ECLI:NL:GHARL:2026:843

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.349.813/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:174 BWArt. 6:162 BWArt. 6:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente niet aansprakelijk voor geluidsoverlast door inspectieputten nabij woning

Appellanten zijn eigenaar van een woning nabij twee inspectieputten in de weg, waarover verkeer rijdt dat volgens hen geluidsoverlast veroorzaakt. Zij vorderden van de gemeente een verklaring voor recht dat zij aansprakelijk is voor de overlast en schadevergoeding voor kosten van een kelder onder hun woning, alsmede verwijdering of asfaltering van de putten.

De rechtbank wees deze vorderingen af, en ook het hof bevestigt dit oordeel. Uit diverse onderzoeken blijkt dat het geluid en de trillingen onder de geldende normen blijven en dat de hinder niet onrechtmatig is. De gemeente heeft bovendien maatregelen genomen en de inspectieputten vervullen een nuttige functie voor het rioolsysteem, waardoor verwijdering of asfaltering niet redelijk is.

Het hof overweegt dat het geluid weliswaar hinderlijk kan zijn, maar niet de grens van aanvaardbare hinder overschrijdt. Ook is onvoldoende aannemelijk dat de kosten van de kelder als schade aan de gemeente kunnen worden toegerekend. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellanten worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellanten af en bevestigt dat de gemeente niet aansprakelijk is voor de geluidsoverlast door inspectieputten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.349.813/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 560588
arrest van 10 februari 2026
in de zaak van

1.[appellant1] ,

2. [appellant2],
die wonen in [woonplaats] ,
die hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de rechtbank optraden als eisers,
hierna samen:
[appellanten]en ieder afzonderlijk
[appellant1]en
[appellant2],
advocaat: mr. J.E. Polet te Amsterdam,
tegen
Gemeente Hilversum,
die is gevestigd in Hilversum ,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna:
de gemeente,
advocaat: mr. R. van der Hulle te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 3 april 2024, 29 mei 2024 en 31 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. [1] Het procesverloop bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven met productie
- de memorie van antwoord met producties
- de akte uitlating producties van [appellanten]
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 november 2025 is gehouden.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
In geschil is of de gemeente op grond van artikel 6:174 BW Pro of 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [appellanten] gestelde schade als gevolg van ervaren overlast c.q. hinder door verkeer dat rijdt over twee inspectieputten in de nabijheid van de woning van [appellanten]
2.2
[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd een verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor hun schade, op te maken bij staat, bestaande uit de kosten die zij hebben gemaakt om onder hun woning een kelder te bouwen, te isoleren en te voorzien van vloerverwarming. Daarnaast vorderden zij dat de gemeente wordt bevolen om de twee inspectieputten te verwijderen, althans te bedekken met asfalt.
2.3
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4
Het hof zal de vorderingen eveneens afwijzen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.

3.De feiten

3.1
[appellanten] zijn in januari 2017 eigenaar geworden van een perceel gelegen aan het [adres] in Hilversum , waarop zij een woning hebben laten bouwen. De woning is in april 2018 aan [appellanten] opgeleverd, met een onder de woning aangebrachte geïsoleerde kelder voorzien van vloerverwarming. Op dat moment lagen voor de woning inspectieputten die bestemd zijn het hemelwater af te voeren naar het rioolstelsel dat onder de weg ligt.
3.2
Eind 2018 heeft de gemeente een deel van het [adres] aangepast. De aanpassing hield onder meer in dat het fietspad is verlegd, de laad- en losstrook is aangepast, een (bredere) stoep is gecreëerd en de weg opnieuw is geasfalteerd.
3.3
Vanaf 2019 hebben [appellanten] meerdere keren bij de gemeente geklaagd dat zij in hun woning overlast ervaren door het onregelmatig optredend geluid van voertuigen die over de inspectieputten rijden.
3.4
In de daarop volgende periode hebben partijen contact gehad over mogelijke oplossingen. De gemeente heeft een aantal maatregelen genomen met als doel de geluidshinder te beëindigen of tenminste te verminderen. Deze maatregelen zagen op het egaliseren van het omliggende asfalt, het vervangen van de geplaatste putdeksels, het monitoren van snelheidsovertredingen, het aanbrengen van een coating rondom de putdeksels en het knevelen van de putdeksels door deze vast te maken. [appellanten] bleven na deze maatregelen bij de gemeente klagen over geluidsoverlast.
3.5
Begin september 2021 heeft onderzoeksbureau TAUW in opdracht van de gemeente in de woning van [appellanten] gemeten in welke mate de trillingen die ontstaan door het rijden van voertuigen over de inspectieputten tot schade aan en hinder in de woning leidden. Op 29 november 2021 heeft TAUW haar onderzoeksrapport uitgebracht. In het rapport staat onder meer:
‘Het algemene beeld naar aanleiding van de metingen is dat de optredende trillingen beneden de grenswaarden uit de SBR-richtlijn A liggen en dat de kans op schade volgens deze richtlijn verwaarloosbaar klein is.
Verder blijkt uit de trillingsmetingen dat in de slaapkamer en kelder voldaan kan worden aan de streefwaarden voor hinder uit de SBR-richtlijn B. De trillingshinder kan gekwalificeerd worden als weinig hinder.
Geconstateerd is dat het geluid ten gevolge van het passeren van voertuigen over de putdeksels duidelijk waarneembaar was in de kelder van de woning. Gezien de eisen in het bouwbesluit kan deze ruimte echter niet als een verblijfs-/geluidgevoelige ruimte aangemerkt worden. Dit betekent dat hier geen eisen ten aanzien van geluid in deze ruimte (binnenniveau) gelden.
Uit een visuele inspectie van de putdeksel is gebleken dat deze circa 3 mm lager ligt dan het omringende wegdek. Hiervoor staan eisen benoemd in de Standaard RAW Bepalingen, een uitgave van de CROW. (…) Het hoogteverschil van een putrand met de asfaltverharding valt binnen de marge van 0 tot 5 mm. Hiermee wordt voldaan aan de vigerende eisen voor wegenaanleg.
Gezien de trillingen de grenswaarden voor hinder voor personen in gebouwen en de grenswaarden voor schade aan gebouwen niet overschrijden en het hoogteverschil van de putrand met de asfaltverharding binnen de marge valt, kan geconcludeerd worden dat er geen aanleiding bestaat dat de gemeente Hilversum extra maatregelen moet treffen.’
3.6
[appellanten] hebben de gemeente na het verschijnen van het onderzoeksrapport gesommeerd tot het nemen van maatregelen. De gemeente heeft [appellanten] daarop laten weten dat zij op grond van het onderzoeksrapport niet gehouden is om (verdere) maatregelen te nemen.
3.7
Op 4 juni 2024 heeft ir. [naam1] van de Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG) in opdracht van [appellanten] een rapport uitgebracht ‘Putdeksel [adres] Hilversum . Onderzoek geluidshinder’. De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt:
‘Uit de metingen volgt dat de putdeksel in de woning een ontoelaatbaar hoog geluidniveau veroorzaakt waardoor er sprake is van ernstige slaapverstoring.
Het normaal aanwezige achtergrondniveau is 27 dB(A). De maximumgeluidniveaus van bonken liggen hier ca. 15 dB boven en zijn dus duidelijk waarneembaar. Het pulsachtige karakter maakt het erger.
Uit het spectrum van de bonken blijken die vooral te liggen in de 80 en 100 Hz tertsbanden.’
3.8
[naam2] van Antea en ir. [naam3] van Peutz hebben in opdracht van de gemeente daarop ieder in een memo respectievelijk notitie van 11 juni 2024 gereageerd.
3.9
Op 14 juni 2024 heeft NSG in een memo haar reactie op het commentaar van Antea en Peutz gegeven. Daar heeft Peutz in een notitie van 18 juni 2014 weer op gereageerd.
3.1
[naam4] van Bewijsrapportage heeft op basis van een in opdracht van [appellanten] uitgevoerd geluidsonderzoek in de periode van 24 januari tot en met 31 januari 2025 het rapport ‘Indicatieve nonstop geluidsmeting’ uitgebracht. In de conclusie van dit rapport staat onder meer:
‘Op het [adres] rijden elke dag vele auto’s, motoren en vrachtauto’s door de straat. De putdeksels voor de woning liggen in het rijspoor en zijn een katalysator van (laagfrequent) impulsgeluid als verkeer over de putdeksels rijdt. Dit impulsgeluid is waarneembaar en hinderlijk in de woning. (…)
Op basis van de meetresultaten uit het onderzoek is de conclusie dat:
  • het geluidsniveau van het wegverkeer (inclusief impulsgeluid) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) niet overschrijdt
  • het geluidsniveau van het wegverkeer (inclusief impulsgeluid) de maximale waarde van 63 dB(A) niet overschrijdt zoals opgenomen in de Wgh
  • de frequentie van het impulsgeluid in de woning laagfrequent is, goed waar te nemen en continue aanwezig. Dit zogenoemde impulsgeluid kan aangemerkt worden als hinderlijk.
Mogelijke oplossingen:
  • Verplaatsen van de putten, verleggen van de stoep of het aanbrengen van een chicane. Dit hoeft doorstroming van verkeer en vrachtverkeer niet te verhinderen.
  • Advies inwinnen bij een ingenieursbureau. Onderzoek naar het laten aanbrengen van een ondergronds scherm tegen trillingen/geluid bij de gevel van de woning.’
3.11
In een brief van 28 mei 2025 en een notitie van 28 mei 2025 hebben [naam2] van Antea respectievelijk [naam3] van Peutz daarop gereageerd.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Inleiding
4.1
[appellanten] hebben vier bezwaren (grieven) tegen de vonnissen van 3 april 2024 en 31 juli 2024 van de rechtbank aangevoerd. Door die bezwaren wordt aan het hof in volle omvang de vraag voorgelegd of de gemeente op grond van artikel 6:174 BW Pro of 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [appellanten] ervaren overlast c.q. hinder en of in verband daarmee aanleiding bestaat tot toewijzing van de vorderingen.
4.2
Tegen het vonnis van 29 mei 2024 zijn geen grieven gericht. In zoverre zijn [appellanten] niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep.
Geen risicoaansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW Pro
4.3
De risicoaansprakelijkheid van de wegbeheerder voor opstallen op grond van artikel 6:174 BW Pro betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge lid 6 van dit artikel mede zijn te verstaan het weglichaam en de weguitrusting. De aansprakelijkheid op grond van dit artikel is beperkt tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg. [2]
4.4
Aan de voorwaarden voor toepassing van deze risicoaansprakelijkheid is niet voldaan. Van een gebrekkige opstal in de hiervoor bedoelde zin is geen sprake. Het [adres] waaraan [appellanten] wonen is niet een gebrekkige, ondeugdelijke of een voor personen of zaken gevaarlijke c.q. onveilige weg. Niet ter discussie staat dat het [adres] in een goede staat van onderhoud verkeert. De ligging van de inspectieputten of de hoor- c.q. waarneembaarheid van geluid door autoverkeer dat daarover rijdt maakt een weg - te meer gezien de functie daarvan - niet een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW Pro.
Onrechtmatige hinder
4.5
De vraag of hinder onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. [3]
4.6
[appellanten] hebben last van een laagfrequent impulsachtig geluid in hun woning. Volgens hen is dat geluid afkomstig van voertuigen die over twee in de nabijheid van hun woning in de weg gelegen inspectieputten rijden. [appellanten] hebben niet zozeer last van het niveau van het geluid, maar van de hoeveelheid en het onregelmatige en onvoorspelbare karakter daarvan alsook de variatie in het geluidsniveau. Er is sprake van hinder omdat hun woongenot hierdoor wordt aangetast en [appellanten] hiervan fysieke gevolgen ondervinden, waaronder slaapverstoring en stressreacties.
4.7
Voor het hof is voldoende komen vast te staan dat in de woning onregelmatig geluid is waar te nemen. Dit volgt uit de rapportages van TAUW, NSG en Bewijsrapportage en is tijdens de gerechtelijke plaatsopneming ook door de rechtbank waargenomen. De gemeente heeft zelf, in de persoon van teammanager voorbereiding en uitvoering [naam5] , ter plekke ook kennis genomen van het geluid. De bezwaren die de gemeente , onder verwijzing naar notities van Antea en Peutz, tegen deze rapportages heeft aangevoerd, doen aan deze waarnemingen niet af.
4.8
[appellanten] ervaren het onregelmatige en daarmee onvoorspelbare geluid in combinatie met de hoeveelheid ervan als hinderlijk en dat heeft impact op hun persoonlijk leven. In juridische zin levert hoor- c.q. waarneembaarheid van geluid op zichzelf echter nog geen onrechtmatige hinder op, ook niet als daarbij wordt betrokken dat het geluid laagfrequent en impulsachtig van aard is en de hele dag onregelmatig optreedt. Zoals hiervoor (rov. 4.5) is aangegeven, dienen bij het onrechtmatigheidsoordeel met betrekking tot toegebrachte hinder volgens vaste rechtspraak ook andere omstandigheden dan de aard, ernst en duur van de hinder en daardoor toegebrachte schade betrokken te worden. Daarbij heeft het hof (ook) te betrekken dat de gemeente op basis van de notitie van Peutz gemotiveerd heeft betwist dat op basis van NSG en Bewijsrapportage kan worden aangenomen dat als gevolg van het rijden over de putdeksels specifiek een bonk- c.q. impulsgeluid goed is waar te nemen en continue aanwezig is en dat [appellanten] als gevolg daarvan fysieke gevolgen ondervinden.
4.9
De vraag is dus of sprake is van
onrechtmatigehinder in de hiervoor (rov. 4.5) bedoelde zin. Dat is naar het oordeel van het hof niet het geval.
Metingen
4.1
In de eerste plaats is onvoldoende gebleken dat in de woning van [appellanten] sprake is van een objectief vast te stellen onacceptabel c.q. ontoelaatbaar geluidsniveau of anderszins onrechtmatige hinder.
4.11
Zoals [appellanten] zelf ook erkennen zijn er geen relevante (algemeen aanvaarde) normen waaraan deze concrete situatie, geluidsoverlast in de woning als gevolg van verkeerslawaai, kan worden getoetst. Desondanks menen zij dat wel kan worden vastgesteld dat de geluidsoverlast wettelijke (publiekrechtelijke) normen overschrijdt. [appellanten] wijzen er in dit verband op dat uit de metingen van NSG en Bewijsrapportage volgt dat de geluidsbelasting niet structureel de maximale grenswaarde van 63 dB(A) overschrijdt, maar wel incidenteel daar bovenuit stijgt en dat de door de gemeente zelf in het “Besluit Hogere grenswaarden Wet Geluidhinder [adres] 6-10” opgenomen binnenwaarde van 33 dB regelmatig wordt overschreden.
4.12
De gemeente heeft met de notities van Antea en Peutz gemotiveerd toegelicht dat en welke methodologische bezwaren bestaan tegen het door NSG en Bewijsrapportage uitgevoerde meetonderzoek en de verslaglegging daarvan.
4.13
Los van deze bezwaren hebben Antea en Peutz over het beoordelingskader en de toetsing van de uitgevoerde metingen het volgende opgemerkt. De maximale grenswaarde van 63 dB(A) onder de voormalige Wet geluidhinder geldt voor de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer voor c.q. op de gevel(s) van nog planologisch te realiseren woningen en dus niet voor het binnenniveau. Op basis van de metingen van NSG en Bewijsrapportage kan volgens hen bovendien niet worden aangenomen dat de geluidsbelasting incidenteel uitstijgt boven 63dB(A). Bij de in het “Besluit Hogere grenswaarden Wet geluidhinder [adres] ” ging het om de, overigens door de ontwikkelaar dan wel woningeigenaar te waarborgen, gewogen waarde van 33dB(A) als gemiddeld geluidniveau over een etmaal en dus niet om piekgeluidniveaus. Uit de metingen van NSG en Bewijsrapportage kan geen conclusie worden getrokken dat die binnenwaarde van 33 dB(A) - dus als het gemiddelde geluidniveau over een etmaal - wordt overschreden. De resultaten van die metingen geven namelijk slechts piekgeluidniveaus weer en geen gemiddelde geluidsniveaus in dB(A) over een etmaal.
4.14
Tot slot heeft Peutz toegelicht dat wel bij een objectief toetsingskader met gewogen geluidgrenswaarden voor verblijfsruimten aangesloten zou kunnen worden, maar dat ook dan op basis van de uitgevoerde metingen geen sprake is van overschrijding van die geluidgrenswaarden.
4.15
Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat sprake is van overschrijding van voor deze situatie in aanmerking te nemen geluidsnormen.
Belang en maatregelen
4.16
Daarnaast geldt dat de inspectieputten op hun huidige positie een nuttige functie vervullen. Onder het [adres] is het gemeentelijke rioolsysteem gelegen. Dit rioolsysteem betreft een gescheiden riolering voor enerzijds hemelwater en anderzijds huishoudelijk afvalwater en bestaat uit rechte rioolleidingen oftewel buizen zonder bochten. De riolering onder wegen wordt in het algemeen in het midden van de bovengelegen weg geplaatst. De redenen daarvoor is gelegen in (i) kabels en leidingen die vaak onder het trottoir worden gelegd, en waarlangs rioolleidingen niet te dicht mogen lopen, en (ii) wortels van bomen, ten aanzien waarvan voorkomen moet worden dat die wortels het riool kunnen binnendringen en leidingen kunnen aantasten. Kennelijk is in dit geval het ondergrondse rioolsysteem in het midden van de weg aangelegd. Door de nadien uitgevoerde wegaanpassingen is aannemelijk dat ter hoogte van de woning van [appellanten] een rijgedeelte van de weg (iets) meer boven het ondergrondse rioolsysteem is komen te liggen.
Een onderdeel van het rioolsysteem zijn ook de inspectieputten op de weg. Deze putten dienen voor inspecties c.q. controles en reinigingen van de riolering goed bereikbaar te zijn en de ligging van deze putten is afgestemd op de ligging van de riolering. De plaatsing van de putten is ook van belang voor het verzekeren van het juiste afschot van de riolering en het opvangen van hoogteverschillen. Het kan zijn dat door de wegreconstructie de inspectieputten (iets) meer op een rijgedeelte van de weg zijn gekomen. Niet is komen vast te staan dat er (wettelijke) regels of normen zijn die aan inspectieputten op een rijgedeelte van de weg in de weg staan. Verwijdering van de inspectieputten is volgens de gemeente niet mogelijk en door [appellanten] is niet aangetoond dat dit hier wel een optie kan zijn. Met de inspectie- en reinigingsmaterialen kunnen geen bochten gemaakt worden en met deze materialen kan maar een beperkte afstand worden overbrugd. Inspectie- en reinigingswerkzaamheden voor een bepaald deel van de riolering kunnen niet geschieden via een of meer verderop gelegen andere inspectieputten.
4.17
Verder is van belang dat de gemeente heeft onderzocht of er mogelijkheden zijn om de door [appellanten] ervaren overlast te beëindigen of te beperken en daartoe ook maatregelen zijn genomen (zie rov. 3.4). [appellanten] hebben aangevoerd dat er voor de gemeente nog andere manieren zijn om de overlast te beëindigen, maar dat dit realistische opties zijn is door de gemeente in de processtukken en ter zitting in hoger beroep gemotiveerd bestreden en door [appellanten] niet nader onderbouwd. De door hen voorgestelde verwijdering gaat ten koste van de nuttige functie die de putten op hun huidige locatie hebben. Asfaltering van de inspectieputten doet afbreuk aan hun bereikbaarheid. Het hof is er niet van overtuigd geraakt dat van de gemeente kan worden gevergd dat zij die asfaltering in geval van calamiteiten verwijdert en vervolgens weer aanbrengt. De heer [naam3] van Peutz heeft ter zitting in hoger beroep in dit verband nog aangevoerd dat het risico bestaat op scheurvorming als veel verkeer over de geasfalteerde inspectieputten rijdt. De door Bewijsrapportage geopperde plaatsing van een chicane, verlegging van de stoep en plaatsing van een ondergronds scherm zijn ingrijpend om uit te voeren terwijl onzeker is of dit een oplossing biedt.
Causaal verband
4.18
Daarbij rijst tenslotte ook nog de door de gemeente opgeworpen vraag wat de hinder nu precies veroorzaakt, en of daarbij misschien ook de rioolleidingen onder de eigen grond van [appellant1] en de geleiding via de grond een rol spelen.
Geen onrechtmatigheid en geen grond voor toewijzing vorderingen
4.19
De conclusie is dat, gelet op de hiervoor aangehaalde gezichtspunten, de gemeente ook niet aansprakelijk is op grond van onrechtmatige hinder ex artikel 6:162 BW Pro.
4.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat de ervaren geluidshinder ook niet op een andere manier in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid. Het hof volgt de rechtbank hierin. [appellanten] hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd om hier anders over te oordelen. Uit het voorgaande blijkt dat niet kan worden aangenomen dat de door [appellanten] ervaren hinder de grens overschrijdt van de mate van hinder die van verkeer aanvaard moet worden.
4.21
Dat een aantal gemeenten specifieke regels hebben voor aanleg of plaatsing van de inspectieputten, maakt niet dat de gemeente onrechtmatig handelt als zij dergelijke regels niet heeft. Ter zitting in hoger beroep heeft de gemeente ook weersproken dat geluid hierin bepalend of doorslaggevend zou zijn en aangevoerd dat het van de plaatselijke situatie afhangt wat er mogelijk is. Van een erkenning door de gemeente dat zij in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid handelt of heeft gehandeld, is geen sprake. Evenmin heeft de gemeente erkend dat meer klachten bij haar bekend zijn over deze inspectieputten. Dat de gemeente een situatie, waarin sprake is van vele klachten over hinder of waarin is nagelaten maatregelen te treffen om hinder te voorkomen, ten onrechte heeft laten voortbestaan, is niet aan de orde.
4.22
Omdat aansprakelijkheid van de gemeente niet kan worden aangenomen, komen de door [appellanten] ingestelde vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking. Wat betreft die vorderingen voegt het hof daar - ten overvloede - nog het volgende aan toe.
4.23
[appellanten] vorderen een verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor hun schade, op te maken bij staat. Zij stellen dat hun schade bestaat uit de kosten die zij hebben moeten maken om onder hun gehele woning een extra woonlaag (kelder) te bouwen, te isoleren en te voorzien van vloerverwarming. Deze extra woonlaag is volgens hen specifiek gebouwd om overdag een donker en stil slaapvertrek te creëren. Zij maken aanspraak op vergoeding van die kosten, waarbij zij zich baseren op arresten waarin de Hoge Raad het leerstuk van de ‘vergeefs gemaakte kosten’ heeft geïntroduceerd. [4] De situaties die in die arresten aan de orde waren vertonen echter onvoldoende gelijkenis met het onderhavige geval. Niet kan worden aangenomen dat [appellanten] het voordeel geheel of in rechtens relevante mate hebben gemist van de uitgaven die zij hebben gedaan, in de zin van de genoemde arresten van de Hoge Raad. De verbouwingskosten staan in dit geval bovendien in een te ver verwijderd verband tot de aan de gemeente verweten hinder om die kosten of een deel daarvan als materiële schade op de voet van artikel 6:98 BW Pro aan de gemeente toe te kunnen rekenen.
4.24
Daarnaast vorderen [appellanten] dat de gemeente wordt bevolen om de twee nabij hun woning gelegen inspectieputten te verwijderen, althans te bedekken met asfalt. Uit het voorgaande vloeit voort dat niet is gebleken dat de door [appellanten] gevorderde verwijdering c.q. asfaltering van de inspectieputten realistische opties zijn en daarmee redelijkerwijs van de gemeente zijn te vergen.
De conclusie
4.25
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. [5]
4.26
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk voor zover hun hoger beroep is gericht tegen het tussenvonnis van 29 mei 2024 van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad;
5.2
bekrachtigt het tussenvonnis van 3 april 2024 en het eindvonnis van 31 juli 2024 van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad;
5.3
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van de gemeente :
€ 827 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat (2 procespunten x appeltarief II € 1.290);
5.4
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.5
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, D.H. de Witte en H.M. Fahner, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
10 februari 2026.

Voetnoten

1.Het tussenvonnis van 3 april 2024 is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBMNE:2024:2711 en het tussenvonnis van 29 mei 2024 onder nummer ECLI:NL:RBMNE:2024:3290. Het eindvonnis van 31 juli 2024 is niet gepubliceerd.
2.HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283.
3.HR 15 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0150, NJ 1992/639 en HR 18 september 1998, ECLI:NL:HR:1999:ZC2704, NJ 1999/69.
4.HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6460, en HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042.
5.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.