten aanzien van feit 1
Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte in de nacht van 13 november 2022 vijf personen ( [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [slachtoffer 1] , [benadeelde 3] en [slachtoffer 2] ) van [plaats] naar [plaats] heeft gebracht in een auto die door hem bestuurd werd. Tijdens deze rit heeft verdachte onverantwoord rijgedrag vertoond door (onder andere) met zeer hoge snelheden te rijden en door in tegengestelde richting de rotonde op te rijden. Bij aankomst in [plaats] heeft aangever [slachtoffer 1] verdachte aangesproken op zijn rijgedrag. Verdachte is vervolgens in zijn auto gestapt en is meermalen met hoge snelheid op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ingereden. [slachtoffer 1] heeft daarbij een gekneusde schouder en een gekneusde hand opgelopen. Hij is ter observatie in het ziekenhuis opgenomen.
De vraag die aan het hof voorligt is of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat verdachte vol opzet had om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals in dit geval het overlijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , is aanwezig als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Dit betekent dat aan de volgende drie voorwaarden moet zijn voldaan:
De gedraging van verdachte heeft een aanmerkelijke kans teweeggebracht dat een bepaald gevolg zal intreden;
verdachte was zich tijdens de gedraging van die aanmerkelijke kans bewust, en
verdachte heeft die kans aanvaard.
Bij de beoordeling van de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan komt betekenis toe aan de aard van die gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet in alle gevallen gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is.
Het hof overweegt daarover het volgende.
Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] volgt dat verdachte met hoge snelheid in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gereden. Zo verklaren zij dat verdachte “vol gas”, “hard”, “met hoge snelheid” en “voluit achteruit” reed, waarbij getuige [benadeelde 1] inschat dat verdachte met een snelheid van 40 tot 50 kilometer per uur reed toen hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aanreed. Het hof stelt echter vast dat geen objectieve meetgegevens beschikbaar zijn, zodat niet uit de bewijsmiddelen volgt met welke snelheid verdachte exact heeft gereden. Bovendien is onvoldoende duidelijk hoe groot de afstand tussen verdachte en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] was op het moment dat verdachte op hen in is gereden dan wel (opnieuw) op hen in probeerde te rijden. Ook is niet duidelijk waar het voertuig van verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] raakte toen hij de eerste keer op hen inreed. Dit betekent dat het hof niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan vaststellen dat de verweten gedragingen van verdachte een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft teweeggebracht. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.
Het hof is van oordeel dat de verweten gedragingen van verdachte
weleen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt. Het hof overweegt in dat kader het volgende.
Verdachte heeft voorafgaand aan het incident onverantwoord opgefokt rijgedrag vertoond, verkeerde onder invloed van alcohol en was – zo volgt uit zijn uitlatingen – duidelijk boos vanwege het feit dat hij door [slachtoffer 1] was aangesproken op zijn rijgedrag tijdens de rit van [plaats] naar [plaats] . Onder die omstandigheden is verdachte met hoge snelheid (“vol gas”) achteruit gereden. Daarbij heeft hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die zich achter de auto bevonden, geraakt. Vervolgens heeft hij zijn auto gedraaid en is hij opnieuw met hoge snelheid in de richting van [slachtoffer 2] gereden, die hem kon ontwijken. Vervolgens is verdachte nog een derde keer met hoge snelheid op [slachtoffer 2] , die op een oprit was gaan staan, ingereden. Hij is daarbij op de linkervoet en enkel van [slachtoffer 2] tot stilstand gekomen.
Verdachte heeft zich na de aanrijding niet bekommerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en is in plaats van direct hulp te verlenen nog een paar keer met zijn auto doelbewust op [slachtoffer 2] afgereden. Nog na het aanrijden van [slachtoffer 1] heeft verdachte tegen [slachtoffer 1] geroepen dat hij [slachtoffer 1] zou doodmaken. Het hof leidt uit de genoemde bewijsmiddelen af dat verdachte zelfs nog na het aanrijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het daarna nog tot driemaal insturen op [slachtoffer 2] - die de auto tot twee keer toe ternauwernood heeft kunnen ontwijken - nog steeds niet gekalmeerd was en nog steeds opgefokt.
Als een opgefokte bestuurder achter het stuur van zijn auto daarmee, onder de genoemde omstandigheden en op die wijze met hoge snelheid inrijdt op een persoon, dan bestaat (telkens) de geenszins als denkbeeldig te beschouwen kans dat die persoon wordt aangereden en zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van beide personen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] bewust heeft aanvaard. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair.
Ten aanzien van feit 2
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van verdachte daarop was gericht (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6181, HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:24 en HR 30 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1432).
Het hof overweegt daarover het volgende.
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat nadat hij door verdachte was aangereden, verdachte tegen hem schreeuwde dat hij hem dood ging maken. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] dat verdachte hem na het aanrijden heeft toegeschreeuwd dat hij hem dood zou maken, steun vindt in de verklaring van getuige [benadeelde 3] . Zij heeft verklaard dat zij verdachte tegen [slachtoffer 1]
[het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ]hoorde zeggen dat hij hen
[het hof begrijpt: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ]dood wilde maken.
Het hof is op grond hiervan van oordeel dat [slachtoffer 1] is bedreigd met de dood, dat de geuite bedreiging tegen [slachtoffer 1] gericht was en hij daarvan ook op de hoogte is geraakt, en deze bedreiging gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij [slachtoffer 1] in redelijkheid de vrees kon doen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 2.
Ten aanzien van feit 3
Het hof overweegt dat de tenlastelegging van feit 3 is gebaseerd op artikel 8,
tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Dat onder de tenlastelegging tussen haakjes per abuis het verkeerde lid van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 is opgenomen doet daaraan niet af. De inhoud van de tenlastelegging vormt immers de grondslag voor de rechterlijke beslissing. Het verweer van de raadsman kan daarom niet slagen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. subsidiair
hij opof omstreeks13 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met hoge snelheid,althans al snelheid verhogend,op die [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2] is ingereden met een auto, en/of, een of meerdere vandeze, personendaarvanheeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij opof omstreeks13 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] ,althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gerichten/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: 'ik maak je dood',en/of 'je moet voor mij oppassen', en/of daarbij, met een voertuig, op die [slachtoffer 1] en/of anderen in te rijden;3.
hij opof omstreeks13 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] ,althans in Nederland,als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk Volkswagen, type Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 595 microgram,in elk geval hoger dan 220 microgram,alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (595 microgram).

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daarnaast heeft zij gevorderd aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zijn leven op de rit heeft, sprake is van oude feiten, artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en het rijbewijs van verdachte bij een veroordeling van rechtswege ongeldig verklaard zal worden vanwege het tweede strafpunt.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Uit het dossier volgt dat verdachte, terwijl hij meerdere passagiers in zijn auto had, gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond en onverantwoord heeft gereden onder invloed van alcohol. Toen hij op zijn gedrag werd aangesproken door [slachtoffer 1] , heeft verdachte hem met de dood bedreigd en is hij (meerdere malen) met zijn auto op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ingereden. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar ook die van de andere betrokkenen, volgt dat zij vreesden voor hun leven. Dat het niet erger is afgelopen, is niet aan verdachte te danken, maar aan het handelen van de slachtoffers zelf.
De reclassering heeft in haar rapport van 21 mei 2025 beschreven dat verdachte weinig schuldbesef lijkt te hebben en hij niet reflecteert op zijn eigen gedrag. Ook tijdens de zitting in hoger beroep heeft verdachte zijn rijgedrag voorafgaand aan het incident afgedaan als “sportief rijden” en heeft hij verklaard dat juist
hijbedreigd werd, waardoor hij in paniek weg is gereden. Verdachte heeft dan ook nog steeds het idee dat aangevers “de pik op hem hebben” en zij daarom mogelijk aangifte hebben gedaan.
De reclassering heeft verder beschreven dat bij verdachte sprake lijkt te zijn van een onvermogen om situaties in te schatten en eventuele agressieproblematiek niet uitgesloten kan worden. Op basis van eerder ingezette vrijwillige hulpverleningstrajecten, zijn justitiecontacten en het psychosociaal functioneren van verdachte zag de reclassering voldoende aanknopingspunten voor behandeling in een gedwongen kader. De reclassering heeft daarom een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole) geadviseerd.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie (het “strafblad”) van verdachte van 22 december 2025 volgt dat verdachte al eerder onherroepelijk is veroordeeld vanwege een verkeersdelict. Ook na het onderhavige feit is verdachte veroordeeld vanwege het rijden onder invloed en een snelheidsovertreding. Het hof constateert in dat verband dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Verdachte heeft tijdens de zitting in hoger beroep opgemerkt dat de informatie uit het reclasseringsrapport van 21 mei 2025 niet meer actueel is. Het gaat nu veel beter met hem. Zo heeft hij een eenmanszaak en is hij (weer) werkzaam voor zijn vader. Ook heeft hij sinds kort een relatie. Verdachte heeft geen last meer van ADHD en heeft naar eigen zeggen ook geen stress meer in zijn hoofd. De raadsman heeft een e-mail van de vader (en werkgever) van verdachte overgelegd, waarin hij schrijft dat verdachte volwassener is geworden en dat verdachte keihard werkt aan zijn toekomst.
Alles afwegende ziet het hof in dit geval en met enige aarzeling aanleiding geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer aan verdachte op te leggen. Doorslag heeft gegeven enerzijds het feit dat het hof tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank komt, maar anderzijds ook de voorzichtig positieve ontwikkeling in het leven van verdachte en zijn jeugdige leeftijd. Zowel verdachte als de maatschappij zijn er niet bij gebaat dat deze ontwikkeling doorkruist wordt.
Wel zal het hof vanwege de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan aan verdachte een forse taakstraf en een stevige voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Met deze voorwaardelijke straf krijgt verdachte de kans om te laten zien dat hij daadwerkelijk volwassener is geworden en hij zich niet meer laat leiden door zijn emoties en agressiviteit.
Het hof ziet geen aanleiding (meer) aan deze voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden te koppelen.
Het hof acht een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Daarnaast legt het hof aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden op.
Het hof acht een ontzegging, ondanks de mededeling van de raadsman dat verdachte een tweede strafpunt zal krijgen, nog steeds passend gelet op het rijgedrag van verdachte in de onderhavige zaak en zijn eerdere veroordelingen vanwege het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Eerste aanleg
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg niet gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.
Hoger beroep
De benadeelde partij heeft in hoger beroep een vordering tot schadevergoeding van € 8.395,30 ingediend, bestaande uit € 5.895,30 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende kostenposten:
  • Horloge: € 310,30;
  • broek PME Legend: € 150,00;
  • ambulancekosten: € 385,00;
  • reiskosten politiebureau: € 50,00;
  • verlies van inkomsten: € 5.000,00.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Zij heeft verder verzocht aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ter hoogte van € 695,30 (bestaande uit de kosten voor het horloge en het eigen risico in verband met het ambulancevervoer).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
Oordeel van het hof
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep voor het eerst gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Het hof zal de benadeelde partij daarom op grond van artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht bepaalt, kort gezegd, dat de rechter aan een verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag
ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De schadevergoedingsmaatregel kan door de rechter ook worden opgelegd indien het slachtoffer niet in zijn vordering kan worden ontvangen, zoals hier het
geval is.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het gaat daarbij om door verdachte toegebrachte schade aan het horloge van de benadeelde partij en het eigen risico voor de rit met de ambulance naar het ziekenhuis.
Het hof begroot de hoogte van de schade op een bedrag van € 695,30. Het hof ziet aanleiding voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Eerste aanleg
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00.
Hoger beroep
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in verband met de beschermde vrijspraak ten aanzien van de benadeelde partij.
Oordeel van het hof
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde handelen waardoor de gevorderde schade bij de benadeelde partij zou zijn veroorzaakt. Het hof heeft geoordeeld dat deze vrijspraak een beschermde vrijspraak is, zodat de beslissing van de rechtbank voor wat betreft dat onderdeel in hoger beroep niet meer aan de orde is. Dat betekent dat de benadeelde partij in haar vordering niet kan worden ontvangen. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 695,30 (zeshonderdvijfennegentig euro en dertig cent) als vergoeding voor materiële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door
mr. D. Radder, voorzitter,
mr. N. Schaar en mr. C.H. Zuur, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier,
en op 9 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

3.p, 10.
12.p, 69.
13.p, 15.
14.p, 16.
15.p, 22.
16.p, 79.
17.p, 80.
18.p, 86.
19.p, 48.