Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
de toekenning van voornoemd bedrag geschiedt rechtens onverplicht; het korps erkent geen enkele aansprakelijkheid die verder reikt dan de verplichtingen die voortvloeien uit de voor ambtenaren van politie geldende rechtspositie;
de toekenning van dit bedrag betekent niet dat het korps erkent dat er sprake is van een causaal verband tussen de bij u geconstateerde hersentumor en het u overkomen ongeval op 11 september 1981; (...)".
3.Het geding in cassatie
materiëleschade, tot een vele malen hoger bedrag. Dat is zijns inziens nu juist niet aan de orde.
4.Voldoende verband met de dienstbetrekking
BNB2016/44, [7] schreef ik reeds dat voor loon bepalend is het (causale) verband met de dienstbetrekking, en niet de vraag of de bate een beloning vormt voor de door de werknemer verrichte arbeid. [8] In bedoeld arrest werd dit (wederom) [9] door de Hoge Raad herhaald.
(conditio sine qua non)is voor het verkrijgen van een bepaalde bate.
toereikendecausaliteit te kunnen spreken, wordt in het algemeen aangenomen dat als beslissend criterium de leer van de redelijke toerekening geldt. Deze leer vat loon op als alle voordelen die, rekening houdende met de maatschappelijke opvattingen, geacht kunnen worden zakelijk aan de dienstbetrekking te worden toegerekend, met uitschakeling derhalve van wat tot de persoonlijke sfeer van de werknemer behoort. [10] Dat heeft ook gevolgen voor de (on)belastbaarheid van schadeloosstellingen.
BNB1994/22 [17] inzake een militair aan wie op grond van een rechtspositionele regeling (de Algemene militaire pensioenwet) een schadevergoeding was toegekend voor gehoorschade opgelopen tijdens het werk. De Hoge Raad overwoog:
BNB2001/150 heeft de Hoge Raad verder verduidelijkt wanneer zich bijzondere omstandigheden in de zin van het Smeerkuilarrest voordoen. Dit arrest betrof een monteur die een ongeval was overkomen waarbij hij lichamelijk letsel had opgelopen. Daardoor was hij hogere inkomsten misgelopen die hij anders vanwege een te verwachten promotie zou hebben kunnen genieten. De verzekeraar van de werkgever en belanghebbende hadden een dading gesloten, ingevolge waarvan een bedrag werd uitbetaald wegens materiële en immateriële schade, verlies aan arbeidsvermogen en wettelijke rente werd uitbetaald. De Hoge Raad overwoog:
BNB2008/82 betrof een in een cao opgenomen compensatieregeling in verband met de verplichte deelname aan een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering. [18] De Hoge Raad overwoog:
op grond van diens aansprakelijkheidzijn verschuldigd aan een werknemer wegens een aan deze werknemer overkomen ongeval, in beginsel niet behoren tot het loon. Zij vinden namelijk niet zozeer hun grondslag in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Dat is anders ingeval van bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst of de toepassing van een rechtspositionele regeling. In dat geval vloeit de vergoeding klaarblijkelijk voort uit de tussen de werknemer en de werkgever bestaande rechtsverhouding. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden wordt een voordeel dat de werkgever ingevolge een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting aan de werknemer verschaft, niet geacht te zijn genoten uit dienstbetrekking.
Dit was eveneens niet het geval voor een werknemer die van zijn werkgever een schadevergoeding ontving wegens het verlies aan verdiencapaciteit opgelopen door een bedrijfsongeval. Volgens de Hoge Raad was deze vergoeding niet zozeer aan de dienstbetrekking toe te rekenen dat deze als daaruit genoten moest worden beschouwd (HR 29 juni 1983, BNB 1984/2). Een dergelijke vergoeding staat dus los van de vraag of de werknemer, zoals in casu, nog wel verdiencapaciteit had. Belangrijk is te onderscheiden tussen loon dat staat tegenover de verrichte arbeid en een betaling van de werkgever wegens leed. Hof Arnhem 17 maart 2004, nr. 03/1515, NTFR 2004/652 oordeelde dat voor een bedrag van f 35.000 (€ 15.883) er sprake was van een vergoeding voor immateriële schade. Een vorkheftruck reed over de hiel van de werknemer tijdens diens werk. De aansprakelijkheid van de werkgever voor het ongeval vloeit niet voort uit de dienstbetrekking en de vergoeding is daarom onbelast. Hof Den Bosch 15 september 2003, nr. 00/3310, NTFR 2003/1117 oordeelde dat er sprake was van loon in geval van een schadevergoeding bij ontbinding van de dienstbetrekking omdat deze vergoeding is toegekend wegens schending van eer en goede naam van de werknemer. De vergoeding voor het leed dat een ontslag met zich brengt, achtte de Hoge Raad (HR 21 maart 2003, nr. 37.592, NTFR 2003/575) zozeer haar grond te vinden in de dienstbetrekking dat de vergoeding tot het loon behoort. Conclusie: loon is alles, tenzij er sprake is van een specifieke situatie die buiten de dienstbetrekking gelegen is.
beloningsvoordeel. Niet de subjectieve intentie en perceptie van de werkgever en de werknemer waren hierbij bepalend, maar de vraag of de maatschappij als collectief de vergoeding als beloning zou ervaren. [31] Een vergoeding is derhalve pas een
beloningsvoordeel als zij objectief als beloning is bedoeld. De omvang van het privé‑voordeel voor de werknemer vormde hierbij een aanwijzing voor de aanwezigheid van een
beloningsvoordeel. De memorie van toelichting vermeldt: [32]
ad€ 454 (ƒ 1.000) vormde dan ook slechts een ‘richtsnoer’: [37]
BNB2008/82 [40] had het Gerechtshof ‘s-Gravenhage [41] geoordeeld dat een uit de cao voortvloeiende compensatie in verband met verplichte deelname aan een publiekrechtelijke ziektekosten
geenvergoeding was die naar algemene maatschappelijke opvattingen een beloningsvoordeel vormde. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand:
BNB2015/110, [43] ter zake waarvan ik op 17 juli 2014 heb geconcludeerd. [44] Deze zaak betrof een rechtspositionele regeling, op grond waarvan politieagenten het recht hadden om vorderingen in verband met immateriële schade te cederen aan hun werkgever, tegen uitkering van de nominale waarde daarvan. Uit ervaringsregels bleek dat de werkelijke waarde van dergelijke vorderingen slechts 28 procent van de nominale waarde beliep, zodat de politiebeambten een voordeel genoten ter grootte van 72 procent van de nominale waarde. In geschil was of dit voordeel loon vormde en, zo ja, of het was aan te merken als vrije vergoeding.
5.Beoordeling van de klachten
BNB2015/110 inzake een door een politieregio overgenomen vordering betreffende vergoeding van immateriële schade van een politieambtenaar. [56]
BNB2015/110.