ECLI:NL:HR:2007:AU3977
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over afschrijving vastgoed en waardestijging grond in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, exploitant van een bakkerij en verhuurder van onroerende zaken, had voor 1998 een verlies aangegeven en werd geconfronteerd met een aanslag vennootschapsbelasting van nihil. De Inspecteur corrigeerde bij de aanslag de restwaarde van vastgoed door rekening te houden met een waardestijging van de grond van 3% per jaar, wat de afschrijvingsbasis voor de opstallen verkleinde. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat waardestijging van de grond niet in aanmerking behoorde te worden genomen.
Het Hof verwierp de stelling van de Inspecteur over de waardestijging vanwege onvoldoende onderbouwing, maar oordeelde dat de taxatiewaarden per 1 januari 1998 minimaal de restwaarden vertegenwoordigen en dat er sprake is van een blijvende waardestijging van de grond. Ook vond het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat sloop en nieuwbouw te verwachten waren, waardoor de waardestijging meegenomen moet worden.
De Hoge Raad bevestigt dat grond en opstal één bedrijfsmiddel vormen en dat bij de restwaardebepaling rekening moet worden gehouden met de waardestijging van de grond, tenzij aannemelijk is dat de waardestijging niet gerealiseerd zal worden door verkoop. Het Hof heeft de bewijslastverdeling correct toegepast. Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, het incidentele beroep van de Staatssecretaris niet-ontvankelijk en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het incidentele beroep van de Staatssecretaris niet-ontvankelijk.