ECLI:NL:GHARN:2010:BN0907
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gemeenschappelijke huishouding voor successierechtelijke vrijstelling
Belanghebbende stelde dat hij en de erflater, ondanks het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf, een gemeenschappelijke huishouding voerden in financieel-economisch en sociaal opzicht, en daardoor aanspraak maakten op een verhoogde vrijstelling in het recht van successie. De Inspecteur betwistte dit standpunt en stelde dat geen gemeenschappelijke huishouding bestond.
Het Hof heeft de feiten van de Rechtbank overgenomen en vastgesteld dat hoewel er een gezamenlijke bankrekening was, de woonlasten en overige huishoudkosten niet gezamenlijk werden gedragen maar toegerekend aan degene die de betaling verrichtte. Ook de zorg en gezamenlijke maaltijden konden niet leiden tot het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding. Het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf en het feit dat de kosten niet gezamenlijk werden gedragen, leidde tot het oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 24, tweede lid, onderdeel b van de Successiewet.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de aanslag successierecht blijft ongewijzigd. De uitspraak bevestigt het belang van het strikt toetsen van de voorwaarden voor het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding in successieaangelegenheden.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat geen gemeenschappelijke huishouding bestond, waardoor de verhoogde vrijstelling in het successierecht niet van toepassing is.