ECLI:NL:PHR:2007:AU3977
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fiscale afschrijving op onroerende zaken en restwaardebepaling
De zaak betreft een fiscale procedure tussen X BV en de Staatssecretaris van Financiën over de afschrijving van vastgoed binnen een fiscale eenheid. De discussie spitst zich toe op de vraag of de grond en de opstal afzonderlijk afgeschreven kunnen worden en hoe de restwaarde van het vastgoed moet worden bepaald.
De Inspecteur stelde het afschrijvingspercentage voor alle opstallen op 3% en de restwaarde op 25% van de kostprijs, waarbij hij een waardestijging van de grond meenam. Het Hof oordeelde dat het niet toegestaan is om bij de restwaarde rekening te houden met een toekomstige waardestijging van de grond, tenzij deze waardestijging al aanmerkelijk en blijvend is. Het Hof volgde de taxatiewaarden voor de grond, die niet werden betwist, en concludeerde dat er sprake was van een aanmerkelijke waardestijging die als blijvend kon worden beschouwd.
De belanghebbende stelde vier middelen voor, onder meer dat grond en opstal separaat moeten worden afgeschreven en dat het Hof ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. De Staatssecretaris voerde aan dat het Hof onvoldoende gemotiveerd had waarom de taxaties van de Inspecteur onvoldoende waren en dat de bewijslast correct was verdeeld.
De Hoge Raad bevestigt de lijn uit eerdere jurisprudentie dat grond en opstal als één bedrijfsmiddel worden beschouwd en dat afschrijving op grond in beginsel niet is toegestaan. Een herziening van de restwaarde is alleen aan de orde bij een aanmerkelijke en blijvende waardestijging die reeds heeft plaatsgevonden. De zaak benadrukt het belang van het matchingbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel bij fiscale afschrijving en restwaardebepaling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat grond en opstal één bedrijfsmiddel vormen en dat afschrijving op grond in beginsel niet is toegestaan, met herziening van restwaarde alleen bij aanmerkelijke en blijvende waardestijging.