ECLI:NL:GHARN:2003:AF4930
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- N.E. Haas
- A.M. van Amsterdam
- J.A. Monsma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afschrijving onroerende zaken en restwaarde grond in vennootschapsbelasting 1998
Belanghebbende, een moedermaatschappij binnen een fiscale eenheid, maakte bezwaar tegen de door de Inspecteur gecorrigeerde afschrijvingsbedragen op vier bedrijfspanden in de vennootschapsbelasting 1998. De Inspecteur hanteerde een afschrijvingspercentage van 3% met een restwaarde van 25% voor de opstal en een jaarlijkse waardestijging van 3% voor de grond, wat leidde tot een hogere restwaarde van de grond en een lagere afschrijving.
Belanghebbende stelde dat rekening houden met een toekomstige waardestijging van de grond in strijd is met het realisatiebeginsel en dat er sprake zou moeten zijn van twee bedrijfsmiddelen met verschillende afschrijvingsmethoden. Het Hof verwierp het standpunt dat sprake was van twee bedrijfsmiddelen en volgde de Inspecteur in de kwalificatie van elk pand als één bedrijfsmiddel.
Het Hof oordeelde dat de door de Inspecteur gehanteerde waardestijging van de grond onvoldoende onderbouwd was, maar dat de taxatiewaarden per 1 januari 1998 en 2001 een substantiële en duurzame waardestijging van de grond aantonen. Het Hof stelde vast dat deze waardestijging als blijvend moet worden beschouwd en dat de hogere restwaarde van de grond in aanmerking moet worden genomen bij het vaststellen van de afschrijving.
Verder concludeerde het Hof dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake zal zijn van sloop en nieuwbouw, waardoor de uitzondering op de hoofdregel niet van toepassing is. Het Hof wees het beroep van belanghebbende af en bevestigde de uitspraak van de Inspecteur, waarbij alleen op het pand waarvan de boekwaarde de restwaarde nog overtreft verdere afschrijving mogelijk is.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de aanslag en corrigeert de afschrijving waarbij alleen op één pand verdere afschrijving mogelijk is.