ECLI:NL:GHARN:2008:BG1627
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vordering bank en bewijsagentuurovereenkomst
In deze civiele procedure staat de vraag centraal of appellanten jegens de bank aanspraak kan maken op provisie op grond van een agentuur- of bemiddelingsovereenkomst. Appellanten betoogt dat hij namens zijn onderneming Bemas bemiddelde bij financieringsovereenkomsten tussen de bank en leerlingen van een vliegschool, en dat hij daarvoor provisie toekomt.
De rechtbank heeft appellanten de bewijslast opgelegd om het bestaan van een dergelijke overeenkomst te bewijzen. Appellanten heeft dit bewijs niet kunnen leveren. Het hof oordeelt dat noch de feiten, noch de getuigenverklaringen voldoende aannemelijk maken dat een agentuurovereenkomst is gesloten. De bank heeft de vordering in reconventie terecht afgewezen.
Verder is de klacht van appellanten dat de rechter-commissaris die de rangregeling behandelde niet onbevooroordeeld was, verworpen. Wel is geoordeeld dat de rechtbank bij de renvooiprocedure zich had moeten beperken tot het vaststellen van de omvang van de vordering en geen veroordeling had mogen uitspreken. Daarom wordt het vonnis vernietigd voor zover appellanten is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de bank, maar erkent het hof de vordering van de bank. Appellanten wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor zover appellanten is veroordeeld tot betaling, erkent de vordering van de bank en veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep.