ECLI:NL:PHR:2010:BL2279
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing agentuurovereenkomst en provisievordering tegen bank
Eisers stelden dat tussen eiser 1, handelend onder de naam [A], en ABN AMRO Bank N.V. een agentuurovereenkomst of bemiddelingsovereenkomst bestond, waarbij eiser 1 kredietovereenkomsten tot stand bracht tussen leerling-vliegers en de bank, en dat de bank hen provisie verschuldigd was. Zij vorderden een schadevergoeding wegens het niet uitbetalen van deze provisie.
De bank betwistte het bestaan van een dergelijke overeenkomst en stelde dat zij de namen van de leerling-vliegers reeds uit andere bronnen had en dat eventuele rechten op provisie aan IFTC toekwamen. De rechtbank stelde vast dat niet duidelijk was wie de kredietaanvragen had ingediend en wees de vordering in reconventie af wegens onvoldoende bewijs.
Het gerechtshof bevestigde dit oordeel en verwierp de grieven van eisers tegen de bewijslastverdeling en het bewijsoordeel. In cassatie klaagden eisers dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met bewijsstukken zoals kopieën van kredietovereenkomsten en vermeldingen van afsluitprovisie, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof deze stukken terecht niet als voldoende bewijs had aangemerkt.
De Hoge Raad benadrukte dat voor het aannemen van een agentuurovereenkomst vereist is dat de handelsagent zich verbindt om gedurende bepaalde of onbepaalde tijd tegen beloning te bemiddelen, wat niet is vastgesteld. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot erkenning van een agentuurovereenkomst en provisiebetaling afgewezen.