ECLI:NL:GHARN:2009:BH7567
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- H. de Hek
- Mollema
- Weening
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 7:296 lid 2 BW bij opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte
In deze zaak staat centraal of de eis van schriftelijke kennisgeving van rechtsopvolging volgens artikel 7:296 lid 2 BW Pro ook geldt bij opzegging van een huurovereenkomst op grond van de belangenafweging van lid 3. Het hof bevestigt dat deze eis ook dan van toepassing is, mede gelet op de beschermingsbedoeling van de wet.
De feiten betreffen een huurovereenkomst van bedrijfsruimte, waarbij de verhuurder is gewijzigd door overdracht van eigendom binnen een concernstructuur. De huurder betwist dat zij tijdig schriftelijk op de hoogte is gesteld van deze rechtsopvolging, wat volgens haar leidt tot nietigheid van de opzegging.
Het hof oordeelt dat mondelinge kennisgeving onder omstandigheden voldoende kan zijn, mits het beroep op het ontbreken van schriftelijke kennisgeving onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Gezien de complexe groepsstructuur en het ontbreken van een duidelijke scheiding in communicatie, moet appellant bewijs leveren dat de huurder of haar medewerkers tijdig zijn geïnformeerd.
Het hof draagt appellant op om dit bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor, en houdt verdere beslissing aan tot na bewijslevering. Tevens zal het hof, indien de eis van artikel 7:296 lid 2 BW Pro niet meer in de weg staat, de overige verweren van de huurder beoordelen.
Uitkomst: De zaak is aangehouden voor bewijslevering over de kennisgeving van rechtsopvolging aan de huurder en verdere beoordeling.