ECLI:NL:GHARN:2004:AO9979
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.J.P.M. Haas
- A.M. van Amsterdam
- Tj. van Rij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling renteaftrekbeperking bij kapitaalstorting en leningen binnen concern
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, had in 1988 een kapitaalstorting gedaan in haar Belgische dochtermaatschappij [A N.V.], die als coördinatiecentrum fungeert. In de jaren 1990-1992 verstrekte [A N.V.] leningen aan belanghebbende, waarover in 1998 rente werd betaald. De Inspecteur verhoogde het belastbaar bedrag met deze rente op grond van artikel 10a, tweede lid, onderdeel c, Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Belanghebbende betwistte dit en voerde aan dat er geen verband bestond tussen de kapitaalstorting en de leningen, en dat de renteaftrekbeperking in strijd zou zijn met het gemeenschapsrecht. Het Hof stelde vast dat er wel degelijk een verband is, gelet op de gelijke bedragen en de wijze van financiering binnen het concern, en dat belanghebbende het vermoeden niet had kunnen ontzenuwen.
Verder oordeelde het Hof dat de zakelijke motieven voor de geldleningen niet aannemelijk waren, omdat [A N.V.] niet als een zelfstandige concernfinancieringsmaatschappij fungeerde. Ook werd geoordeeld dat de Belgische coördinatietaks niet meetelt als belasting naar Nederlandse maatstaven, waardoor de effectieve belastingdruk onvoldoende was om de renteaftrekbeperking te vermijden.
Ten slotte verwierp het Hof het beroep van belanghebbende dat de regeling in strijd zou zijn met de vrijheden van vestiging en kapitaalverkeer uit het EG-verdrag, omdat ook bij een Nederlandse financieringsmaatschappij dezelfde toets zou gelden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag met renteaftrekbeperking wordt bevestigd.