ECLI:NL:GHARN:2004:AO7871
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.P.M. Kooijmans
- T.J. Matthijssen
- M.C.M. de Kroon
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over schadeloosstelling na bedrijfsongeval bij uitzendkracht
Belanghebbende, een uitzendkracht werkzaam bij een besloten vennootschap, liep in 1994 een bedrijfsongeval op met letsel aan haar rechtervoet. Na langdurige arbeidsongeschiktheid vorderde zij schadevergoeding van de werkgever, welke werd vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met bruto vergoedingen voor immateriële en materiële schade.
De Inspecteur stelde dat de schadeloosstelling grotendeels als belastbaar loon moest worden aangemerkt, terwijl belanghebbende betoogde dat de vergoeding voor immateriële schade onbelast moest blijven en de materiële vergoeding betrekking had op verlies van arbeidskracht en inkomensverlies, welke niet als loon konden worden gezien.
Het Hof stelde vast dat de vergoeding terecht was toegekend voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht, en dat de Inspecteur onvoldoende onderbouwing had voor zijn lagere waardering van de immateriële schadevergoeding. De term 'bruto' in de overeenkomst werd geïnterpreteerd als een maximering van de kostenpost en niet als een belastingsgrondslag.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur, verminderde de aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 31.817 en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De aanslag wordt verminderd en de schadeloosstelling wordt niet volledig als belastbaar inkomen uit werk en woning aangemerkt.