ECLI:NL:GHARN:2010:BO2100
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling regresvordering bij hoofdelijke aansprakelijkheid in inkomstenbelasting
Belanghebbende, die geen aanmerkelijk belang had in B BV maar wel hoofdelijk aansprakelijk was voor haar schulden, betaalde bedragen aan de bank na faillissement van B BV en claimde deze betalingen als negatief resultaat uit overige werkzaamheden door afwaardering van haar regresvordering.
De Inspecteur stelde dat de regresvordering op de openingsbalans voor de waarde in het economische verkeer moest worden gewaardeerd, welke nihil zou zijn, en dat belanghebbende geen beroep kon doen op het goedkeurend beleid dat geldt voor aanmerkelijkbelanghouders. Belanghebbende voerde aan dat de regresvordering te boeken is tegen het betaalde bedrag en dat het gelijkheidsbeginsel haar beroep op het beleid rechtvaardigt.
Het Hof oordeelde dat de regresvordering pas fiscaal relevant wordt bij feitelijke betaling, en dat de waarde van de regresvordering ten tijde van betaling nihil was. Het beroep op het besluit van 24 mei 2006 werd verworpen voor niet-aanmerkelijkbelanghouders, maar het Hof stelde vast dat er geen rechtvaardiging is voor het onderscheid in fiscale behandeling tussen aanmerkelijkbelanghouders en verbonden personen zonder aanmerkelijk belang.
Daarom slaagde het beroep op het gelijkheidsbeginsel, en werd het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank, die de aanslag had verminderd en de boete en heffingsrente had vernietigd, werd bevestigd. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank Arnhem bevestigd.